Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:26648

voorlopige voorzieningen: uitsluitend gebruik, toevertrouwing, voorlopige zorgregeling en voorlopige kinderalimentatie

Rechtbank Den Haag 24 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:26648 text/xml public 2026-09-24T08:59:41 2026-09-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-14 C/09/707690 / FA RK 26-6338 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26648 text/html public 2026-09-24T08:58:01 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:26648 Rechtbank Den Haag , 14-08-2026 / C/09/707690 / FA RK 26-6338
voorlopige voorzieningen: uitsluitend gebruik, toevertrouwing, voorlopige zorgregeling en voorlopige kinderalimentatie

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-6338

Zaaknummer: C/09/707690

Datum beschikking: 14 augustus 2026
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 23 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M. Ahmadi te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.C. Herweijer te Rijswijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift;

het verweerschrift;

het F9-formulier van 3 augustus 2026 van de man, met bijlage;

het F9-formulier van 3 augustus 2026 van de vrouw, met bijlagen;

het F9-formulier van 3 augustus 2026 van de man, met bijlage;

het F9-formulier van 5 augustus 2026 van de vrouw, met bijlage.

Op 5 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

de vrouw met haar advocaat;

de man met zijn advocaat;

[naam 1] en [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] .

Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats] .
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:

de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] ;

de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;

een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld, in die zin dat zij bij de man zijn:

- om het weekend van vrijdag na schooltijd tot zondag 18.00 uur;

- iedere woensdag na schooltijd tot 18.00 uur;

- de helft van alle vakanties en feestdagen, waarbij de vrouw de eerste keus heeft in de even jaren en de man de eerste keus in de oneven jaren;

- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 292,- per kind per maand wordt vastgesteld, met ingang van 17 juni 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt hij zelfstandig dat:

de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] ;

de minderjarige kinderen van partijen aan de man worden toevertrouwd;

een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld, in die zin dat:

- als de kinderen aan de man toevertrouwd worden: de kinderen om het weekend van zaterdagochtend 09.30 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de vrouw verblijven, alsmede iedere woensdag na school tot 18.00 uur;

- als de kinderen aan de vrouw toevertrouwd worden: de kinderen om het weekend van zaterdagochtend 09.30 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de man verblijven, alsmede iedere woensdag na school tot 18.00 uur;

- waarbij in beide situaties geldt dat de omgang plaatsvindt in de echtelijke woning en de andere ouder daar dan niet is;

in het geval de kinderen aan de vrouw toevertrouwd worden, een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 50,- per maand wordt vastgesteld;

de kosten van deze procedure gecompenseerd worden, in de zin dat ieder de eigen kosten draagt;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Uitsluitend gebruik en toevertrouwing minderjarigen

De vrouw stelt dat het huwelijk werd gekenmerkt door huiselijk geweld. De vrouw heeft hiervan recent ook aangifte gedaan en Veilig Thuis is een onderzoek gestart. Een paar dagen voorafgaand aan de zitting is de politie betrokken geraakt bij het gezin en zijn de kinderen, die daarvoor bij de vrouw verbleven, met de man mee naar huis gegaan. De man heeft op de zitting aangegeven dat de vrouw meermaals vreemd is gegaan en dat hij hierover signalen heeft gehad van de kinderen. De man heeft vervolgens met de kinderen gesproken over, in zijn beleving, de vriend van de vrouw. De vrouw heeft aangegeven dat zij geen vriend heeft. Uit de gesprekken met de kinderen is de rechtbank gebleken dat zij op dit moment afwijzend tegenover de vrouw staan, vanwege de vermeende vriend in haar leven, maar ook omdat de vrouw de kinderen zou slaan. Dat laatste is door de man ook naar voren gebracht.

De rechtbank heeft op de zitting uitgebreid gesproken met de ouders over wat er afgelopen tijd allemaal gebeurd is en wat hun kijk hierop is. Er is tot op heden niet gebleken van enige indicatie dat de moeder de kinderen heeft geslagen of anderszins heeft mishandeld. Of de vrouw wel of niet een nieuwe vriend heeft is voor de beslissing van de rechtbank niet van belang.

Wel van belang is dat het negatieve beeld dat de kinderen hebben van de vrouw zo snel mogelijk geneutraliseerd moet worden. Het ligt met name op de weg van de man om hier een rol in te spelen. Op de zitting heeft de rechtbank er bij de man op aangedrongen dat hij zich tegenover de kinderen niet meer negatief over de vrouw moet uitlaten. Het is van het grootste belang dat de man de kinderen laat voelen dat het goed is bij de vrouw.

De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen om de situatie zoals die tot voor kort was weer te herstellen. Dit betekend dat de kinderen zullen worden toevertrouwd aan de vrouw. Om een start te maken met het contactherstel hebben partijen daarom op de zitting afgesproken dat de kinderen het weekend na de zitting weer naar de vrouw gaan.

Herstel van de situatie zoals die tot voor kort was houdt ook in dat de kinderen weer samen met de vrouw in de echtelijke woning zullen gaan wonen. De man kan bij zijn moeder verblijven en dit sluit aan bij hoe het de afgelopen 1.5 jaar is geweest. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw met betrekking tot het uitsluitend gebruik en de toevertrouwing daarom toe.

Zorgregeling

De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen dat er een duidelijke en structurele voorlopige zorgregeling komt. Omdat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd zal de rechtbank een zorgregeling tussen de man en de kinderen bepalen.

De rechtbank sluit aan bij het verzoek van de vrouw, en bepaalt dat de kinderen om het weekend van vrijdag na schooltijd tot zondag 18.00 uur bij de man zullen zijn, en iedere woensdag na school, met dien verstande dat de zorgregeling tijdens de vakantie(s) in gaat op vrijdag om 16.00 uur en op woensdag om 12.00 uur. De rechtbank vindt deze zorgregeling het meest in het belang van de kinderen. Gelet op alles wat er speelt en het wantrouwen over en weer vindt de rechtbank een birdnestregeling niet passend, omdat dit voor te veel onrust zou zorgen. De regeling zoals door de vrouw verzocht past bij de situatie zoals die tot voor kort was, en past ook bij het gegeven dat de man 40 uur per week zorgdraagt voor zijn moeder (waarvoor hij ook wordt betaald vanuit haar PGB; dit is dus gelijk te stellen aan een volledige werkweek). De weekenden en de woensdagen dat de kinderen bij de man zijn zullen de kinderen bij de man zijn in woning van zijn moeder. Dit is voor hen een vertrouwde plek omdat zij daar op dit moment verblijven. De vakanties zullen zoals door de vrouw verzocht bij helfte tussen partijen worden verdeeld.

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

De rechtbank ziet aanleiding om eerst de ingangsdatum vast te stellen.

De vrouw heeft verzocht de voorlopige bijdrage met ingang van datum indiening verzoekschrift vast te stellen. De man heeft geen standpunt ingenomen over de ingangsdatum. De rechtbank zal datum indiening verzoekschrift hanteren als ingangsdatum, omdat de man vanaf dit moment rekening heeft kunnen houden met een voorlopige bijdrage aan kinderalimentatie.

Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.

Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. Omdat partijen in januari 2025 uit elkaar zijn gegaan, rekent de rechtbank met de periode 2025-I.

Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van Wajong-uitkering van € 21.488,- per jaar, zoals volgt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgaaf.

Op basis hiervan en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van het huwelijk op € 1.720,- per maand.

Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 74.890,- per jaar, zoals volgt uit de aangifte IB 2025.

Op basis hiervan en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 4.259,- per maand.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 5.979,- per maand (€ 1.720,- + € 4.259,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 280,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.545,- per maand voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.616,- per maand.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een Wajong-uitkering van € 1.606,- per maand, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de betaalspecificatie van mei 2026.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 2.364,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [2.364 – (709 + 1.365)] = € 203,- per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van dezelfde gegevens als voor de bepaling van de behoefte, omdat door de man geen recentere inkomensgegevens zijn ingediend. De rechtbank gaat daarom uit van een inkomen van

€ 74.890,- per jaar, zoals blijkt uit de aangifte IB 2025.

Op basis hiervan en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.289 per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

De rechtbank zal, anders dan door de man verzocht, geen rekening houden met schulden. De man heeft de schulden opgevoerd, maar niet aangetoond dat hij aflost hierop. De man heeft iets ingediend over de schuld bij Wehkamp, maar de rechtbank kan niet vaststellen of hij die schuld daadwerkelijk aan het aflossen is. De rechtbank houdt met deze schuld daarom geen rekening. Voor wat betreft de belastingschuld is door de vrouw aangevoerd dat deze vermijdbaar en verwijtbaar is. Het is volgens de vrouw algemeen bekend dat er belasting over inkomen betaald moet worden, dus de man had daar een potje voor moeten maken. Het had op zijn weg gelegen om aan te tonen dat hij die mogelijkheid niet mag. De rechtbank volgt dit standpunt en houdt geen rekening met de schuld bij de belastingdienst.

Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [4.289 – (1.287 + 1.365)] = € 1.146,- per maand.

Zorgkorting

Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Gelet op de voorlopige zorgregeling geldt een percentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 404,- per maand (25% van € 1.616,-).

Gezamenlijke draagkracht

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.349,-. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 267,- per maand.

Omdat sprake is van een tekort van € 267,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 270,- per maand (€ 404,- -/- € 134,-).

Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bedraagt dan € 876,- per maand (€ 1.146 -/- € 270,-).

Conclusie

De rechtbank bepaalt de door de man met ingang van 23 juni 2026 voorlopig te bepalen kinderalimentatie op € 876,- per maand, te weten € 292,- per kind per maand.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Beslissing
De rechtbank:

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

bepaalt dat de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] ,

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats] ,

aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;

bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarigen bij zich te hebben:

om het weekend van vrijdag na schooltijd tot zondag 18.00 uur;

iedere woensdag na schooltijd tot 18.00 uur;

de helft van alle vakanties en feestdagen, waarbij de vrouw de eerste keus heeft in de even jaren en de man de eerste keus in de oneven jaren;

waarbij geldt dat de zorgregeling in de vakanties op de vrijdag om 16.00 uur aanvangt en op de woensdag om 12.00 uur;

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 23 juni 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 292,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 14 augustus 2026.

Artikel delen