Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:26789

Gedaagden hebben een eindafrekening van een feest niet betaald, omdat zij de nacalculatie betwisten en menen dat zij nog maar 75% hoefden te betalen wegens compensatie schade aan trouwjurk. Juistheid nacalculatie onvoldoende betwist en onvoldoende onderbouwd dat nog maar 75% moet worden betaald. Vordering toegewezen.

Rechtbank Den Haag 1 October 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:26789 text/xml public 2026-10-01T10:05:11 2026-09-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-09-17 11943987 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Gouda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26789 text/html public 2026-09-24T09:29:11 2026-10-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:26789 Rechtbank Den Haag , 17-09-2026 / 11943987
Gedaagden hebben een eindafrekening van een feest niet betaald, omdat zij de nacalculatie betwisten en menen dat zij nog maar 75% hoefden te betalen wegens compensatie schade aan trouwjurk. Juistheid nacalculatie onvoldoende betwist en onvoldoende onderbouwd dat nog maar 75% moet worden betaald. Vordering toegewezen.

RECHTBANK DEN HAAG

I.S. (b)

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Gouda

Zaaknummer: 11943987 CV EXPL 25-3679

Vonnis van 17 september 2026

in de zaak van

WET ‘N WILD B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

eiseres,

gemachtigde: CVL Gerechtsdeurwaarders,

tegen
<nr>1</nr> [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden.

Eiseres wordt hierna ‘Wet ’n Wild’ genoemd. Gedaagden worden hierna gezamenlijk ‘ [gedaagden] c.s.’ dan wel afzonderlijk ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.
<nr>1</nr>Waar gaat deze zaak over? 1.1.
[gedaagden] c.s. hebben bij Wet ’n Wild hun huwelijksfeest gevierd. Wet ’n Wild heeft na het huwelijksfeest een eindafrekening gestuurd waarop onder meer een nacalculatie van drankjes staat. [gedaagden] c.s. betwisten de juistheid van de nacalculatie en voeren verder als verweer aan dat met Wet ‘n Wild nader is afgesproken dat zij enkel 75% van de eindafrekening hoeven te betalen ter compensatie van schade aan de bruidsjurk. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden] c.s. de juistheid van de nacalculatie onvoldoende gemotiveerd hebben weerlegd en dat [gedaagden] c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat zij slechts 75% van de eindafrekening hoeven te betalen. [gedaagden] c.s. moeten dus de hele eindafrekening betalen.
<nr>2</nr>De procedure 2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 oktober 2025, met producties 1 t/m 10;

- de conclusie van antwoord van 8 januari 2026;

- een nadere reactie van [gedaagden] c.s. van 5 februari 2026;

- een bericht van Wet ’n Wild van 21 juli 2026 met producties 11 en 12.
2.2.
De kantonrechter heeft bij brief van 19 februari 2026 een mondelinge behandeling bepaald op 2 april 2026. Op 2 maart 2026 is aan partijen meegedeeld dat de mondelinge behandeling op 2 april 2026 geen doorgang kan vinden. Hierbij werd ook aan partijen gevraagd om voor de maanden april, mei en juni 2026 verhinderdata door te geven, waarbij partijen minimaal 10 dagdelen per maand beschikbaarheid moesten doorgeven. Op 23 maart 2026 is partijen meegedeeld dat de mondelinge behandeling plaats zou vinden op 27 mei 2026.
2.3.
Op 26 mei 2026 vroegen [gedaagden] c.s. om uitstel van de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, in verband met het Offerfeest dat volgens [gedaagden] c.s. pas één avond van tevoren bekend wordt gemaakt. Op 26 mei 2026 is partijen meegedeeld dat de mondelinge behandeling van 27 mei 2026 conform het verzoek van [gedaagden] c.s. werd verplaatst. Ook is op die dag aan partijen gevraagd hun verhinderdata voor de maanden juni t/m september uiterlijk op 4 juni 2026 door te geven.
2.4.
Op 5 juni 2026 hebben [gedaagden] c.s. doorgegeven dat zij de gehele maanden juni en juli niet beschikbaar zijn in verband met een omvangrijke nieuwe opdracht voor schilderwerkzaamheden aan een VvE-complex die voor de bouwvakantie afgerond moest worden. Ook hebben zij aangegeven dat zij aansluitend de gehele maand augustus niet beschikbaar zijn in verband met vakantie in het buitenland. De (enkele) beschikbaarheid van [gedaagden] c.s. bleek op 4 t/m 9 en 24 t/m 30 september.
2.5.
Bij brief van 17 juni 2026 heeft de kantonrechter partijen geïnformeerd dat de mondelinge behandeling plaats zou vinden op 29 juli 2026, om 13:00 uur. In deze brief staat ook dat de kantonrechter de opgegeven verhinderdata van [gedaagden] c.s. heeft beoordeeld en heeft geconstateerd dat deze niet aan de vereisten voldoen en dat de zitting, ondanks de opgegeven verhindering op 29 juli 2026, op die datum zal plaatsvinden.
2.6.
Op 27 juli 2026 vroegen [gedaagden] c.s. wederom om uitstel van de mondelinge behandeling op 29 juli 2026. Daarbij gaven zij aan dat zij tot hun verrassing pas op die dag hadden vernomen dat de zitting op 29 juli 2026 plaats zou vinden, dat zij in het buitenland verbleven voor een eerder geplande vakantie en daarom niet in de gelegenheid waren om bij de zitting aanwezig te zijn. Zij verzochten om uitstel van de zitting tot ten minste de derde week van september en gaven aan dat zij gebruik wilden maken van hun recht om zich tijdens de zitting te verdedigen tegen de vordering en dat zij hun standpunt mondeling wilden toelichten.
2.7.
Onder verwijzing naar de brief van 17 juni 2026 heeft de kantonrechter op 28 juli 2026 het verzoek om uitstel afgewezen. Wel heeft de kantonrechter op 28 juli 2026 bepaald dat de mondelinge behandeling in hybride vorm plaats zou vinden, zodat [gedaagden] c.s. alsnog hun standpunten (digitaal) mondeling konden toelichten. Hierop hebben [gedaagden] c.s. op 28 juli 2026 de kantonrechter laten weten ook niet de mondelinge behandeling digitaal te kunnen bijwonen, omdat zij op het tijdstip van de mondelinge behandeling niet in hun hotel konden zijn in verband met een ballonvaart bij zonsopgang in de woestijn. Zij verzochten (nogmaals) om uitstel van de mondelinge behandeling zodat zij fysiek aanwezig konden zijn. De kantonrechter heeft onder verwijzing naar het eerdere bericht op 28 juli 2026 dit verzoek (nogmaals) afgewezen.
2.8.
De mondelinge behandeling vond op 29 juli 2026 plaats. Namens Wet ’n Wild zijn de eigenaar en zijn echtgenote verschenen, vertegenwoordigd door dhr. [naam] van CVL Gerechtsdeurwaarders. [gedaagden] c.s. zijn niet (digitaal) verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
2.9.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>3</nr>De feiten 3.1.
[gedaagden] c.s. hebben hun huwelijksfeest op [datum] 2024 bij Wet ’n Wild gevierd.
3.2.
Voorafgaand aan het huwelijksfeest zijn [gedaagden] c.s. akkoord gegaan met een tweede offerte van Wet ’n Wild ter hoogte van € 6.112,90, incl. btw. In deze offerte staat onder andere voor alle gasten een drankarrangement Hollandse bar en een hapjesarrangement met vier rondes aan hapjes.
3.3.
[gedaagden] c.s. hebben voor het huwelijksfeest € 1.553,26 aanbetaald.
3.4.
Wet ’n Wild heeft op 21 december 2024 een eindafrekening gestuurd ter hoogte van € 4.698,49. Hierin is een vermindering van het aantal geserveerde hapjes verwerkt (van vier naar drie rondes) en is een nacalculatie van drankjes ter hoogte van € 317,35 in verband met koffie, thee en fris en daarnaast 40 Bacardi verwerkt.
3.5.
[gedaagden] c.s. hebben, ondanks herhaalde aanmaningen, de eindafrekening niet betaald.
<nr>4</nr>Het geschil 4.1.
Wet ’n Wild vordert – samengevat – dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] c.s. worden veroordeeld tot betaling van € 5.532,74, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.698,49 vanaf 24 oktober 2025 en vermeerderd met de proceskosten.
4.2.
Wet ‘n Wild legt – zakelijk weergegeven – aan de vordering ten grondslag dat partijen een overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot het huwelijksfeest van [gedaagden] c.s. bij Wet ‘n Wild, op grond waarvan [gedaagden] c.s. de eindafrekening voor hun huwelijksfeest moeten betalen.
4.3.
[gedaagden] c.s. voeren verweer. Volgens [gedaagden] c.s. is de nacalculatie op de eindafrekening onjuist. Ook is er volgens hen met Wet ’n Wild nader overeengekomen dat zij nog maar 75% van de rekening hoeven te betalen, ter compensatie voor schade aan de bruidsjurk van [gedaagde 2] .
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
<nr>5</nr>De beoordeling
De aanvullende stukken van [gedaagden] c.s. op 28 en 29 juli 2026
5.1.
[gedaagden] c.s. hebben op 28 en 29 juli 2026 nog aanvullende stukken voor de mondelinge behandeling van 29 juli 2026 toegezonden. Wet ’n Wild heeft bezwaar gemaakt tegen deze stukken, omdat deze stukken te laat zijn ingediend. Wet ’n Wild verzoekt dan ook om deze stukken buiten beschouwing te laten. De kantonrechter is van oordeel dat de op 28 en 29 juli 2026 toegezonden stukken buiten beschouwing gelaten moeten worden en overweegt daartoe als volgt.
5.2.
In de uitnodigingsbrief van 17 juni 2026 en in artikel 5.7 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton staat dat de stukken voor de mondelinge behandeling uiterlijk 10 dagen voor de zitting moeten worden ingediend. [gedaagden] c.s. hebben zich niet gehouden aan deze termijn. [gedaagden] c.s. hebben namelijk pas op 28 en 29 juli 2026 de nadere stukken ingediend. Dat is te laat en [gedaagden] c.s. hebben daarbij ook geen verklaring gegeven waarom de stukken niet eerder ingediend konden worden. De kantonrechter laat daarom deze stukken buiten beschouwing.

De inhoudelijke beoordeling van de eindafrekening

De nacalculatie
5.3.
Een onderdeel van de eindafrekening is een nacalculatie van drankjes, ter hoogte van € 317,35. Hiervan ziet € 117,35 op koffie, thee en fris en € 200,00 op 40 Bacardi. Volgens [gedaagden] c.s. klopt deze nacalculatie niet, omdat (i) de koffie, thee en fris onder het afgekochte drankarrangement vallen en (ii) [gedaagden] c.s. zich niet kunnen voorstellen dat er zoveel Bacardi is gedronken, gelet op het gegeven dat het merendeel van hun gasten geen alcohol drinkt.
5.4.
De kantonrechter oordeelt dat is komen vast te staan dat nacalculatie wat betreft de koffie, thee en de fris klopt. Op de zitting heeft Wet ’n Wild toegelicht dat er weliswaar een drankarrangement is overeengekomen waar koffie, thee en fris onder vallen, maar dat daarbij ook is afgesproken dat er een begin- en eindtijd is gekoppeld aan het afgekochte drankarrangement. De koffie, thee en fris die op de nacalculatie staan zijn volgens Wet ’n Wild buiten de begin- en eindtijd gedronken, waardoor deze niet onder het arrangement vallen. Om die reden staan deze drankjes op de nacalculatie. [gedaagden] c.s. hebben dit niet weersproken, waardoor de juistheid van de nacalculatie wat betreft de koffie, thee en fris komt vast te staan.
5.5.
De kantonrechter oordeelt dat ook is komen vast te staan dat de nacalculatie wat betreft de Bacardi juist is. [gedaagden] c.s. betwisten namelijk niet dat er Bacardi is gedronken, maar zijn verbaasd over het aantal Bacardi dat er is gedronken. Ter zitting heeft Wet ’n Wild toegelicht dat haar personeel op de hele avond heeft bijgehouden hoeveel drankjes er zijn gedronken en ook hoeveel Bacardi er is gedronken. Dit is door [gedaagden] c.s. niet weersproken. Er is volgens de kantonrechter bovendien geen reden om te twijfelen aan het aantal Bacardi dat door (het personeel van) Wet ’n Wild is aangeslagen. [gedaagden] c.s. hebben ook geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou moeten blijken dat (het personeel van) Wet ’n Wild bij het aanslaan van de Bacardi fouten heeft gemaakt. De juistheid van de nacalculatie wat betreft het aantal Bacardi is dan ook onvoldoende betwist door [gedaagden] c.s.
5.6.
Kortom, [gedaagden] c.s. hebben onvoldoende weerlegd dat de nacalculatie van € 317,35 niet klopt, waardoor deze is komen vast te staan.

De gestelde afspraak over de compensatie
5.7.
[gedaagden] c.s. hebben als verweer aangevoerd dat tijdens het huwelijksfeest door toedoen van een personeelslid van Wet ’n Wild drank over de bruidsjurk van [gedaagde 2] is gevallen, waardoor er schade aan de bruidsjurk is ontstaan. Ter compensatie hiervan zouden [gedaagden] c.s. met Wet ’n Wild hebben afgesproken dat [gedaagden] c.s. nog slechts 75% van de eindafrekening hoefden te betalen. Wet ’n Wild betwist dat er is afgesproken dat [gedaagden] c.s. nog slechts 75% van de eindafrekening hoefden te betalen.
5.8.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden] c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat zij nog slechts 75% van de eindafrekening hoefden te betalen. Uit whatsappcorrespondentie blijkt dat Wet ’n Wild heeft aangegeven dat er in ieder geval 75% van de eindafrekening moet worden betaald en dat er daarna een gesprek kan worden gevoerd over het resterende bedrag. Hieruit volgt niet dat [gedaagden] c.s. de laatste 25% helemaal niet meer hoeven te betalen. [gedaagden] c.s. hebben verder geen stukken ingediend waaruit dit wel blijkt.
5.9.
Kortom, het verweer van [gedaagden] c.s. slaagt niet.
5.10.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden] c.s. de hele eindafrekening ter hoogte van € 4.698,49 aan Wet ’n Wild moeten betalen.

Buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente
5.11.
Wet ’n Wild vordert ook de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 594,85 en wettelijke rente tot 24 oktober 2025 ter hoogte van € 239,40.
5.12.
De kantonrechter oordeelt dat beide bedragen voldoen aan de wettelijke eisen, zodat [gedaagden] c.s. beide bedragen aan Wet ’n Wild moeten betalen.
5.13.
Dit betekent dat [gedaagden] c.s. in totaal een bedrag van € 5.532,74 moeten betalen aan Wet ’n Wild (de eindafrekening € 4.698,49 plus incassokosten van € 594,85 plus rente van € 239,40).

Proceskosten
5.14.
[gedaagden] c.s. krijgen ongelijk en moeten daarom de proceskosten, inclusief nakosten, aan Wet ’n Wild betalen. De proceskosten van Wet ’n Wild worden begroot op:

Kosten van de dagvaarding

€ 120,78

Griffierecht

€ 543,00

Salaris gemachtigde

€ 720,00

2 punten x € 360,00

Nakosten

€ 144,00

Totaal

€ 1.527,78
<nr>6</nr>De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagden] c.s. om aan Wet ’n Wild een bedrag van € 5.532,74 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 4.698,49, met ingang van 24 oktober 2025, tot aan de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagden] c.s. in de proceskosten van € 1.527,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.E. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.

Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in het vonnis uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.

Artikel delen