Dublin Frankrijk, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 van de Dublinverordening, art. 8:57 Awb, beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22001
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
NL26.21093
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:22001text/xmlpublic2026-08-06T16:25:332026-08-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-22NL26.21093UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLArnhemBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22001text/htmlpublic2026-08-06T16:25:012026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:22001 Rechtbank Den Haag , 22-07-2026 / NL26.21093 Dublin Frankrijk, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 van de Dublinverordening, art. 8:57 Awb, beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht zaaknummer: NL26.21093
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M. Demirtas), en de minister van Asiel en Migratie.Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Toepasselijk recht
4. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026. Totstandkoming van het besluit
5. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit EU-VIS-gegevens is gebleken dat eiser door de Franse autoriteiten in het bezit is gesteld van een (Schengen)visum dat geldig was van 15 december 2025 tot en met 14 januari 2026. De minister heeft op 29 januari 2026 de Franse autoriteiten verzocht om eiser over te nemen. Op 28 maart 2026 zijn de Franse autoriteiten hiermee akkoord gegaan. Uiterlijke overdrachtstermijn
6. Eiser betoogt dat de minister er ten onrechte van uitgaat dat de uiterlijke overdrachtstermijn verstrijkt op 30 september 2026. De rechtbank stelt vast dat dit betoog feitelijke grondslag mist. In het voornemen noch in het besluit is opgenomen dat de overdrachtstermijn verstrijkt op 30 september 2026. In het besluit is alleen vermeld dat Nederland zes maanden de tijd heeft om eiser over te dragen en dat die termijn begint vanaf het moment dat Frankrijk akkoord is gegaan. Het claimakkoord is digitaal ondertekend op 28 maart 2026. Dit claimakkoord is vervolgens op 30 maart 2026 per e-mailbericht naar de Dublinafdeling van de IND verzonden. Dat betekent dat de overdrachtstermijn is aangevangen op 28 maart 2026 en dat deze verstrijkt op 28 september 2026. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Eiser voert aan dat hij na overdracht aan Frankrijk geen toegang zal krijgen tot asiel- en opvangvoorzieningen. Uit het AIDA-rapport over Frankrijk (update 2024) volgt dat de asiel- en opvangomstandigheden ten opzichte van het AIDA-rapport over Frankrijk (update 2022) zijn verslechterd. Volgens eiser volgt uit het AIDA-rapport over Frankrijk (update 2024) dat eind 2024 meer dan 50.000 asielzoekers geen opvangvoorziening hadden, slechts 64% van de asielzoekers daadwerkelijk wordt gehuisvest, Dublinterugkeerders niet direct worden geregistreerd door sommige ‘ [plaats] ’ en Dublinterugkeerders geen toegang hebben tot reguliere opvangcentra. Verder volgt uit het AIDA-rapport dat in 2025 bezuinigingen zullen leiden tot sluiting van duizenden opvangplaatsen en dat de OFPRA asielverzoeken verwerkt in 138 dagen terwijl de doelstelling 60 dagen is. In het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij iemand op het treinstation in Frankrijk heeft ontmoet die vertelde dat het als asielzoeker moeilijk is om in Frankrijk onderdak te krijgen. Hieraan voegt eiser toe dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het AIDA-rapport over Frankrijk (update 2024) nog niet heeft beoordeeld. Eiser voert ook aan dat de minister heeft nagelaten het recente AIDA-rapport over Frankrijk (update 2024) in zijn beoordeling te betrekken. Gelet op de Afdelingsuitspraak van 4 september 2024 had de minister rekening moet houden met alle relevante objectieve informatie waarover hij beschikt of behoort te beschikken. Volgens eiser heeft de minister dat onvoldoende gedaan.
Daarnaast voert eiser aan dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de opvangomstandigheden bij de [plaats] in de regio Gironde dat in het claimakkoord is aangewezen als bevoegde autoriteit waar eiser zich na overdracht moet melden. Eiser heeft de minister verzocht onderzoek te doen of een tolk voor Pidgin Engels beschikbaar is, wat de termijn voor de aanvang van opvang is en of eiser toegang heeft tot medische zorg. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte niet op dit verzoek gereageerd. 7.1. De rechtbank stelt voorop dat de minister bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door de vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaten in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit is het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor eiser een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die eiser heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. 7.2. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij voor Frankrijk nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling recentelijk nog bevestigd in uitspraken van 30 augustus 2024 en 31 juli 2025. Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn (geweest) in de Franse asielopvang, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 31 juli 2025 ook het AIDA-rapport update 2024 betrokken. De rechtbank ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd, geen grond om anders te oordelen dan de Afdeling. Mocht eiser toch problemen ervaren met bijvoorbeeld de opvang in Frankrijk of het bereiken van de aangewezen [plaats] , dan ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat zij eiser niet willen of kunnen helpen, of dat klagen bij voorbaat geen zin zal hebben. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding eiser te volgen in zijn betoog dat de minister voor Frankrijk ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gelet hierop heeft de minister geen individuele garanties voor eiser hoeven vragen aan de Franse autoriteiten en ook geen nader onderzoek bij de Franse autoriteiten hoeven verrichten naar de omstandigheden in de [plaats] in de regio Gironde. Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening mag de minister een asielaanvraag ook onverplicht in behandeling nemen als hij voor de behandeling daarvan niet verantwoordelijk is. De minister mag zelf bepalen wanneer hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. De rechtbank moet daarom op dit onderdeel terughoudend toetsen. In het beleid van de minister staat dat van deze bevoegdheid terughoudend gebruik wordt gemaakt, onder meer in de situatie dat bijzondere, individuele omstandigheden maken dat overdracht van onevenredige hardheid zou getuigen. 8.1. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen aanleiding ziet om in zijn geval toepassing te geven aan deze discretionaire bevoegdheid. Eiser spreekt namelijk Pidgin Engels en geen Frans, waardoor sprake is van een taalbarrière. Na overdracht aan Frankrijk wordt van eiser verwacht dat hij contact moeten leggen met de aan hem toegewezen [plaats] in de regio Gironde, zich te melden bij een [meldpunt] en het asielformulier in het Frans moeten invullen. De minister heeft deze taalbarrière in het bestreden besluit ten onrechte niet betrokken als bijzondere omstandigheid. Ook heeft de minister ten onrechte niet onderzocht of in Frankrijk een tolk in het Pidgin Engels beschikbaar is en
Verder betoogt eiser dat hij als ‘first-time’ reiziger als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar de Afdelingsuitspraak van 11 april 2025 waaruit volgt dat kwetsbaarheid een bijzondere omstandigheid kan vormen. Eiser heeft met zijn verklaringen aannemelijk gemaakt dat hij bijzonder kwetsbaar is. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij niet weet hoe dingen in Europa gaan, Polen en Nederland voor hem hetzelfde klinken en hij verder helemaal niks weet.
Daarnaast betoogt eiser dat hij in Frankrijk geen sociaal netwerk heeft. Eiser heeft geen familie, kennissen in Frankrijk. Verder heeft eiser ook geen enkele verbinding met Frankrijk. Hieraan voegt eiser toe dat hij zich bewust is van de Afdelingsuitspraken van 25 februari 2025 en 26 maart 2026. Eiser beperkt zijn beroep op artikel 17 van de Dublinverordening daarom uitdrukkelijk tot omstandigheden die hem persoonlijk betreffen. 8.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen aanleiding is om de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. De door eiser aangevoerde omstandigheden hebben, anders dan eiser betoogt, betrekking op de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt en die vraag heeft de minister al ontkennend beantwoord. Verder stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet voldoende bijzonder zijn om van de overdracht aan Frankrijk af te zien vanwege onevenredige hardheid. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Hierbij is van belang dat Frankrijk partij is bij het EVRM. Eiser kan bij voorkomende problemen, zoals de taalbarrière en gebrek aan netwerk of onzekerheid over de opvang in de regio Gironde, de autoriteiten van Frankrijk of de daarvoor geschikte instanties van Frankrijk benaderen. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Frankrijk eiser niet kunnen of willen helpen.
Voor zover eiser betoogt dat hij als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt, volgt de rechtbank dat eveneens niet. In het arrest Tarakhel heeft het EHRM overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. De bewijslast dat er sprake is van de betreffende bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. De rechtbank oordeelt dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd waarom hij als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel moet worden aangemerkt. De door eiser gestelde omstandigheden gelden voor veel asielzoekers en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij binnen die groep als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt. Hij heeft ook niet (met stukken) aannemelijk gemaakt dat hij zonder aanvullende garanties geen afdoende opvangvoorzieningen zal krijgen in Frankrijk.Het betoog slaagt niet. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. AIDA-rapport “Country Report: France 2024 Update” van 11 juni 2025. Office Français de Protection des Réfugiés et Apatrides. ECLI:NL:RVS:2024:3455. HvJ 29 februari 2024 (arrest X), ECLI:EU:C:2024:195, en ABRvS 4 september 2024,
ECLI:NL:RVS:2024:3455. Zie de uitspraken van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623. Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000. De eerste opvangorganisatie in Frankrijk waar asielzoekers terechtkunnen. ECLI:NL:RVS:2025:1642. ECLI:NL:RVS:2025:717. ECLI:NL:RVS:2026:1667. Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. ECLI:NL:RVS:2020:223.