Vrijspraak voor medeplegen van een poging tot doodslag, poging tot diefstal en het voorhanden hebben van een vuurwapen.
Rechtbank Den Haag 24 September 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:26841
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-09-2026
Datum publicatie
24-09-2026
Zaaknummer
09.219248.25 en 96.195612.23 (tul)
Rechtsgebied
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:26841text/xmlpublic2026-09-24T10:24:412026-09-15Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-09-0309.219248.25 en 96.195612.23 (tul)UitspraakEerste aanleg - meervoudigOp tegenspraakNLDen HaagStrafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26841text/htmlpublic2026-09-24T10:24:172026-09-24Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:26841 Rechtbank Den Haag , 03-09-2026 / 09.219248.25 en 96.195612.23 (tul) Vrijspraak voor medeplegen van een poging tot doodslag, poging tot diefstal en het voorhanden hebben van een vuurwapen.
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/219248-25 en 96/195612-23 (tul) Datum uitspraak: 3 september 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 17 oktober 2025, 9 januari 2026 (beide pro forma) en 20 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.T.H.M. Mühren naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 20 augustus 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort samengevat wordt de verdachte verweten dat hij zich op 17 juli 2025, al dan niet samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , schuldig heeft gemaakt aan: een poging tot (gekwalificeerde) doodslag op [slachtoffer] en/of meerdere omstanders, door met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] te schieten in ’s-Gravenhage en/of Rijswijk; het voorhanden hebben van een pistool met bijbehorende munitie in ’s-Gravenhage en/of Rijswijk; een poging tot diefstal in/uit een pand aan de [adres 2] . 3De bewijsbeslissing3.1. Inleiding Op 17 juli 2025 omstreeks 1:25 uur ’s nachts bekeek aangever [slachtoffer] live camerabeelden op zijn telefoon van de gezamenlijke hal van het pand waar zijn bedrijf was gevestigd aan de [adres 2] . Op die beelden zag hij dat er een wit busje in de gezamenlijke hal stond en dat er drie mannen met bivakmutsen op rondliepen. De aangever is toen direct naar het bedrijfspand toegereden. Eenmaal bij de toegangsdeur van de gezamenlijke hal aangekomen, leek het alsof de mannen de aangever hoorden. De aangever zag dat het rolluik open ging en dat het busje de gezamenlijke hal uitreed. De aangever is vervolgens in zijn auto gestapt en is de bestelbus achterna gereden. Hierna heeft een achtervolging plaatsgevonden vanuit Den Haag naar Rijswijk, waarbij meerdere schoten vanuit het witte busje zijn gelost. Uiteindelijk is het busje in Rijswijk gestopt, alwaar vier mannen uit de bestelbus zijn gevlucht. Op de Jan Tooroplaan in Rijswijk is nogmaals een schot gelost. De verdachte is kort na de achtervolging in de directe omgeving van de Jan Tooroplaan in Rijswijk aangehouden. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens de achtervolging de bestuurder van het busje was. De bewijsbeslissing in deze zaak draait in de kern om de volgende vragen.
a. wie heeft welk(e) schot(en) gelost, en kwalifice(e)r(en)(t) dat/die schot(en) als een poging tot doodslag op de aangever en/of omstanders? Was daarbij sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n)? (feit 1)
b. heeft de verdachte het vuurwapen en de bijbehorende munitie voorhanden gehad? (feit 2)
c. is sprake geweest van een poging tot diefstal door de verdachte en/of zijn medeverdachten in/uit het bedrijfspand aan de [adres 2] ? (feit 3) 3.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten en heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing. 3.3. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak voor alle feiten bepleit. Verdere standpunten van de verdediging komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing. 3.4. Integrale vrijspraak Ten aanzien van feiten 1 en 2
Op grond van het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 17 juli 2025 reed aangever [slachtoffer] in zijn auto (Audi) achter een witte bestelbus (Renault Trafic) aan langs meerdere plekken in Den Haag en Rijswijk. In de witte bestelbus zaten de verdachte als bestuurder, [medeverdachte 2] als bijrijder en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de laadruimte. Zowel de aangever als de verdachte hebben verklaard dat het eerste schot vanuit de bestelbus in de lucht is gelost. De aangever en getuige [getuige] hebben verklaard dat de bestelbus vervolgens op het Heeswijkplein in Den Haag is gestopt, dat de schuifdeur aan de rechterzijde van de witte bestelbus is geopend, dat er iemand is uitgestapt en dat diegene eenmaal vanaf korte afstand gericht heeft geschoten op aangever, alvorens hij weer instapte en de bestelbus verder reed. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat degene met wie hij in de laadruimte zat op het Heeswijkplein de schuifdeur opende, naar buiten stapte, richting de achterzijde van de bus liep en dat hij toen een schot hoorde. Op camerabeelden van het Heeswijkplein is te zien hoe de witte bestelbus, met daarachter de auto van de aangever, ongeveer zes seconden stilstaat en daarna doorrijdt. Op basis van deze verklaringen heeft de politie gezocht naar de afgeschoten huls en is deze aangetroffen op het Heeswijkplein. Uit camerabeelden blijkt dat de witte bestelbus uiteindelijk op de Lindelaan in Rijswijk is achtergelaten waarbij de daders zijn gevlucht. Op de Jan Tooroplaan in Rijswijk is nog een schot gelost, welke op camerabeelden is te zien en horen. Ook op deze locatie is een afgeschoten huls aangetroffen door de politie. Het vuurwapen is kort daarna in de directe omgeving in een plantenbak aangetroffen. De rechtbank stelt vast dat het eerste schot in de lucht is gelost, zodat daarmee geen sprake is geweest van een poging tot doodslag op de aangever. Datzelfde geldt voor het laatste schot waarvan [medeverdachte 2] heeft bekend dat hij het in Rijswijk heeft gelost op de auto van de aangever. De rechtbank is van oordeel dat door het lossen van dit schot, dat laag was gericht en de auto ook laag heeft geraakt, geen aanmerkelijke kans op de dood van de aangever is ontstaan. De rechtbank stelt bij vonnis van heden in de zaak van [medeverdachte 3] vast dat het [medeverdachte 3] is geweest die op het Heeswijkplein in Den Haag eenmaal gericht in de richting van de aangever heeft geschoten en dat dit schot een poging tot doodslag op de aangever oplevert. De eerste vraag die voorligt is of kan worden bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van deze poging tot doodslag. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, omdat het stoppen op het Heeswijkplein, het schieten en weer instappen door de verdachte en het wegrijden in enkele seconden is gedaan. Dit vereist volgens de officier van justitie afstemming tussen de verdachte als bestuurder en de schutter, [medeverdachte 3] . Ook wijst de officier van justitie op de verklaring bij de rechter-commissaris van [medeverdachte 1] dat alle verdachten vooraf zouden hebben overlegd over het uit te voeren plan, waarbij expliciet zou zijn gesproken over wapens. Hoewel het korte tijdsbestek van het handelingsverloop op het Heeswijkplein duidt op een ogenschijnlijke afstemming tussen de verdachte en [medeverdachte 3] , kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen wat de verdachte wist van de intenties van [medeverdachte 3] (die in de laadruimte zat) op het moment dat hij het voertuig tot stilstand bracht op het Heeswijkplein. De verdachte heeft verklaard dat hij wilde uitstappen om weg te rennen, maar dat hij besloot dit niet te doen en verder te rijden toen hij een knal hoorde. Ook heeft hij verklaard dat hij zich niet bewust was van het feit dat er een vuurwapen aanwezig was en dat dit ook niet vooraf is besproken. Op basis van het dossier kan de rechtbank evenmin vaststellen dat tijdens het overleg voorafgaand aan de inbraak is gesproken over het meenemen van wapens. [medeverdachte 1] heeft daar niet eenduidig over verklaard. In zijn verklaring kan immers ook worden gelezen dat expliciet werd afgesproken om geen wapens mee te nemen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het spreken over ‘wapens’ niet automatisch meebrengt dat het gaat om een vuurwapen, te meer omdat het doel was om een bedrijfsinbraak in de nacht te plegen waar niet op voorhand de aanwezigheid van personen te verwachten was.
De aangever heeft verklaard dat de bestuurder van de witte bestelbus op de Burgemeester Elsenlaan in Rijswijk op hem heeft geschoten. Deze verklaring wordt echter niet ondersteund door andere objectieve bewijsmiddelen in het dossier en wordt door de verdachte stellig ontkend. Ook heeft [medeverdachte 1] verklaard dat de bestuurder, zijnde de verdachte, pas is uitgestapt nadat het busje stil kwam te staan aan de Lindelaan in Rijswijk en dat de bestuurder niet heeft geschoten, althans dat hij niet heeft gezien dat de bestuurder heeft geschoten op de Burgemeester Elsenlaan. Uit het dossier volgt voorts dat tussen de laadruimte en de cabine van het voertuig een scheiding zat. Hierdoor was het niet mogelijk om het vuurwapen tijdens het rijden vanuit de laadruimte in de cabine te brengen. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan de rechtbank niet vaststellend dat de verdachte met het vuurwapen heeft geschoten of dat hij het vuurwapen op enig voorhanden heeft gehad. Evenmin kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 3] bij het door [medeverdachte 3] geloste schot op het Heeswijkplein.
Dit betekent dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en dat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 3
De laatste vraag die voorligt is of kan worden bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot diefstal. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Blijkens de bewoordingen van de tenlastelegging en de uitleg die de officier van justitie over de bedoeling daarvan heeft gegeven, ziet feit 3 op een poging tot diefstal van goederen, niet zijnde de goederen die zijn aangetroffen in de witte bestelbus waarin de verdachten zich bevonden. De verdachte en zijn medeverdachten hebben allen verklaard dat zij naar het bedrijfspand gingen om nepmerkkleding weg te nemen. Op de camerabeelden van het bedrijfspand is te zien dat de verdachten op een rustig tempo dozen en zakken in de witte bestelbus hebben geladen en in die bus zijn later door de politie ook 61 schoenendozen en verpakte kledingstukken gevonden. Het voorgaande levert mogelijk een voltooide diefstal van die goederen op, maar dat is door het Openbaar Ministerie niet aan de verdachten ten laste gelegd en blijkens de uitleg ter zitting door de officier van justitie evenmin beoogd aan hen ten laste te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanwijzingen dat de verdachten hebben gepoogd om zich andere goederen dan de daadwerkelijk weggenomen goederen toe te eigenen. De omstandigheden dat zij allen gezichtsbedekkende kleding droegen en dat een van de medeverdachten een vuurwapen bij zich had, kan die gevolgtrekking in ieder geval niet dragen. Ook kan op basis van de camerabeelden niet worden vastgesteld dat de verdachten een koevoet bij zich hadden of dat zij zoekend in het pand hebben rondgekeken. Dit betekent dat het onder 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat de verdachte ook daarvan zal worden vrijgesproken. 4De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 41.437,95, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 34.437,95 aan materiële schade, € 5.000,00 aan immateriële schade en
€ 2.000,00 aan toekomstige, nader te onderbouwen schade (bestaande uit zowel materiële als immateriële schade).
[bedrijfsnaam] V.O.F. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 9.089,67, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde schadevergoeding en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het eventueel toe te wijzen bedrag. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vorderingen betrekking hebben, zal worden vrijgesproken. Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. 5De vordering tot tenuitvoerlegging5.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij vordering van 16 september 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 96-195612-23 door de kantonrechter van de rechtbank Den Haag op 2 september 2024 voorwaardelijke opgelegde straf van één (1) week hechtenis, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarde dat de verdachte geen nieuwe strafbare feiten zal plegen. 5.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de hechtenis om te zetten in een taakstraf. 5.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. 6De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 en 3 heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de vordering van de benadeelde partijen;
bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer] en [bedrijfsnaam] V.O.F. niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil; de vordering tot tenuitvoerlegging
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 2 september 2024 van de kantonrechter van deze rechtbank, gewezen onder parketnummer 96-195612-23, aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke straf. Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. W.E. Povel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A. Dorrani, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2026.
Bijlage I: tenlastelegging 1. Hij op of omstreeks 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage en/of Rijswijk, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om [slachtoffer] en/of een of meerdere omstanders
opzettelijk van het leven te beroven,
met een (vuur)wapen, meermalen, althans eenmaal, heeft geschoten in de richting van (het lichaam van) die [slachtoffer] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren; 2. hij op of omstreeks 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage en/of Rijswijk, althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een
wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een
(doorgeladen) pistool, van het merk Beretta, Model 71, kaliber .22 LR, zijnde een
vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of (bijbehorende) munitie van categorie III van de Wet wapen en munitie, te
meerdere, in elk geval één patro(o)n(en), kaliber .22 LR, voorhanden heeft gehad; 3. hij op of omstreeks 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een
of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn
mededaders voorgenomen misdrijf om (in/uit een pand aan de [adres 2] ) een of meer goederen van zijn/hun gading, althans enig goed, dat/die geheel aan een onbekend gebleven derde, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen:
- naar het het bedrijventerrein en/of pand is/zijn toegegaan en/of