ECLI:NL:RBDHA:2026:21995text/xmlpublic2026-08-06T15:17:032026-08-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-06AWB26/6713 & NL26.23560UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLGroningenBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21995text/htmlpublic2026-08-06T15:16:152026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21995 Rechtbank Den Haag , 06-08-2026 / AWB26/6713 & NL26.23560 HTL en art. 56. Ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: AWB 26/6713 en NL26.23560
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. R.J. Schenkman), en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa, alsmede de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. I. van Es). Inleiding 1. Bij besluit van 19 april 2026 heeft het COa besloten om eiser op grond van artikel 10, eerste lid aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 te plaatsen in een Handhavings- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen (hierna: het plaatsingsbesluit). 1.1. Bij besluit van 19 april 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van beperking van de vrijheid opgelegd, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). 1.2. De vrijheidsbeperkende maatregel is op 22 april 2026 opgeheven, omdat eiser afstand heeft gedaan van zijn recht op opvang. Sindsdien heeft eiser niet meer in de opvang van het COa verbleven. 1.3. Eiser heeft tegen de besluiten beroep ingesteld. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 31 juli 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser en de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Overwegingen 2. Op 14 april 2026 ontstond een vechtpartij tussen twee families. Eiser en een referent van bewoner C hebben een woordenwisseling gehad waarbij eiser de referent (lees: zoon) van bewoner C fysiek heeft mishandeld. Ook heeft eiser bewoner B, de dertienjarige dochter van bewoner C en het zusje van referent, meermaals met een stok in de nek en op het hoofd geslagen. Zij raakte bewusteloos en moest naar het ziekenhuis worden gebracht. Het incident had een zeer grote impact. 2.1. Gezien de ernst van het incident en de eerdere problematiek veroorzaakt door eiser wordt de HTL-maatregel door het COa als passend en noodzakelijk beschouwd om verdere escalaties te voorkomen en de veiligheid van iedereen op de locatie te waarborgen. Bij de keuze voor de HTL-maatregel weegt voor het COa ook mee dat eiser op de dag van het incident net terugkwam van een time-out van veertien dagen. De zwaarst beschikbare reguliere maatregel is daarmee reeds toegepast en heeft aantoonbaar geen structurele gedragsverandering bewerkstelligd, waardoor volgens het COa geen minder ingrijpende interventie meer voorhanden is die een reëel perspectief biedt op de vereiste gedragsverandering en de noodzakelijke veiligheid op de locatie. De HTL-maatregel is volgens het COa daarom proportioneel, nu de aard en ernst van het getoonde geweld, de kwetsbare positie van het minderjarige slachtoffer, en het herhalende karakter van eisers gedrag een ingrijpende reactie rechtvaardigen. Beoordeling door de rechtbank 3. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt. Had het COa aangifte moeten doen voordat de maatregel opgelegd kon worden?
4. Eiser stelt dat het vermeende incident heeft plaatsgevonden buiten de COa-opvanglocatie en dat er daarom aanvullende voorwaarden gelden voor het opleggen van een HTL-maatregel, onder andere dat er aangifte bij de politie is gedaan van het vermeende incident. Dat aan deze voorwaarde is voldaan volgt niet uit het dossier. Reeds hierom kan de opgelegde HTL-maatregel niet gehandhaafd blijven. 4.1. De rechtbank oordeelt dat het COa niet gehouden was aangifte te doen voor het opleggen van de maatregel. Op de zitting heeft het COa toegelicht dat het incident is begonnen op het terrein van de opvanglocatie en zich vervolgens enkele meters voorbij de slagboom van de opvanglocatie heeft voortgezet, nog altijd in het zicht vanaf de COa-locatie. Het beleid met betrekking tot het doen van aangifte moet naar het oordeel van de rechtbank zo worden uitgelegd dat zij betrekking heeft op incidenten die zich volledig buiten de sfeer van de opvanglocatie afspelen, maar vanwege de ernst daarvan desondanks een aanzienlijke impact hebben op bewoners en/of medewerkers. Het incident dat voor ligt is begonnen op de opvanglocatie en de voorzetting daarvan op de inrit van het terrein was vanaf de locatie dan ook waar te nemen; het COa was daarom niet gehouden aangifte te doen alvorens over te gaan tot het opleggen van de maatregel. Kan worden uitgegaan van de verslaglegging van het COa?
5. Eiser stelt dat hij ten onrechte als agressor wordt beschouwd. Diverse leden van de andere Syrische familie hebben eiser en zijn echtgenote geslagen en mishandeld. Eiser ontkent bewoner B te hebben geslagen. Eiser heeft geen stokken uit de bosjes gehaald en daarmee geslagen. Bewoner D die daarover verklaard is geen objectieve getuige; zij is immers de moeder van het vermeende slachtoffer. Er is één objectieve getuige van het incident, bewoner F. Bewoner F heeft slechts verklaard gezien te hebben dat een groep mensen achter een auto is aangerend. Op basis van deze verklaring kan eiser niet als dader of aanstichter van het incident worden aangemerkt. 5.1. Eiser meent verder dat de verslaglegging in de beschikking rammelt en op punten onjuist is. Zo wordt op pagina 3, laatste regel van de beschikking vermeld: "D verteld dat de ruzie is begonnen tussen haar zoon (referent) en bewoner C.". Echter, dit zou betekenen dat haar zoon (referent) ruzie heeft met bewoner C, zijnde zijn vader. Op pagina 3, derde alinea van onder wordt het navolgende vermeld: "Volgens bewoner A kampte bewoner B later met ernstige hoofdpijn en wazig zicht." Echter, eiser is bewoner A en bewoner B is het vermeende slachtoffer. De bestreden beschikking is om deze reden onzorgvuldig tot stand gekomen en gebrekkig gemotiveerd. 5.2. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat niet van de verslaglegging van het COa kan worden uitgegaan. Eiser erkent allereerst dat hij de referent van bewoner C heeft geslagen, zoals ook in de verslaglegging is beschreven. Dat eiser ontkent dat de gebeurtenissen daarna hebben plaatsgevonden zoals beschreven leidt niet tot een ander oordeel. Eiser ontkent niet dat enkel hij en zijn vrouw en de leden van de andere familie bij het incident betrokken waren. Evenmin wordt ontkend dat bewoner B naar het ziekenhuis is vervoerd. In de verslaglegging is op basis van verschillende getuigen beschreven dat het eiser is die bewoner B meermaals heeft geslagen. De rechtbank is van oordeel dat uit de verslaglegging aannemelijk is geworden dat eiser bewoner B heeft geslagen. Het gegeven dat de verklaringen afkomstig zijn van betrokkenen bij het conflict kan hier niet aan af doen, dat geldt ook voor de door eiser aangehaalde punten op pagina 3 van het verslag. Uit de context van de verslaglegging blijkt voldoende duidelijk wat er zou hebben plaatsgevonden en over wie de opmerkingen gaan. Er is dus sprake van kennelijke verschrijvingen. Deze zijn onvoldoende voor het oordeel dat de maatregel onzorgvuldig tot stand is gekomen of onvoldoende is gemotiveerd. Had het incident moeten worden opgenomen in het incidentenoverzicht?
6. Eiser stelt dat het incident dat aan de HTL-maatregel ten grondslag ligt, zijnde het incident van 14 april 2026, niet als incident is opgenomen en gekwalificeerd in het incidentenoverzicht als vermeld in bijlage 1 behorende bij de bestreden beschikking. Nu de HTL-plaatsing op dit incidentenoverzicht is gebaseerd en hierin zijn grondslag vindt, is de bestreden beschikking reeds om deze reden onzorgvuldig tot stand gekomen dan wel gebrekkig gemotiveerd. 6.1. De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van het incident in het incidentenoverzicht niet maakt dat de maatregel onzorgvuldig gemotiveerd is of grondslag mist. Dit incidentenoverzicht ziet op eerdere incidenten, fungeert als context en doet niet af aan het uitvoerig in de maatregel beschreven incident dat op zichzelf reeds voldoende is om over te gaan tot HTL-plaatsing. Van enige rechtsregel waaruit volgt dat slechts het incidentenoverzicht zelf fungeert als grondslag voor HTL-plaatsing, is niet gebleken. De grond slaagt niet. Heeft het COa het incident kunnen aanmerken als gedraging met zeer grote impact?
7. Eiser stelt dat uit de omstandigheid dat pas drie dagen na het incident een maatregelengesprek heeft plaatsgevonden en het daarna nog eens twee dagen duurde tot de HTL-plaatsing plaatsvond volgt dat de gedraging van eiser niet als een gedraging met grote en/of zeer grote impact kan worden beschouwd. 7.1. De rechtbank oordeelt dat het enkele tijdsverloop tussen het incident, het maatregelengesprek en de uiteindelijke maatregel niet af kan doen aan de ernst van de gedragingen van eiser. Het tijdsverloop staat bovendien niet in verhouding tot het gegeven dat een 13-jarig meisje als gevolg van het handelen van eiser naar het ziekenhuis moest worden vervoerd. De tijd die het kost om de maatregel op te leggen en te motiveren - of enige ander kanttekening plaatsen bij het incident - doet geen recht doet aan de ernst van het incident, de gevolgen voor het slachtoffer of aan de impact die dit heeft gehad op alle betrokkenen. Eisers grond slaagt niet. Had de minister moeten afzien van de HTL-plaatsing?
8. Eiser stelt tot slot dat van een HTL-oplegging had moeten worden afgezien, omdat eiser vader is van een gezin met jonge kinderen, waarvan de jongste drie jaar oud is. Eiser kan zijn zorgtaken nu niet uitoefenen. De zorgtaak voor het gezin komt nu geheel te liggen bij de echtgenote van eiser hetgeen een te zware belasting is. Zo brengt eiser o.a. de kinderen elke dag naar school hetgeen nu niet mogelijk is. 8.1. De rechtbank oordeelt dat het COa niet van HTL-plaatsing heeft hoeven afzien vanwege het gezin van eiser. Het COa heeft de positie van eiser als ouder bij het besluit betrokken en zich in dit kader op het standpunt kunnen stellen dat dat de maatregel beperkt is in duur, voorziet in evaluatiemomenten en dat bezoek van familieleden mogelijk is. Eisers vrouw kan zorgtaken op zich nemen en de oudste volwassen zoon kan haar daarbij zo nodig ondersteunen. Eiser heeft niet onderbouwd waar deze overwegingen tekortschieten. Naar het oordeel van de rechtbank concludeert het COa niet ten onrechte dat het belang van de veiligheid en het optreden tegen onaanvaardbaar gedrag, zwaarder weegt dat de door eiser gestelde belangen. Conclusie en gevolgen 9. De beroepen zijn ongegrond. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, op 6 augustus 2026, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit staat geregistreerd onder het zaaknummer AWB 26/6713. Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.23560. Maatregelenbeleid COA onder 4.3.6.