Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21836

Bewaring, Tunesië, ophouding, gronden van de maatregel, grondslag van de maatregel, zicht op uitzetting, lichter middel, ongegrond.

Rechtbank Den Haag 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21836 text/xml public 2026-08-06T09:38:25 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-06 NL26.34712 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21836 text/html public 2026-08-06T09:38:14 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21836 Rechtbank Den Haag , 06-07-2026 / NL26.34712
Bewaring, Tunesië, ophouding, gronden van de maatregel, grondslag van de maatregel, zicht op uitzetting, lichter middel, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.34712
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Procesverloop
Bij besluit van 22 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toetsingskader

1. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000 zich voordoen.

Ophouding

2. Eiser voert aan dat zijn aanhouding en ophouding onvoldoende controleerbaar zijn. Eiser is op [datum] 2026 om 01:35 uur aangehouden. De aanleiding en reden van de ophouding is niet duidelijk aangezien daar in de processen-verbaal verschillend over is gerapporteerd. Eiser is vervolgens meegenomen naar het politiebureau voor DNA-afname en is pas om 09.00 uur opgehouden. Onduidelijk is wat in de tijd van 01:35 uur tot 09.00 uur is gebeurd en op welke grondslag eiser is vastgehouden. Dit is van belang omdat eiser feitelijk mogelijk eerder is opgehouden dan de 09.00 uur die in de beslissing tot ophouding staat vermeld. Dit zou betekenen dat de termijn van ophouding is overschreden.
2.1.
De rechtbank is het met eiser eens dat het proces verbaal-van aanhouding van [datum] 2026 niet het volledige verhaal schetst. Op de zitting licht de minister toe dat verbalisanten niet verplicht zijn een proces-verbaal op te maken in het geval van DNA afname. Dit staat ook in het aanvullend proces-verbaal van 29 juni 2026, dat op verzoek van de minister is opgesteld. Hierin staat dat verbalisanten ter plaatse waren vanwege een melding over de diefstal van een telefoon. Zij zagen een man (eiser) op het voetpad stilstaan met zijn handen over elkaar die de aandacht trok. Het verhaal dat eiser vervolgens vertelt, deed de verbalisanten vermoeden dat hij betrokken was bij de melding. Daarom besloten ze eiser te controleren. Daarop bleek dat eiser stond gesignaleerd voor DNA-afname en is hij aangehouden. Hierna is eiser overgebracht naar het hoofdbureau. Uit het proces-verbaal van ophouding (M105) volgt dat eiser op [datum] 2026 om 09.00 uur vanuit het strafrecht is overgedragen aan de vreemdelingenketen en is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank, is gelet op het voorgaande, sprake geweest van een aanhouding op basis van een strafrechtelijke bevoegdheid, De bewaringsrechter treedt niet in een beoordeling van het strafrechtelijke voortraject. De bewaringsrechter is namelijk niet bevoegd te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden.
2.3.
Ten aanzien van de ophouding ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan dat wat uit het proces-verbaal van ophoping volgt. Dit proces-verbaal is opgemaakt door bevoegde ambtenaren die daartoe een ambtseed hebben afgelegd. Hierbij is van belang dat in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij de vreemdeling bewijs heeft geleverd dat noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Dat tussen aanhouding en ophouding bijna acht uur tijd heeft gezeten en dat niet duidelijk is waarom het afnemen van DNA zoveel tijd kost, is geen bewijs dat de feitelijke ophouding eerder heeft plaatsgevonden dan in het proces-verbaal is vastgelegd. Zoals de minister op de zitting heeft toegelicht volgt uit de processen-verbaal dat eiser op strafrechtelijke titel is vastgehouden in die periode. Dat er wel een M122 is uitgereikt is, zoals de minister op zitting heeft gesteld, ten overvloede gebeurd. Eiser is immers niet in strafrechtelijke detentie is geplaatst. Aangezien eisers belangen hierdoor niet zijn geschaad, wordt hier geen gevolg aan verbonden. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat de aanhouding en ophouding niet controleerbaar zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;

p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;

q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
3.2.
De grond a is feitelijk juist aangezien eiser enkel een verlopen Tunesisch paspoort heeft overgelegd. Deze was niet voorzien van een visum of inreisstempel. Hierdoor is aannemelijk dat eiser niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Verder is ook de grond b feitelijk juist. Eiser heeft namelijk op 21 december 2022 en op 8 januari 2023 asielaanvragen ingediend. Deze zijn beide afgewezen. Eiser heeft hierbij ook een terugkeerbesluit opgelegd gekregen en had uiterlijk 8 januari 2023 Nederland moeten verlaten. Na de opheffing van de vorige maatregel, heeft eiser ook een bevel gekregen om Nederland te verlaten. Eiser heeft hier geen gehoor aan gegeven. Anders dan eiser stelt weegt het niet naleven van het terugkeerbesluit mee om aan te nemen dat eiser uitzetting belemmert. De minister heeft deze gronden voldoende deugdelijk gemotiveerd. Voor de gronden a en b is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring samen dragen. Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.

4. Eiser voert aan de minister enkel in algemene zin de gronden vermeldt. Niet is duidelijk of de ingeroepen grond ziet op het onderduikrisico of op de belemmering van de uitzettingsprocedure. Eiser stelt dat het niet differentiëren van de gronden waarop de maatregel berust, in strijd komt met de Terugkeerverordening.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser is op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Artikel 5.5 van het Vb 2000 verduidelijkt dat dit kan wanneer er sprake is van een onderduikrisico, of wanneer de vreemdeling de voorbereiding van zijn vertrek of de uitzettingsprocedure belemmert. Deze voorwaarden kunnen beiden van toepassing zijn. Het is dan ook niet vereist dat de minister specifiek per grond aangeeft of die ziet op het onderduikrisico of op het belemmeren van de terugkeer, mits duidelijk is dat oplegging van de maatregel kan worden gevorderd. In dit geval heeft de minister de bewaring gegrond op de openbare orde en heeft hij de aanwezigheid van een onderduikrisico en/of een belemmering in de vertrek- of uitzettingsprocedure gesteld. Zoals hierboven is geoordeeld, heeft de minister dit voldoende toegelicht door middel van de gronden van bewaring. Eiser heeft niet concreet gemaakt waarom de minister bij elke grond zou moeten vermelden of deze betrekking heeft op het onderduikrisico of belemmering. De Terugkeerverordening noopt hiertoe niet, reeds niet nu deze verordening nog niet in werking is getreden.

Zicht op uitzetting

5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van zicht op uitzetting. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt of de eerder verkregen nationaliteitsbevestiging bruikbaar is.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Tunesië in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden om daar in het geval van eiser anders over te oordelen. Aangezien eiser een verlopen Tunesisch paspoort heeft overhandigd, is het aannemelijk dat er een vervangend reisdocument verkregen zal worden. De minister mag tijd gegund worden om opnieuw een laissez-passer traject op te starten om zo uitzetting te bewerkstelligen. De minister is hierbij immers afhankelijk van de Tunesische autoriteiten. Niet is gebleken dat de Tunesische autoriteiten niet opnieuw een vervangend reisdocument zullen afgeven.

Lichter middel

6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. De minister heeft de individuele omstandigheden van eiser onvoldoende beoordeeld. Ook zijn eiser medische omstandigheden niet meegewogen.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich, gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Het onderduikrisico bij het opleggen van een lichter middel in plaats van een inbewaringstelling is volgens de minister te groot. De minister heeft in deze beoordeling betrokken dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken, hij eerder asielaanvragen heeft ingediend en dat eiser in illegaliteit verbleef. Ook is betrokken dat eiser niet wil meewerken met zijn terugkeer naar Tunesië. Ook zijn eisers medische problemen meegenomen in de beoordeling in het kader van detentiegeschiktheid. Hierover is vermeld dat eiser hartproblemen heeft en daarvoor medicatie gebruikt. Dit vormt echter geen reden om eiser detentieongeschikt te verklaren. De minister geeft aan dat vanuit detentie bekeken zal worden of hij zijn geplande onderzoek eind juli bij de cardioloog kan plaatsvinden of dat dit op een andere wijze ingevuld moet worden. Er is ook psychologische zorg beschikbaar in het detentiecentrum voor zijn psychische problemen. Hiervoor gebruikt eiser geen medicatie. Gelet op voorgaande heeft de minister een voldoende deugdelijke en voldoende persoonlijke beoordeling gemaakt ten aanzien van het niet opleggen van een lichter middel.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.

Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.

Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb 2000.

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.

ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190.

Zie bijvoorbeeld ABRvS 15 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4570 en ABRvS 24 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:213.

ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829 en artikel 5.6, derde lid van de Vb 2000.

Zie de uitspraken van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3990 en 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:275.

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Artikel delen