Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21841

Veroordeling voor vijf diefstallen en twee pogingen tot diefstal. Bij de diefstallen heeft de verdachte zich de toegang tot afgesloten bedrijfsruimtes verschaft en in totaal tientallen pakketten en andere goederen weggenomen. Gevangenisstraf van tien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk en met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 240 uur opgelegd.

Rechtbank Den Haag 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21841 text/xml public 2026-08-06T12:14:03 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-28 09/047291-25, 09/121092-26, 09/329261-25, 10/312168-25 (ttz. gev.) en 22/001510-23 (tul) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21841 text/html public 2026-08-06T12:13:46 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21841 Rechtbank Den Haag , 28-07-2026 / 09/047291-25, 09/121092-26, 09/329261-25, 10/312168-25 (ttz. gev.) en 22/001510-23 (tul)
Veroordeling voor vijf diefstallen en twee pogingen tot diefstal. Bij de diefstallen heeft de verdachte zich de toegang tot afgesloten bedrijfsruimtes verschaft en in totaal tientallen pakketten en andere goederen weggenomen. Gevangenisstraf van tien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk en met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 240 uur opgelegd.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/047291-26, 09/121092-26, 09/329261-25, 10/312168-25 (ttz. gev.) en 22-001510-23 (tul)

Datum uitspraak: 28 juli 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] ;
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 22 april 2026 (regie) en 14 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. E. van Reydt naar voren is gebracht.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 09-047291-26 (dagvaarding I)

1

hij in of omstreeks 10 november 2025 tot en met 1 december 2025 te ’s-Gravenhage en/of Rijswijk, althans in Nederland,

- 5 pakketten met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Dpd Nederland B.V. en/of [aangever 1] , in elk geval aan een ander,

- 3 pakketten met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Snipes , in elk geval aan een ander en/of

- 11 pakketten met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Ups en/of [aangever 2] ,

toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2

hij in of omstreeks 12 november 2025 tot en met 13 november 2025 te 's-Gravenhage

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- 3 pallets Redbull,

- een laptop en/of

- een contant geldbedrag,

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen pallets redbull en/of laptop en/of contante geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

parketnummer 09-329261-25 (dagvaarding II)

hij op of omstreeks 17 november 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, de toegangsdeur open heeft geforceerd met een koevoet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 november 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een toegangsdeur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [bedrijf] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

parketnummer 10-312168-25 (dagvaarding III)

hij op of omstreeks 18 november 2025 te Schiedam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om één of meerdere pakketten uit containers en/of trailers, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan UPS (gevestigd aan de [adres 2] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen het terrein van UPS is ingeklommen en hier één of meer pakketten uit een container en/of trailer te hebben gepakt en/of te hebben opengemaakt en/of te hebben meegenomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

parketnummer 09-121092-26 (dagvaarding IV)

hij op of omstreeks 16 november 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere tassen en/of dozen met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 4] en/of GLS Netherlands, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
<nr>3</nr>De bewijsbeslissing 3.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle (primair) ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het bestanddeel braak bij feit 2 onder dagvaarding I, waarvoor de officier van justitie partiële vrijspraak heeft gevraagd.
3.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle (primair) ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, met uitzondering van het bestanddeel braak bij feit 2 onder dagvaarding I en met dien verstande dat niet kan worden vastgesteld dat bij dat feit de weggenomen goederen toebehoorden aan [aangever 3] .
3.3
De gebruikte bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s betreft dit de pagina’s van de processen-verbaal met nummers:

- voor dagvaarding I: PL1500-2025423429 van de politie Eenheid Den Haag, doorgenummerd pagina 1 t/m 162;

- voor dagvaarding II: PL1500-2025390441 van de politie Eenheid Den Haag, doorgenummerd pagina 1 t/m 35;

- voor dagvaarding III: PL1700-2025399232 van de politie Eenheid Rotterdam, doorgenummerd pagina 1 t/m 48; en

- voor dagvaarding IV: PL1700-2025401938 van de politie Eenheid Rotterdam, doorgenummerd pagina 1 t/m 56.

De rechtbank zal voor het bij dagvaarding I onder feit 1 en 2, het bij dagvaarding II, het bij dagvaarding III en het bij dagvaarding IV ten laste gelegde volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft deze feiten bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien hiervan geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Dagvaarding I

Voor de bewezenverklaring van feit 1 gebruikt de rechtbank de volgende bewijsmiddelen:

De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting;

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 15 februari 2026, pagina 109–113;

Het proces-verbaal van aangifte namens Dpd Nederland B.V., opgemaakt op 12 november 2025, pagina 13-14;

Het proces-verbaal van aangifte namens Snipes , opgemaakt op 24 november 2025, pagina 45-46;

Het proces-verbaal van aangifte namens UPS, opgemaakt op 4 december 2025, pagina 67-69.

Voor de bewezenverklaring van feit 2 gebruikt de rechtbank de volgende bewijsmiddelen:

De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting;

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 15 februari 2026, pagina 109–113;

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 13 november 2025, pagina 34-35.

Dagvaarding II

Voor de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde gebruikt de rechtbank de volgende bewijsmiddelen:

De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting;

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , opgemaakt op 20 november 2025, pagina 5-7;

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 28 november 2025, pagina 27-30.

Dagvaarding III

Voor de bewezenverklaring gebruikt de rechtbank de volgende bewijsmiddelen:

De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting;

Het proces-verbaal van aangifte namens UPS, opgemaakt op 18 november 2025, pagina 6-7;

Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 november 2025, pagina 15-16;

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 19 november 2025, Pagina 36-37.

Dagvaarding IV

Voor de bewezenverklaring gebruikt de rechtbank de volgende bewijsmiddelen:

De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting;

Het proces-verbaal van aangifte namens GLS Netherlands B.V., opgemaakt op 20 november 2025, pagina 6-9;

Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 november 2025, pagina 11-12.
3.4
Bewijsoverwegingen

Partiële vrijspraak dagvaarding I, feit 2

Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt dat de verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, zodat dat bestanddeel niet bewezen kan worden. De rechtbank zal de verdachte daarvan dan ook partieel vrijspreken.
3.5
De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

dagvaarding I

1

hij in de periode 10 november 2025 tot en met 1 december 2025 te ’s-Gravenhage en Rijswijk

- 5 pakketten met inhoud, die geheel aan een ander,

- 3 pakketten met inhoud, die geheel aan een ander en

- 11 pakketten met inhoud, die geheel aan een ander

toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2

hij in de periode 12 november 2025 tot en met 13 november 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

- 3 pallets Redbull,

- een laptop en

- een contant geldbedrag,

die geheel aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

dagvaarding II

hij op 17 november 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om winkelgoederen die geheel aan [bedrijf] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, de toegangsdeur heeft geforceerd met een koevoet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

dagvaarding III

hij op 18 november 2025 te Schiedam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om één of meerdere pakketten uit containers die geheel aan een ander toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen het terrein van UPS is ingeklommen en hier één of meer pakketten uit een container heeft gepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

dagvaarding IV

hij op 16 november 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen één of meerdere tassen en dozen met inhoud die aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming;

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
<nr>4</nr>De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
<nr>6</nr>De strafoplegging 6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname en een verbod op het gebruik van verdovende middelen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte daarnaast wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich in de door de officier van justitie voorgestelde combinatie van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf en een taakstraf te kunnen vinden.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in een relatief korte periode schuldig gemaakt aan vijf diefstallen en twee pogingen tot diefstal. Bij die diefstallen heeft de verdachte in totaal enkele tientallen pakketten en andere goederen weggenomen. Hij heeft zich daarbij de toegang verschaft tot afgesloten bedrijfsruimtes, onder meer door over een hek te klimmen, en heeft bij een poging tot diefstal geprobeerd een deur open te breken met een koevoet.

Met zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven van minachting voor de benadeelde partijen en hun eigendommen. Met zijn handelen heeft hij daarnaast veel schade veroorzaakt, door het wegnemen van de pakketten, en door het veroorzaken van braakschade. Ook zijn de benadeelde partijen tijd en geld kwijt geweest aan de nasleep van deze diefstallen. De verdachte heeft slechts oog gehad voor zijn eigen geldelijk gewin zonder dat hij zich rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor de benadeelde partijen. Bovendien veroorzaakt en versterkt deze vorm van criminaliteit gevoelens van onveiligheid in de samenleving en zorgt dit ervoor dat ondernemers geld moeten investeren om hun goederen te beschermen. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.

Het strafblad van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder veroordeeld is voor misdrijven, laatstelijk op 8 april 2025 door de Rechtbank Den Haag voor een ladingsdiefstal gepleegd op 12 januari 2024. Op 27 februari 2024 heeft het Gerechtshof Den Haag aan verdachte een voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd, met een proeftijd van 3 jaren.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 7 juli 2026. Hieruit volgt dat de verdachte al jaren kampt met verslavingsproblematiek en dat deze delicten zijn gepleegd toen de verdachte een terugval had in het gebruik van verdovende middelen. Omdat het delictgedrag zich tot een korte specifieke periode heeft beperkt, de verdachte gemotiveerd lijkt om aan gedragsverandering te werken en er in de visie van de reclassering voldoende beschermende factoren zijn, ziet de reclassering mogelijkheden om gedragsverandering te bewerkstelligen binnen een voorwaardelijk strafdeel. Daartoe adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met daarbij de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, een verbod op het gebruik van verdovende middelen en een contactverbod met de medeveroordeelde.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteiten en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst en de hoeveelheid van de bewezenverklaarde feiten en het justitiële verleden van de verdachte. In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij ten aanzien van vrijwel alle feiten direct openheid van zaken heeft gegeven en een bekennende verklaring heeft afgelegd. De rechtbank houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, het feit dat hij thans in een hulpverleningstraject aan zijn verslavingsproblematiek werkt en dat hij gemotiveerd lijkt te zijn tot gedragsverandering.

De rechtbank acht, alles afwegende, de straf zoals die is geëist door de officier van justitie passend. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en daarnaast een taakstraf van 240 uren. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de straf een proeftijd van drie jaren en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, met uitzondering van het gevraagde contactverbod nu er geen medeveroordeelde bekend is. De voorwaarden zijn bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de (verslavings)problematiek van de verdachte, en om zo de kans op recidive te verkleinen.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
<nr>7</nr>De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel
7.1.1 De vordering van [aangever 3] en Sadeqoon B.V. (dagvaarding I)

[aangever 3] en Sadeqoon B.V. hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces en door [aangever 3] is op 20 maart 2026 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Het gaat om een bedrag van in totaal € 16.200 aan materiële schade, bestaande uit bedrijfsvoorraad, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.900 voor de reparatie van een deur, in totaal € 12.450 aan pallets Red Bull, € 500 voor een laptop, € 1.100 voor twee autosleutels en € 250 aan contant geld.

7.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen.

7.1.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard aangezien er onduidelijkheid bestaat over de vertegenwoordigingsbevoegdheid en de vordering onvoldoende onderbouwd is.

7.1.4 Het oordeel van de rechtbank

Deze vordering is ingediend namens zowel [aangever 3] als Sadeqoon B.V., waarbij de geleden materiële schade is opgevoerd op naam van [aangever 3] . Ter onderbouwing van de hoogte van de schade zijn enkele facturen bijgevoegd op naam van een vennootschap die anders wordt aangeduid: Sadeqoon Groothandel B.V. Er zijn geen documenten bijgevoegd waaruit blijkt dat [aangever 3] bevoegd is Sadeqoon (Groothandel) B.V. te vertegenwoordigen.

Op basis van de ingediende stukken kan de rechtbank niet vaststellen aan welke partij de weggenomen goederen toebehoorden en door welke partij de schade is geleden. De rechtbank kan ook niet vaststellen of indiener [aangever 3] bevoegd is Sadeqoon B.V. te vertegenwoordigen. Het had wel op de weg van de benadeelde partij(en) gelegen om hier duidelijkheid over te verschaffen. De benadeelde partijen alsnog de mogelijkheid geven hun vordering en de vertegenwoordigingsbevoegdheid nader te onderbouwen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze vordering. De benadeelde partijen kunnen deze vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

7.2.1 De vordering van [bedrijf] (dagvaarding II)

[bedrijf] , een eenmanszaak ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en namens [bedrijf] is door [naam] een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 6.417,45, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 5.417,45 aan materiële schade, bestaande uit kosten voor een slotenmaker en kosten voor een schuifdeur, welke kosten niet zijn vergoed door de verzekering, en € 1.000 aan immateriële schade.

7.2.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de materiële schade en tot niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van de immateriële schade.

7.2.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade kan worden toegewezen en ten aanzien van de immateriële schade de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

7.2.4 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij schade heeft geleden door de bij dagvaarding II bewezen verklaarde feiten. De vordering is voor wat betreft de materiële schade deugdelijk onderbouwd en die vordering is door de verdediging niet betwist.

De rechtbank zal de bedragen daarbij exclusief btw toewijzen, nu [bedrijf] een onderneming is en zij de btw kan terugvragen.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten. De immateriële schade is onvoldoende onderbouwd en door de verdediging gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dat gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.365,38 aan materiële schade en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 juli 2026, de datum van onderhavig vonnis.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Van ondernemingen kan worden aangenomen dat zij bedrijfsrisico’s kunnen dragen en in staat zijn om zelf vorderingen te innen. De rechtbank zal daarom niet de gevraagde schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht opleggen.

7.3.1 De vordering van GLS Netherlands (dagvaarding IV)

GLS Netherlands B.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding ter hoogte van € 1.827,46 aan materiële schade, te weten een factuur van Zenith Recherche B.V. voor verrichte werkzaamheden, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering voor een bedrag van € 1.510,30, te weten het factuurbedrag exclusief btw.

7.3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering geen verweer gevoerd.

7.3.4 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat GLS Netherlands B.V. schade heeft geleden door de bij dagvaarding IV bewezen verklaarde feiten. De vordering is deugdelijk onderbouwd en door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal de bedragen daarbij exclusief btw toewijzen, nu GLS Netherlands B.V. een rechtspersoon met een onderneming betreft en zij de btw kan terugvragen .

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.510,30 aan materiële schade en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 juli 2026, de datum van onderhavig vonnis.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Van ondernemingen kan worden aangenomen dat zij bedrijfsrisico’s kunnen dragen en in staat zijn om zelf vorderingen te innen. De rechtbank zal daarom niet de gevraagde schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht opleggen.
<nr>8</nr>De vordering tot tenuitvoerlegging 8.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de terechtzitting een vordering aangebracht tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders gedurende 2 jaren, opgelegd bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 27 februari 2024 met parketnummer 22-001510-23. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gerekwireerd tot afwijzing van deze vordering.
8.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging verzocht.
8.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie af. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel op dit moment niet opportuun is, mede gelet op de op te leggen straf en de daarbij behorende bijzondere voorwaarden.
<nr>9</nr>De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
<nr>10</nr>De beslissing
De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I, dagvaarding II, dagvaarding III en dagvaarding IV ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:

diefstal, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van dagvaarding II:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

ten aanzien van dagvaarding III:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

ten aanzien van dagvaarding IV:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (TIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 8 (ACHT) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 (DRIE) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de forensische polikliniek van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat betrokkene, nadat dit door de rechter is bevolen, zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

- geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA van de Opiumwet gebruikt, en meewerkt aan controles – te weten urineonderzoek of ademonderzoek – zo vaak als en met welk controlemiddel de reclassering nodig vindt;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;

vordering tot tenuitvoerlegging

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 22-001510-23;

voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de vordering van de benadeelde partijen [aangever 3] en Sadeqoon B.V. (dagvaarding I)

bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partijen en verdachte ieder de eigen kosten dragen;

de vordering van de benadeelde partij [bedrijf] (dagvaarding II)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 5.365,38 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juli 2026 tot de dag waarop deze vordering volledig is betaald, te betalen aan [bedrijf] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in diens vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de vordering van de benadeelde partij GLS Netherlands B.V. (dagvaarding IV)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.510,30 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juli 2026 tot de dag waarop deze vordering volledig is betaald, te betalen aan GLS Netherlands B.V.;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in diens vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.Y. van Gameren, voorzitter,

mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,

mr. G. Kuijper, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juli 2026.

Artikel delen