Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:24986

Mondelinge uitspraak visum kort verblijf. Het beroep is gegrond, de rechtbank verklaart het bezwaar gegrond, herroept het primaire besluit, draagt verweerder op het door eiseres aangevraagde visum voor kort verblijf voor 30 dagen te (doen) verstrekken en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

Rechtbank Den Haag 3 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:24986 text/xml public 2026-09-03T13:21:29 2026-08-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-27 NL25.11488 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:24986 text/html public 2026-08-31T13:22:47 2026-09-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:24986 Rechtbank Den Haag , 27-08-2026 / NL25.11488
Mondelinge uitspraak visum kort verblijf. Het beroep is gegrond, de rechtbank verklaart het bezwaar gegrond, herroept het primaire besluit, draagt verweerder op het door eiseres aangevraagde visum voor kort verblijf voor 30 dagen te (doen) verstrekken en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.11488

V-nummer: [V nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1948, van Iraanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh)

en
de minister van Buitenlandse zaken, de minister
(gemachtigde: mr. S. Pols).
Inleiding
1. Bij besluit van 8 januari 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser voor de verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen. Eiser heeft op bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.1.
Bij besluit van 11 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het door eiser ingestelde bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Abbaszadeh als tolk in de taal Charandabi en de gemachtigde van de minister.
1.4.
Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft medegedeeld dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open staat.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond, herroept het primaire besluit, draagt verweerder op het door eiseres aangevraagde visum voor kort verblijf voor 30 dagen te (doen) verstrekken en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser van € 2.534,-.
Overwegingen
Griffierecht

2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.

Waar deze zaak over gaat

3. Eiser heeft op 20 december 2023 een visum kort verblijf gevraagd voor familiebezoek zijn schoondochter, [referente] treedt in deze procedure op als referente.
3.1.
De minister heeft de visumaanvraag afgewezen omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt over een regelmatig en substantieel inkomen in Iran te beschikken om in het eigen onderhoud te kunnen voorzien en hij zijn sociale en economische binding met Iran niet aannemelijk heeft gemaakt. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet gehoord hoefde te worden, nu een hoorzitting niet tot een ander oordeel zou leiden.

Standpunt eiser

4. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat de minister ten onrechte niet heeft aangenomen dat er sprake is van sociale binding met Iran. Eiser heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en heeft zijn hele leve in Iran gewoond. Hij heeft sociale en emotionele banden met Iran en zowel materieel en immaterieel voldoende binding om de rest van zijn leven in Iran te willen doorbrengen en daar het leven te laten. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat de minister ten onrechte niet heeft aangenomen dat er sprake is van economische binding met Iran en dus dat er sprake zal zijn van tijdige terugkeer naar Iran. De minister motiveert namelijk niet waarom voor het aannemen van economische binding met het land van herkomst vereist is dat eiser in persoon in het land van herkomst aanwezig is. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat de minister hem onterecht niet heeft gehoord.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van vestigingsgevaar. De minister spreekt in het bestreden besluit van ‘enige sociale binding’ met Iran, terwijl eiser 76 jaar oud is, daar altijd gewoond heeft en daar nu samenwoont met zijn vrouw en twee kinderen. Eiser kent simpelweg geen ander sociaal leven en binding dan met Iran. Zonder nadere onderbouwing kan de rechtbank de minister dan ook niet volgen dat hieruit slechts ‘enige sociale binding’ volgt of dat tijdige terugkeer naar Iran in verband met de sociale binding niet gewaarborgd is te achten. Referente en de zoon van eiser hebben daarnaast ook een aanbod gedaan om hun Nederlandse nationaliteit op het spel te zetten als waarborg dat eiser tijdig zal terugkeren. Verder is eisers vrouw ernstig ziek. De rechtbank acht dit alles tezamen belangrijke aanwijzingen over de oprechtheid van eiser zijn intentie om tijdig terug te keren naar Iran.

6. Het is verder vaste rechtspraak van de Afdeling dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. De minister had daar in deze zaak ook zeker toe moeten overgaan. Het horen in bezwaar vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit.

7. Eiser, ten tijde van de aanvraag 76 jaar oud, heeft zijn hele leven in Iran gewoon en heeft daar zijn vrouw en twee kinderen die bij hen inwonen. In Nederland heeft eiser zijn zoon wonen met zijn vrouw (referente) en hun kind. In bezwaar is naar voren gebracht dat eiser met zijn vrouw eerder in 2017/2018 met een visum kort verblijf naar Nederland zijn gekomen en tijdig zijn teruggekeerd. Daarmee heeft eiser in het verleden met zijn gedrag laten zien zich aan de regelgeving in Nederland te houden. Ook is in bezwaar naar voren gebracht dat het sociale leven van eiser in Iran is en dat hij van plan is tijdig naar dat leven terug te keren.

8. In een situatie als deze kan niet op voorhand worden gezegd dat het bezwaar geen enkele kans van slagen heeft. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het bij de beoordeling van het vestigingsgevaar gaat om het voorspellen van toekomstig gedrag, namelijk of eiser het voornemen heeft om op tijd weer terug naar Iran te gaan. Het horen biedt dan bij uitstek mogelijkheid om de intenties van eiser nader te onderzoeken. Eiser heeft geen eerlijke kans gehad om in een hoorzitting uit te kunnen leggen waarom die redenen volgens hem niet op hem van toepassing zijn. De rechtbank overweegt dat in een dergelijke situatie, het in het kader van een zorgvuldige besluitvorming juist essentieel is om eiser te horen. De minister had het bezwaar dan ook niet kennelijk ongegrond mogen verklaren.

9. Allerlaatst merkt de rechtbank op dat de minister in het dossier, meer specifiek de nadere motivering van het primaire besluit, met discriminerende aannames werkt. In de nadere motivering staat: ‘Er is nog steeds veel politieke onrust en de mensenrechtensituatie in Iran blijft zorgwekkend. Daarnaast is de inflatie in Iran in de afgelopen jaren en met name in de zomer en het najaar van 2022 torenhoog geweest. Als gevolg hiervan gaan veel Iraniërs op zoek naar een beter bestaan buiten Iran. Vanwege de nareisasiel-mogelijkheid geeft het aantonen van een sociale band (gezinsleden blijven achter in land van bestendig verblijf) geen 100% zekerheid dat een tijdige terugkeer is gewaarborgd.’. De rechtbank herinnert minister er aan dat hij iedere aanvraag op de persoonlijke mérites van de aanvrager dient te beoordelen en het haar is verboden daarbij negatieve stereotyperingen op basis van afkomst te betrekken, waartegen iemand zich niet kan verweren. Dat is discriminatie en dat past de minister niet. Los van het feit dat de eis van 100% zekerheid bij het beoordelen van een visumvraag niet mag worden gesteld, wordt eiser negatief gedrag toegedicht omdat hij afkomstig is uit Iran, en is hij ook (mede) op dat negatieve gedrag beoordeeld. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 juli 2025.

10. Omdat de minister de hoorplicht heeft geschonden en ten onrechte heeft geoordeeld dat eiser onvoldoende sociale binding met Iran heeft, verklaart de rechtbank het beroep gegrond.

11. In het kader van finale geschilbeslechting zal de rechtbank doorpakken en bepalen dat aan eiser een visum van 30 dagen moet worden verstrekt. Eiser is al op leeftijd en wil nog één keer zijn zoon en schoondochter zien, en voor het eerst zijn kleinkind in zijn armen kunnen sluiten. Gelet op de sociale binding met Iran, het feit dat eiser eerder al heeft laten zien zich aan de regels te houden en eiser en zijn zoon/ schoondochter ieder op hun eigen manier hebben geprobeerd een extra waarborg in te bouwen om de minister ervan te overtuigen dat eiser tijdig zal terugkeren, is de rechtbank van oordeel dat tijdige terugkeer van eiser gewaarborgd is te achten. Er is dus maar 1 uitkomst mogelijk in deze procedure. Eiser zal dus moeten worden behandeld als ware hij in het bezit van een visum kort verblijf met een maximum van 30 dagen.

12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten.

De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.534,-.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.

ECLI:NL:RBDHA:2025:15161.

Artikel delen