ECLI:NL:RBDHA:2026:21911text/xmlpublic2026-08-06T07:52:252026-08-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-05NL26.38607UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLMiddelburgBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21911text/htmlpublic2026-08-06T07:52:022026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21911 Rechtbank Den Haag , 05-08-2026 / NL26.38607 Asielaanvraag – AMBVo Duitsland – geen beroepsgronden ingediend – beroep niet-ontvankelijk
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.38607
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder.Procesverloop Bij besluit van 18 juni 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is. Eiser heeft tegen het besluit van 18 juni 2026 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 13 juli 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep ongegrond verklaard. Bij besluit van 3 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het besluit van 18 juni 2026 vervangen, omdat volgens verweerder in het besluit van 18 juni 2026 per abuis is verwezen naar verouderde wet- en regelgeving. Eiser heeft op 10 juli 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat een beroepschrift de gronden van het beroep. Als niet is voldaan aan dit vereiste, kan het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gekregen om het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. 2. Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift van 10 juli 2026. De rechtbank heeft hem op 13 juni 2026 in de gelegenheid gesteld om alsnog de gronden van het beroep in te dienen binnen een termijn van vijf werkdagen. Eiser heeft binnen de gegeven termijn geen gronden ingediend. Eiser heeft ook na afloop van de termijn geen gronden ingediend en geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus niet gebleken dat het verzuim niet aan eiser kan worden toegerekend. 3. De rechtbank zal het beroep dan ook met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van de gronden van beroep. Niet is gebleken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar, op grond waarvan de niet-ontvankelijkheidsverklaring achterwege zou dienen te blijven. 4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. ECLI:NL:RBDHA:2026:19494. Algemene wet bestuursrecht. Arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.