Beroep - ophouding – Maatregel van vreemdelingenbewaring – tenuitvoerlegging – ongegrond – geen pkv.
Rechtbank Den Haag 26 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:24216
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2026
Datum publicatie
26-08-2026
Zaaknummer
NL26.46694 en NL26.46810
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:24216text/xmlpublic2026-08-26T16:00:272026-08-26Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-26NL26.46694 en NL26.46810UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLMiddelburgBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:24216text/htmlpublic2026-08-26T16:00:012026-08-26Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:24216 Rechtbank Den Haag , 26-08-2026 / NL26.46694 en NL26.46810 Beroep - ophouding – Maatregel van vreemdelingenbewaring – tenuitvoerlegging – ongegrond – geen pkv.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL26.46694 en NL26.46810
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. P.H. Hillen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. K. Kanters). Procesverloop Uit de detentieverklaring van 13 augustus 2026 blijkt dat eiser op 1 augustus 2026 in verzekering is gesteld en dat de einddatum voor detentie 16 augustus 2026 is. Ook blijkt uit deze verklaring dat eiser op 14 augustus 2026 is overgenomen door de AVIM Den Haag. Op 16 augustus 2026 om 09:00 uur is eiser op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) overgenomen en opgehouden aansluitend op een strafrechtelijke detentie (bestreden besluit 1). Op 16 augustus 2026 om 14:39 uur is eisers vrijheidsbeneming beëindigd omdat eiser in bewaring is gesteld. Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 op 15 augustus 2026 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer NL26.46694. Eiser heeft op 17 augustus 2026 beroepsgronden ingediend. Met het bestreden besluit van 16 augustus 2026 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep is geregistreerd onder nummer NL26.46810. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft de beroepen op 20 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen [tolk] .
Eiser heeft op 24 augustus 2026 verzocht om heropening van het onderzoek in de beroepen in verband met de door verweerder op zitting aan het dossier toegevoegde stukken. De rechtbank heeft dit verzoek op 25 augustus 2026 afgewezen, omdat eiser ter zitting de gelegenheid heeft gekregen op deze stukken te reageren. Beoordeling door de rechtbank Beroep tegen de ophouding (NL26.46694) De rechtbank merkt allereerst op dat het beroep tegen de ophouding is ingesteld alvorens de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser is opgelegd en daarvan een kennisgeving naar de rechtbank is verstuurd. Het beroep tegen de ophouding is daarmee ontvankelijk. Eiser voert aan dat volgens de AVIM eiser aansluitend op een veroordeling van de politierechter van 13 augustus 2026 strafrechtelijk is gedetineerd. In het uittreksel Juridische Documentatie van 1 augustus 2026 staan echter geen gegevens onder het door de AVIM genoemde parketnummer. Eiser stelt zich op het standpunt dat de rechtbank gehouden is om in de beoordeling te betrekken dat eisers vrijheid zonder recht of titel is ontnomen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de door verweerder ter zitting overgelegde stukken is het volgende gebleken. Eiser is op 14 augustus 2026 op verzoek van de AVIM, en in verband met zijn inbewaringstelling, overgebracht naar het politiebureau. Toen aldaar bleek dat eiser nog een geldboete open had staan in verband met een veroordeling voor een strafbaar feit dat hij op 5 juli 2023 heeft begaan, is eiser voor de duur van twee dagen in vervangende hechtenis genomen voor het niet betalen van deze geldboete. Daarmee liep eisers strafrechtelijke detentie door tot 16 augustus 2026. Na afloop van de strafrechtelijke detentie is eiser op 16 augustus 2026 overgedragen aan de AVIM en voor minder dan zes uur opgehouden, waarna aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring is opgelegd.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van een andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Dit is anders indien de strafrechter hierover een oordeel heeft gegeven, of indien sprake is van verklapt vreemdelingrechtelijk toezicht. Daarvan is in het geval van eiser echter geen sprake. De ophouding is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet onrechtmatig.
5. Het beroep tegen de ophouding is ongegrond. Beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring (NL26.46810) Toetsingskader
6. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
7. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
- a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;- b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;- h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;- p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 8. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken is.
9. Eiser voert ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan dat de medische afdeling van het detentiecentrum waar eiser verblijft onvoldoende geschikt is voor eiser. Eiser is overgenomen uit strafrechtelijke detentie en deze is tot en met het lichten van eiser op 14 augustus 2026 in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie [locatie] uitgevoerd. Ook eisers maatregel van vreemdelingenbewaring dient hier ten uitvoer te worden gelegd.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt ter zitting dat eiser dient te onderbouwen waarom het detentiecentrum voor eiser ongeschikt is om de aan hem opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring uit te voeren en dat [locatie] daarvoor een meer aangewezen locatie zou zijn. Dit heeft eiser nagelaten. Daarbij heeft verweerder nader gemotiveerd dat er contact is geweest met [locatie] , dat eiser wordt gemonitord door de medische dienst en dat eiser naar [locatie] zal worden overgeplaatst indien daartoe aanleiding bestaat. Eiser is onderzocht door een arts en verblijft momenteel op een speciale afdeling binnen het detentiecentrum. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
11. De rechtbank ziet in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 26 augustus 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak, voor zover deze gaat over het beroep tegen de ophouding, staat geen hoger beroep of verzet open. Tegen de uitspraak, voor zover deze gaat over het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Het geldboetevonnis inclusief parketnummer en het mailcontact met de toelichting van de AVIM waarom eiser twee dagen langer in strafrechtelijke detentie heeft gezeten dan eerder bekend was. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Vreemdelingenbesluit 2000. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.