Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21974

Asiel - Nigeria - beroep gegrond - motivering onvoldoende ten aanzien van rol vader als opperpriester, dood van cultgenoten, vlucht naar Abraka, gezocht worden door de politie - minister werpt verklaringen over lidmaatschap cult ten onrechte tegen - eiser kan niet tegen geworpen worden dat hij summier heeft verklaard over onveiligheid in Benin en Katsina - besluit is onvoldoende zorgvuldig voor...

Rechtbank Den Haag 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21974 text/xml public 2026-08-06T13:30:33 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-06 NL25.44477 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21974 text/html public 2026-08-06T13:21:06 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21974 Rechtbank Den Haag , 06-08-2026 / NL25.44477
Asiel - Nigeria - beroep gegrond - motivering onvoldoende ten aanzien van rol vader als opperpriester, dood van cultgenoten, vlucht naar Abraka, gezocht worden door de politie - minister werpt verklaringen over lidmaatschap cult ten onrechte tegen - eiser kan niet tegen geworpen worden dat hij summier heeft verklaard over onveiligheid in Benin en Katsina - besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.44477
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1],
V-nummer: [nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 1 december 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas

3. Eiser heeft verklaard dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en tot de Isan bevolkingsgroep behoort. Hij heeft verklaard dat zijn vader opperpriester was. Na zijn overlijden op 8 februari 2016 moest eiser hem opvolgen, omdat hij de enige zoon van zijn vader is. Eiser heeft verklaard dat hij niet naar het ritueel voor de opvolging is gekomen. Hij heeft ook verklaard dat hij lid is van de cult [naam 2]. Op een gegeven moment is eiser aangesproken door een lid van de [naam 3]. Er ontstond een gevecht, omdat het lid van de [naam 3] eiser wilde meenemen voor het uitvoeren van het ritueel om de opperpriester op te volgen. Tijdens dit gevecht is het lid overleden. Eiser heeft verklaard dat hij ook werd gezocht door de ouderen van het dorp en de politie. Eiser heeft verklaard dat hij daarna bij zijn oom is gaan schuilen, maar omdat een orakel vertelde dat eiser bij zijn oom verbleef heeft eiser het land verlaten.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

problemen vanwege het niet opvolgen van de opperpriester.
4.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Dit leidt alleen niet tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Nigeria. De problemen vanwege het niet opvolgen van de opperpriester heeft de minister niet geloofwaardig geacht, omdat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. De minister heeft dit asielmotief in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling evenmin geloofwaardig gevonden. Volgens de minister vormen de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel.

Toepasselijk recht

5. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026.

Verstrekken afschrift nader gehoor

6. Eiser voert eerst aan dat de minister op de eerste dag ten onrechte geen afschrift van het verslag nader gehoor aan eiser ter kennis heeft gebracht. Eiser stelt dat het in strijd is met artikel 17, derde lid, van de Procedurerichtlijn om het rapport nader gehoor achter te houden dan wel op een later tijdstip te verstrekken. Eiser verzoekt de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen over de rechtmatigheid van deze gang van zaken.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 17, derde lid, van de Procedurerichtlijn is opgenomen dat: de lidstaten zorgen ervoor dat de verzoeker, bij de afsluiting van het persoonlijke onderhoud of binnen een bepaalde termijn voordat de beslissingsautoriteit een beslissing neemt, in de gelegenheid wordt gesteld om mondeling en/of schriftelijk opmerkingen te maken en/of opheldering te verschaffen over verkeerd vertaalde passages of misvattingen in het verslag of de schriftelijke weergave. In artikel 3.113 van het Vb is opgenomen dat een afschrift van het nader gehoor op de eerste dag, de dag van afname van het nader gehoor, wordt verstrekt. Omdat partijen op 2 april 2026 het nader gehoor niet hebben afgerond, is eiser op 16 april 2026 in de gelegenheid gesteld om het nader gehoor af te ronden. Het verslag is vervolgens aan het einde van die dag verzonden naar de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens correcties en aanvullingen ingediend die door de minister zijn betrokken in de besluitvorming. De rechtbank ziet geen concrete aanknopingspunten dat eiser is benadeeld door deze handelswijze. De beroepsgrond slaagt niet en de rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

Werkinstructie 2024/6

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het recht. WI 2024/6 is toegepast, waarmee een fundamenteel andere geloofwaardigheidstoets wordt gehanteerd dan met de voorgaande WI 2014/10. Verwezen wordt naar uitspraken van de zittingsplaatsen Roermond, Den Haag, Utrecht en Groningen. Niet duidelijk is welke voorwaarden van artikel 31, zesde lid van de Vw aan eiser zijn tegengeworpen en hoe deze in (al dan niet positieve zin) zijn meegewogen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Zelfs als zou moeten worden uitgegaan van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, heeft de minister het asielrelaas van eiseres ten onrechte niet geloofwaardig geacht.
7.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 8 augustus 2025 twee uitspraken gedaan over WI 2024/6, waarin is geoordeeld dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank oordeelt echter dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw, en bevat veel punten die ook al werden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2014/10. Hoewel er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, zullen dergelijke situaties zich om uiteenlopende redenen niet in iedere zaak voordoen. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en voldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. Dat doet de rechtbank hierna.

Relevante asielmotieven

8. Eiser betoogt dat niet alle relevante asielmotieven zijn vastgesteld en integraal zijn beoordeeld. Er is sprake van diverse verschillende gebeurtenissen met verschillende oorzaken waaruit eisers problemen voortvloeien. Eiser heeft problemen ondervonden omdat hij lid was van de [naam 2]. Dit is een ander gevaar dan het niet willen opvolgen van zijn vader.
8.1.
De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zelf aangeeft dat zijn problemen voortvloeien uit het feit dat hij zijn vader niet wilde opvolgen. Daarnaast heeft de minister eisers verklaringen over zijn lidmaatschap van de [naam 2], de dood van zijn cultgenoten en problemen in Abraka, Benin en Katsina beoordeeld onder het asielmotief ‘problemen vanwege het niet opvolgen van de opperpriester’. Dat eiser vanwege zijn problemen vreest voor verschillende personen, maakt niet dat de minister de relevante asielmotieven niet juist heeft vastgesteld.GeloofwaardigheidsbeoordelingReferentiekader en medische beperkingen

9. Eiser voert verder aan dat er geen rekening is gehouden met zijn referentiekader tijdens het horen en in de besluitvorming. Uit het medisch dossier blijkt dat eiser trauma-gerelateerde klachten heeft, ernstige littekens en psychisch verward overkomt. Ook heeft het COa zorgen geuit over het gedrag van eiser. Zo heeft eiser een ‘olifant die hij overal mee naar toe neemt, veegt zijn neus hiermee af en gedraagt hij zich vreemd’. De minister heeft zelf ook opgemerkt dat eiser in de war was. De minister heeft een actieve verplichting om na te gaan of eiser daadwerkelijk kan worden gehoord. Dit klemt te meer omdat de afwijzing van de aanvraag is gestoeld op de overweging dat eiser onvoldoende concreet, uit eigen beweging heeft verklaard over zaken waarnaar de minister niet heeft gevraagd.
9.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in de gehoren of de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Op 11 september 2024 heeft MediFirst geadviseerd dat eiser gehoord kan worden en dat daarvoor geen beperkingen aanwezig zijn. In het nader gehoor heeft de hoormedewerker aandacht besteed aan de gezondheidsklachten van eiser. De hoormedewerker heeft aangegeven hoe daar in het gehoor rekening mee gehouden zou worden, onder meer door het houden van pauzes en dat eiser het kan aangeven als hij eerder pauze zou willen houden. Eiser is tijdens het gehoor ook meermaals bevraagd over hoe het met hem ging en of het gehoor voortgezet kon worden. Verder heeft de minister in de besluitvorming het referentiekader weergegeven en is ingegaan op zijn medische situatie. Eiser heeft niet nader onderbouwd op welke manier de medische situatie in de besluitvorming onvoldoende is meegewogen. De beroepsgrond slaagt niet.Verklaringen over opvolgen vader

10. De minister werpt aan eiser tegen dat hij als enige zoon, en gestelde opvolger van zijn vader, weinig kan verklaren over zijn vader of wat zijn rol van opperpriester inhoudt. Ook legt eiser niet voldoende uit waarom hij zijn vader niet wilde opvolgen, behalve dan dat dit met religie te maken had. Van eiser mag verwacht worden dat hij hier meer over kan vertellen, omdat dit de kern van zijn problemen zijn. Uit de overgelegde foto’s valt niets af te leiden. Daarnaast volgt uit openbare informatie dat een herbalist erkend moet worden aan de hand van zijn specialisme door de traditionele raad. Niet gebleken is dat eiser werd voorbereid op deze rol of een specialisme had. Verder heeft eiser ook in het Italiaanse gehoor summier verklaard over de rol van zijn vader en is niet gebleken van enige voorbereiding.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiser summier heeft verklaard over de rol van zijn vader als opperpriester, dat hij werd voorbereid op deze rol en het specialisme van eiser of zijn vader. In de eerste plaats wijst eiser er terecht op dat de minister over de rol van de vader als opperpriester in het nader gehoor weinig vragen stelt. De minister heeft eiser weliswaar geconfronteerd met dat wat hij in zijn vrije relaas heeft verklaard niet overeenkomt met zijn verklaringen in Italië, maar de minister heeft daarna niet doorgevraagd op het antwoord van eiser dat dit hetzelfde verhaal is en dat hij een ritueel moest uitoefenen om zijn vader op te volgen en hij dat niet wilde. De minister heeft eiser ook niet bevraagd wat de rol van eisers vader als opperpriester is. Daarnaast is eiser eveneens niet gevraagd of hij werd voorbereid op deze rol als opperpriester. Dat uit een bron blijkt dat een herbalist erkend moet worden op basis van zijn specialisme door de traditionele raad in het paleis van Oba, maakt dit niet anders. Eiser is namelijk niet gevraagd of zijn vader een specialisme had en of eiser zelf ook werd voorbereid op een bepaald specialisme. Dat eiser volgens de minister bij zijn Italiaanse gehoor summier heeft verklaard over de rol van zijn vader, maakt dit ook niet anders. Nog los van de vraag of eiser daadwerkelijk summier heeft verklaard in het Italiaanse gehoor, is het aan de minister om een actuele beoordeling te maken of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel tegen de achtergrond van het asielrelaas van eiser. De minister dient eiser dan ook in dit geval zelf te bevragen over de rol van zijn vader. De beroepsgrond slaagt. Verklaringen over dood van cultgenoten

11. Verder werpt de minister aan eiser tegen dat hij te summier heeft verklaard over de dood van zijn cultgenoten. Hij kan namelijk niet vertellen wie [naam 4] en [naam 5] precies zijn en wat het verband is tussen hun overlijden en zijn problemen. De overgelegde foto’s stellen alleen vast dat er iemand is overleden, maar stelt geen oorzaak vast en maakt ook niet dat het gaat om [naam 4] of [naam 5]. Eiser heeft hierover in het gehoor geen nadere uitleg gegeven. Dat had wel verwacht mogen worden.
11.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser summier heeft verklaard over de dood van zijn cultgenoten. Eiser geeft tijdens het gehoor aan dat [naam 4], [naam 5], [naam 6] en [naam 7] op de foto’s te zien zijn. Hij vraagt vervolgens aan de gehoorambtenaar of hij kan laten zien wie, wie is op de foto’s. De gehoorambtenaar gaat daar niet op. Er wordt ook niet doorgevraagd op wie [naam 4] en [naam 5] zijn en hoe dit tot eisers problemen relateert. De beroepsgrond slaagt.Verklaringen over Abraka

12. De minister stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser over Abraka onvolledig, summier en tegenstrijdig zijn. Eiser verklaart dat hij in Abraka is aangevallen en kon wegkomen, omdat er mensen van de [naam 8] aanwezig waren. Het is onduidelijk welke problemen zich precies hebben voorgedaan en waarom. Van eiser mag verwacht worden dat hij hierover meer duiding had kunnen geven.
12.1.
Ook op dit punt oordeelt de rechtbank dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser hier onvoldoende over heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij naar Abraka is gevlucht en het daar ook niet veilig was. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hem niet gevraagd is wat er in Abraka is gebeurd en dat hij daar is aangevallen, maar weg kon komen doordat er mensen van de [naam 8] aanwezig waren. De minister heeft hier vervolgens niet op doorgevraagd. Hoewel het aan eiser is om zo goed mogelijk zijn asielrelaas naar voren te brengen, is het aan de minister om op relevante aspecten ook door te vragen. Dat is op dit punt niet gedaan. De beroepsgrond slaagt. Verklaringen over lidmaatschap cult [naam 2]

13. De minister werpt aan eiser tegen dat zijn verklaringen over het lidmaatschap van de [naam 2] oppervlakkig en niet aannemelijk zijn. Hoewel zijn verklaringen worden ondersteund door het algemeen ambtsbericht, zijn deze alsnog oppervlakkig. Omdat eiser verschillende functies heeft gehad sinds de start van zijn lidmaatschap in 2011 en vijf jaar lid is geweest, mag verwacht worden dat hij meer kan vertellen over waar de cult zich mee bezig houdt en wat eisers rol binnen de cult was. Het is daarmee niet aannemelijk dat eiser lid was van de [naam 2]. In het bestreden besluit is toegevoegd dat voor zover eiser is bevraagd op dit punt hij redelijk uitgebreid heeft verklaard over de gebruiken en tradities van de [naam 2]. Maar dit maakt de conclusie niet anders, want de informatie is vrij algemeen en vrij verkrijgbaar.
13.1.
De rechtbank oordeelt dat dit ten onrechte aan eiser wordt tegengeworpen. Onduidelijk is wat de minister precies van eiser verwacht. Eiser heeft in het nader gehoor vragen van de minister beantwoord over zijn rol binnen de [naam 2], wat ze doen, waar ze actief zijn, wie er lid kan worden, wat daar de voorwaarden voor zijn en een voorbeeld gegeven van een ritueel dat in het bos plaatsvindt. De minister heeft niet nader gemotiveerd welke informatie vrij en algemeen verkrijgbaar is en waarom dit maakt dat eisers verklaringen oppervlakkig en niet aannemelijk zijn. Ook is niet nader gemotiveerd waar eiser precies meer over had moeten verklaren. Daarbij benadrukt de rechtbank dat de minister zelf ook aangeeft dat de verklaringen van eiser overeenkomen met het algemeen ambtsbericht. De beroepsgrond slaagt.Verklaringen over gezocht worden door de politie

14. De minister stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser over dat hij wordt gezocht door de politie summier zijn. Eiser verklaart in het nader gehoor niet over op welke wijze de informatie wordt verspreid en wat er zoal is gezegd. In het bestreden besluit is toegevoegd dat eiser niet verder toelicht dat hij in de hele regio wordt gezocht en ze bij zijn moeder zijn langs geweest. Dat er een arrestatiebevel zou zijn is gebaseerd op aannames en eiser heeft niet geprobeerd hieraan te komen.
14.1.
Ook op dit punt oordeelt de rechtbank dat dit niet aan eiser kan worden tegengeworpen. Eiser is gevraagd naar of hij documenten heeft waaruit volgt dat de politie naar hem op zoek is. Verder is gevraagd hoe hij aan deze informatie komt, of hij dit zelf van de politie heeft gehoord en of er een officieel arrestatiebevel is die eiser zou kunnen overleggen. Eiser heeft verklaard dat de politie bij zijn ouders thuis is geweest en dat alle informatie met de politie is gedeeld. Hij geeft aan dat hij niet aan het arrestatiebevel kan komen, omdat dan gevraagd wordt waar hij is en zijn familie opgesloten zou worden. Eiser is niet bevraagd over op welke wijze informatie wordt verspreid of over wat er ‘zoals is gezegd’. Daarnaast heeft eiser uitgelegd waarom hij of zijn familie niet aan het arrestatiebevel kan komen. Deze verklaringen zijn door de minister niet meegenomen. Dat eiser denkt dat sprake is van een arrestatiebevel en dat volgens de minister daarmee baseert op aannames, is onvoldoende om zijn verklaringen over dat hij gezocht wordt door de politie summier te achten. De beroepsgrond slaagt.Verklaringen over onveiligheid Benin, Ablaka en Katsina

15. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser summier heeft verklaard over de onveiligheid in Benin, Ablaka en Katsina. Eiser verklaart namelijk niet welke problemen zich daar hebben voorgedaan waardoor hij genoodzaakt was om te vertrekken. Van eiser mag dit wel verwacht worden, omdat dit één van de redenen van zijn vertrek uit Nigeria was. In het bestreden besluit wordt toegevoegd dat eiser niet kan uitleggen welke problemen zijn moeder heeft ondervonden. Er zijn geen documenten overgelegd of een poging gedaan om daaraan te komen. De reactie in het gehoor van eiser dat de problemen van zijn moeder vanwege het incident waren is volgens de minister te summier. Niet is aangegeven welke problemen dit waren en waarom het voor eiser onveilig is.
15.1.
De rechtbank oordeelt dat niet kan worden tegengeworpen dat eiser summier heeft verklaard over zijn onveiligheid in Benin en Katsina. Eiser heeft verklaard dat hij zich eerst probeerde te verbergen in Ekpuma, en zich daarna wilde verbergen in Benin City. Maar daar gingen de gevechten door. Het was daarom te gevaarlijk om in Benin te blijven. Vervolgens ging eiser naar zijn oom in Katsina. Nadat ze erachter zijn gekomen dat eiser en [naam 6] daar verbleven, heeft de vrouw van zijn oom gevraagd het huis te verlaten. De minister heeft hier niet op doorgevraagd. Om die reden kan niet aan eiser worden tegengeworpen dat hij hier summier over heeft verklaard. Voor zover de minister tegenwerpt dat eiser summier heeft verklaard over de onveiligheid in Abraka, verwijst de rechtbank naar dat wat onder 12.1. al is overwogen. De minister heeft eiser in het nader gehoor gevraagd welke problemen zijn moeder heeft ervaren dat zij heeft moeten vertrekken uit het ouderlijk huis. Eiser heeft daarop verklaard dat dit te maken had met het incident waar hij het over had. Zijn moeder is haar leven niet veilig en de oudste zus van eiser heeft haar meegenomen. De rechtbank overweegt dat niet duidelijk is wat de minister nog meer van eiser verwacht en wat maakt dat deze verklaringen van eiser summier zijn. Dat er geen documenten zijn overgelegd, maakt niet dat alleen al daarom de verklaringen van eiser summier zijn. De beroepsgrond slaagt.Italiaanse dossier

16. De minister heeft in het bestreden besluit zich meermaals op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser niet overeenkomen met de verklaringen die hij heeft afgelegd bij de Italiaanse asielautoriteiten.
16.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in de brief klachtafhandeling van 13 juni 2025 vermeld dat het Italiaanse dossier werd meegestuurd. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens in de zienswijze geen melding gemaakt dat dit ontbrak of contact daarover opgenomen met de beslisser. Bij het verweerschrift heeft de minister een schermafbeelding overgelegd van het systeem Indigo met een verzendbevestiging van de klacht met als bijlage de vertaling van het Italiaanse gehoor. De rechtbank overweegt dat voor zover de bijlage ontbrak bij de brief over de klachtafhandeling het in eerste instantie op de weg van de gemachtigde van eiser had gelegen om dit in de besluitvormingsfase kenbaar te maken. Dit is niet gebeurd. Daar komt bij dat als bijlage bij het verweerschrift in ieder geval de vertaling van het Italiaanse gehoor is bijgevoegd. In zoverre is eiser niet benadeeld, omdat hij hier kennis van heeft kunnen nemen en de mogelijkheid heeft gehad om hierop te reageren.
16.2.
De rechtbank volgt de gemachtigde van eiser wel dat het onduidelijk is hoe het verslag in het dossier is gekomen. In het dossier zit namelijk geen informatieverzoek aan de Italiaanse autoriteiten. Ook ontbreekt het originele Italiaanse document en is onduidelijk welke beëdigde vertaler het Italiaanse gehoor heeft vertaald. De gemachtigde van de minister heeft hier op de zitting ook geen informatie over kunnen verschaffen. Dit betekent dat niet zonder meer van de vertaling uitgegaan kan worden. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid. De beroepsgrond slaagt.
16.3.
Gelet op de hiervoor vastgestelde beroepsgronden die slagen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de minister nog een termijn te geven om uit te zoeken wie de vertaling heeft gemaakt, op zoek te gaan naar het Italiaanse origineel en te bekijken hoe het verslag in het dossier is gekomen. Conclusie geloofwaardigheidsbeoordeling

17. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de minister zich onvoldoende deugdelijk op het standpunt stelt dat het asielmotief ongeloofwaardig is. De overige beroepsgronden behoeven geen nadere bespreking.
Conclusie en gevolgen<?linebreak?>
18. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege een motiveringsgebrek en onzorgvuldige voorbereiding. De rechtbank ziet, gelet op de conclusie van de geloofwaardigheidsbeoordeling, geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf te voorzien. De rechtbank bepaalt dat de minister met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiser moet beslissen. De rechtbank geeft daarbij de minister mee dat het in de rede ligt om eiser aanvullend te horen op de punten die voor de minister nog onduidelijk zijn of waar hij meer over wil weten. Ook geeft de rechtbank in overweging mee, los van wat onder punt 16.2. al is overwogen, om het gehele Italiaanse asieldossier, inclusief eventueel door eiser ingediend correcties en aanvullingen, mee te nemen in een nieuw te nemen besluit. Tot slot zijn in beroep, vlak voor de zitting, aanvullende stukken overgelegd. Deze stukken dienen bij een nieuw besluit betrokken te worden.
18.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van de proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt de minister op om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag;

veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming.

Vreemdelingenbesluit 2000.

Uitspraken van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.

Medisch dossier patiënt, overzicht journaalregels, notitie COA overleg van 16 december 2024.

Considerans 29 en artikel 24 van de Procedurerichtlijn jo artikel 3.108b van het Vb.

Nader gehoor, p. 3-4 en 26.

Nader gehoor, p. 3-4, 11, 18-19, 25, 30 en 34.

Nader gehoor, p. 22-23.

Zwitserland, SEM, Focus Nigeria: Profil de l’Etat d’Edo, 22 maart 2019, p. 24.

Nader gehoor, p. 28.

Nader gehoor, p. 30 en 34.

Nader gehoor, p. 35.

Algemeen Ambtsbericht Nigeria 2023.

Nader gehoor, p. 36-38.

Nader gehoor, p. 38-39.

Nader gehoor, p. 20, p. 34.

Nader gehoor, p. 31.

Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 3:2 van de Awb.

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1.

Artikel delen