Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:26843

Vrijspraak voor medeplegen van een poging tot doodslag, poging tot diefstal en het voorhanden hebben van een vuurwapen.

Rechtbank Den Haag 24 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:26843 text/xml public 2026-09-24T10:38:11 2026-09-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-09-03 09.219250.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26843 text/html public 2026-09-24T10:37:58 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:26843 Rechtbank Den Haag , 03-09-2026 / 09.219250.25
Vrijspraak voor medeplegen van een poging tot doodslag, poging tot diefstal en het voorhanden hebben van een vuurwapen.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/219250-25

Datum uitspraak: 3 september 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 17 oktober 2025, 9 januari 2026 (beide regie) en 20 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.P. Friperson naar voren is gebracht.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 20 augustus 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Kort samengevat wordt de verdachte verweten dat hij zich op 17 juli 2025, al dan niet samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , schuldig heeft gemaakt aan:

een poging tot (gekwalificeerde) doodslag op [slachtoffer] en/of meerdere omstanders, door met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] te schieten in ’s-Gravenhage en/of Rijswijk;

het voorhanden hebben van een pistool met bijbehorende munitie in ’s-Gravenhage en/of Rijswijk;

een poging tot diefstal in/uit een pand aan de [adres 2] .
<nr>3</nr>De bewijsbeslissing 3.1.
Inleiding

Op 17 juli 2025 omstreeks 1:25 uur ’s nachts bekeek aangever [slachtoffer] live camerabeelden op zijn telefoon van de gezamenlijke hal van het pand waar zijn bedrijf was gevestigd aan de [adres 2] . Op die beelden zag hij dat er een wit busje in de gezamenlijke hal stond en dat er drie mannen met bivakmutsen op rondliepen. De aangever is toen direct naar het bedrijfspand toegereden. Eenmaal bij de toegangsdeur van de gezamenlijke hal aangekomen, leek het alsof de mannen de aangever hoorden. De aangever zag dat het rolluik open ging en dat het busje de gezamenlijke hal uitreed. De aangever is vervolgens in zijn auto gestapt en is de bestelbus achterna gereden. Hierna heeft een achtervolging plaatsgevonden vanuit Den Haag naar Rijswijk, waarbij meerdere schoten vanuit het witte busje zijn gelost. Uiteindelijk is het busje in Rijswijk gestopt, alwaar vier mannen uit de bestelbus zijn gevlucht. Op de Jan Tooroplaan in Rijswijk is nogmaals een schot gelost.

De verdachte is kort na de achtervolging in de directe omgeving van de Jan Tooroplaan in Rijswijk aangehouden. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens de achtervolging achterin de laadruimte van het busje heeft gezeten.

De bewijsbeslissing in deze zaak draait in de kern om de volgende vragen.

a. wie heeft welk(e) schot(en) gelost, en kwalifice(e)r(en)(t) dat/die schot(en) als een poging tot doodslag op de aangever en/of omstanders? Was daarbij sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n)? (feit 1)

b. heeft de verdachte het vuurwapen en de bijbehorende munitie voorhanden gehad? (feit 2)

c. is sprake geweest van een poging tot diefstal door de verdachte en/of zijn medeverdachten in/uit het bedrijfspand aan de [adres 2] ? (feit 3)
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten en heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.3.
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak voor alle feiten bepleit. Verdere standpunten van de verdediging komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.4.
Integrale vrijspraak

Ten aanzien van feit 1

Op grond van het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 17 juli 2025 reed aangever [slachtoffer] in zijn auto (Audi) achter een witte bestelbus (Renault Trafic) aan langs meerdere plekken in Den Haag en Rijswijk. In de witte bestelbus zaten de [medeverdachte 1] als bestuurder, [medeverdachte 2] als bijrijder en de verdachte en [medeverdachte 3] in de laadruimte. Zowel de aangever als de verdachte hebben verklaard dat het eerste schot vanuit de bestelbus in de lucht is gelost. De aangever en getuige Koç hebben verklaard dat de bestelbus vervolgens op het Heeswijkplein in Den Haag is gestopt, dat de schuifdeur aan de rechterzijde van de witte bestelbus is geopend, dat er iemand is uitgestapt en dat diegene eenmaal vanaf korte afstand gericht heeft geschoten op aangever, alvorens hij weer instapte en de bestelbus verder reed. De verdachte heeft verklaard dat degene met wie hij in de laadruimte zat op het Heeswijkplein de schuifdeur opende, naar buiten stapte, richting de achterzijde van de bus liep en dat hij toen een schot hoorde. Op camerabeelden van het Heeswijkplein is te zien hoe de witte bestelbus, met daarachter de auto van de aangever, ongeveer zes seconden stilstaat en daarna doorrijdt. Op basis van deze verklaringen heeft de politie gezocht naar de afgeschoten huls en is deze aangetroffen op het Heeswijkplein. Uit camerabeelden blijkt dat de witte bestelbus uiteindelijk op de Lindelaan in Rijswijk is achtergelaten waarbij de daders zijn gevlucht. Op de Jan Tooroplaan in Rijswijk is nog een schot gelost, welke op camerabeelden is te zien en horen. Ook op deze locatie is een afgeschoten huls aangetroffen door de politie. Het vuurwapen is kort daarna in de directe omgeving in een plantenbak aangetroffen.

De rechtbank stelt vast dat het eerste schot in de lucht is gelost, zodat daarmee geen sprake is geweest van een poging tot doodslag op de aangever. Datzelfde geldt voor het laatste schot waarvan [medeverdachte 2] heeft bekend dat hij het in Rijswijk heeft gelost op de auto van de aangever. De rechtbank is van oordeel dat door het lossen van dit schot, dat laag was gericht en de auto ook laag heeft geraakt, geen aanmerkelijke kans op de dood van de aangever is ontstaan.

De rechtbank stelt bij vonnis van heden in de zaak van [medeverdachte 3] vast dat het [medeverdachte 3] is geweest die op het Heeswijkplein in Den Haag eenmaal gericht in de richting van de aangever heeft geschoten en dat dit schot een poging tot doodslag op de aangever oplevert. De vraag die voorligt is of kan worden bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van deze poging tot doodslag.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, gelet op de verklaring bij de rechter-commissaris van de verdachte dat hij en zijn medeverdachten vooraf zouden hebben overlegd over het uit te voeren plan, waarbij expliciet zou zijn gesproken over wapens.

De verdachte heeft verklaard dat hij zich tot kort voor het lossen van het eerste schot niet bewust was van het feit dat er een vuurwapen aanwezig was en dat dit ook niet voorafgaand aan de inbraak is besproken. Ter terechtzitting heeft de verdachte zijn verklaring bij de rechter-commissaris verduidelijkt in die zin dat hij heeft verklaard dat er tijdens het overleg is besproken dat er geen wapens mee moesten worden genomen. Gelet op die nadere duiding kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen dat tijdens het overleg wel zou zijn gesproken over het meenemen van wapens. De verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris zoals geverbaliseerd is daar niet eenduidig over en kan ook stroken met de nadere duiding door de verdachte ter terechtzitting. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het spreken over ‘wapens’ niet automatisch meebrengt dat het gaat om een vuurwapen, te meer omdat het doel was om een bedrijfsinbraak in de nacht te plegen waar niet op voorhand de aanwezigheid van personen te verwachten was.

Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 3] bij het door [medeverdachte 3] geloste schot op het Heeswijkplein.

Dit betekent dat het onder 1 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

De tweede vraag die voorligt is of kan worden bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Weliswaar erkent de verdachte dat hij het vuurwapen kortstondig heeft vastgehouden, maar hij verklaart hierover ook dat het vuurwapen aan hem is gegeven door een medeverdachte, dat hij daarvan schrok en dat hij het vuurwapen daarop direct heeft teruggegeven. Deze verklaring wordt verder niet weersproken door de inhoud van het dossier of het verhandelde ter terechtzitting. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in bijzondere gevallen de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over een wapen niet volstaat voor het oordeel dat een verdachte dat wapen voorhanden had in de zin van artikel 13 lid 1 Wet wapens en munitie. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen. Gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat van een bijzonder geval zoals voornoemd sprake is, zodat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het vuurwapen (mede) voorhanden heeft gehad.

Dit betekent dat het onder 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

De laatste vraag die voorligt is of kan worden bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot diefstal.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Blijkens de bewoordingen van de tenlastelegging en de uitleg die de officier van justitie over de bedoeling daarvan heeft gegeven, ziet feit 3 op een poging tot diefstal van goederen, niet zijnde de goederen die zijn aangetroffen in de witte bestelbus waarin de verdachten zich bevonden. De verdachte en zijn medeverdachten hebben allen verklaard dat zij naar het bedrijfspand gingen om nepmerkkleding weg te nemen. Op de camerabeelden van het bedrijfspand is te zien dat de verdachten op een rustig tempo dozen en zakken in de witte bestelbus hebben geladen en in die bus zijn later door de politie ook 61 schoenendozen en verpakte kledingstukken gevonden. Het voorgaande levert mogelijk een voltooide diefstal van die goederen op, maar dat is door het Openbaar Ministerie niet aan de verdachten ten laste gelegd en blijkens de uitleg ter zitting door de officier van justitie evenmin beoogd aan hen ten laste te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanwijzingen dat de verdachten hebben gepoogd om zich andere goederen dan de daadwerkelijk weggenomen goederen toe te eigenen. De omstandigheden dat zij allen gezichtsbedekkende kleding droegen en dat een van de medeverdachten een vuurwapen bij zich had, kan die gevolgtrekking in ieder geval niet dragen. Ook kan op basis van de camerabeelden niet worden vastgesteld dat de verdachten een koevoet bij zich hadden of dat zij zoekend in het pand hebben rondgekeken.

Dit betekent dat het onder 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat de verdachte ook daarvan zal worden vrijgesproken.

4. De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 41.437,95, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 34.437,95 aan materiële schade, € 5.000,00 aan immateriële schade en

€ 2.000,00 aan toekomstige, nader te onderbouwen schade (bestaande uit zowel materiële als immateriële schade).

[bedrijfsnaam] V.O.F. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 9.089,67, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade.
4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde schadevergoeding en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het eventueel toe te wijzen bedrag.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vorderingen betrekking hebben, zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
<nr>5</nr>De beslissing
De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 en 3 heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de vordering van de benadeelde partijen;

bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer] en [bedrijfsnaam] V.O.F. niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,

mr. W.E. Povel, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A. Dorrani, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2026.

Bijlage I: tenlastelegging

1.

Hij op of omstreeks 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage en/of Rijswijk, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om [slachtoffer] en/of een of meerdere omstanders

opzettelijk van het leven te beroven,

met een (vuur)wapen, meermalen, althans eenmaal, heeft geschoten in de richting van (het lichaam van) die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren;

2.

hij op of omstreeks 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage en/of Rijswijk, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een

wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een

(doorgeladen) pistool, van het merk Beretta, Model 71, kaliber .22 LR, zijnde een

vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of (bijbehorende) munitie van categorie III van de Wet wapen en munitie, te

meerdere, in elk geval één patro(o)n(en), kaliber .22 LR, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een

of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn

mededaders voorgenomen misdrijf om (in/uit een pand aan de [adres 2] ) een of meer goederen van zijn/hun gading, althans enig goed, dat/die geheel aan een onbekend gebleven derde, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen:

- naar het het bedrijventerrein en/of pand is/zijn toegegaan en/of

- gezichtsbedekkende kleding heeft/hebben gedragen en/of

- een koevoet en/of (vuur)wapen voorhanden heeft/hebben gehad en/of

- het pand heeft/hebben betreden en/of

- in dat pand zoekend heeft/hebben rondgekeken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Artikel delen