Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:26844

Vrijspraak voor medeplegen van een poging tot doodslag en poging tot diefstal. Veroordeling wegens medeplegen van voorhanden hebben van een vuurwapen. Oplegging gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uren met bijzondere voorwaarden. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Rechtbank Den Haag 24 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:26844 text/xml public 2026-09-24T11:15:11 2026-09-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-09-03 09.219249.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26844 text/html public 2026-09-24T11:15:00 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:26844 Rechtbank Den Haag , 03-09-2026 / 09.219249.25
Vrijspraak voor medeplegen van een poging tot doodslag en poging tot diefstal. Veroordeling wegens medeplegen van voorhanden hebben van een vuurwapen. Oplegging gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uren met bijzondere voorwaarden. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/219249-25

Datum uitspraak: 3 september 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 2 oktober 2025, 4 december 2025, 9 januari 2026 (alle pro forma) en 20 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.G.D. Rutten naar voren is gebracht.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 20 augustus 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Kort samengevat wordt de verdachte verweten dat hij zich op 17 juli 2025, al dan niet samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , schuldig heeft gemaakt aan:

een poging tot (gekwalificeerde) doodslag op [slachtoffer] en/of meerdere omstanders, door met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] te schieten in ’s-Gravenhage en/of Rijswijk;

het voorhanden hebben van een pistool met bijbehorende munitie in ’s-Gravenhage en/of Rijswijk;

een poging tot diefstal in/uit een pand aan de [adres 2] .
<nr>3</nr>De bewijsbeslissing 3.1.
Inleiding

Op 17 juli 2025 omstreeks 1:25 uur ’s nachts bekeek aangever [slachtoffer] live camerabeelden op zijn telefoon van de gezamenlijke hal van het pand waar zijn bedrijf was gevestigd aan de [adres 2] . Op die beelden zag hij dat er een wit busje in de gezamenlijke hal stond en dat er drie mannen met bivakmutsen op rondliepen. De aangever is toen direct naar het bedrijfspand toegereden. Eenmaal bij de toegangsdeur van de gezamenlijke hal aangekomen, leek het alsof de mannen de aangever hoorden. De aangever zag dat het rolluik open ging en dat het busje de gezamenlijke hal uitreed. De aangever is vervolgens in zijn auto gestapt en is de bestelbus achterna gereden. Hierna heeft een achtervolging plaatsgevonden vanuit Den Haag naar Rijswijk, waarbij meerdere schoten vanuit het witte busje zijn gelost. Uiteindelijk is het busje in Rijswijk gestopt, alwaar vier mannen uit de bestelbus zijn gevlucht. Op de Jan Tooroplaan in Rijswijk is nogmaals een schot gelost.

De verdachte is kort na de achtervolging in de directe omgeving van de Jan Tooroplaan in Rijswijk aangehouden. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens de achtervolging als bijrijder in het busje heeft gezeten.

De bewijsbeslissing in deze zaak draait in de kern om de volgende vragen.

a. wie heeft welk(e) schot(en) gelost, en kwalifice(e)r(en)(t) dat/die schot(en) als een poging tot doodslag op de aangever en/of omstanders? Was daarbij sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n)? (feit 1)

b. heeft de verdachte het vuurwapen en de bijbehorende munitie voorhanden gehad? (feit 2)

c. is sprake geweest van een poging tot diefstal door de verdachte en/of zijn medeverdachten in/uit het bedrijfspand aan de [adres 2] ? (feit 3)
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.3.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak voor de feiten 1 en 3 bepleit. Met betrekking tot feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, nu de verdachte dit feit bekent. Verdere standpunten van de verdediging komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.4.
Vrijspraak van feiten 1 en 3

Ten aanzien van feit 1

Op grond van het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 17 juli 2025 reed aangever [slachtoffer] in zijn auto (Audi) achter een witte bestelbus (Renault Trafic) aan langs meerdere plekken in Den Haag en Rijswijk. In de witte bestelbus zaten de verdachte als bijrijder, [medeverdachte 2] als bestuurder, en de [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de laadruimte. Zowel de aangever als [medeverdachte 1] hebben verklaard dat het eerste schot vanuit de bestelbus in de lucht is gelost. De aangever en getuige [getuige] hebben verklaard dat de bestelbus vervolgens op het Heeswijkplein in Den Haag is gestopt, dat de schuifdeur aan de rechterzijde van de witte bestelbus is geopend, dat er iemand is uitgestapt en dat diegene eenmaal vanaf korte afstand gericht heeft geschoten op aangever, alvorens hij weer instapte en de bestelbus verder reed. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat degene met wie hij in de laadruimte zat op het Heeswijkplein de schuifdeur opende, naar buiten stapte, richting de achterzijde van de bus liep en dat hij toen een schot hoorde. Op camerabeelden van het Heeswijkplein is te zien hoe de witte bestelbus, met daarachter de auto van de aangever, ongeveer zes seconden stilstaat en daarna doorrijdt. Op basis van deze verklaringen heeft de politie gezocht naar de afgeschoten huls en is deze aangetroffen op het Heeswijkplein. Uit camerabeelden blijkt dat de witte bestelbus uiteindelijk op de Lindelaan in Rijswijk is achtergelaten waarbij de daders zijn gevlucht. Op de Jan Tooroplaan in Rijswijk is nog een schot gelost, welke op camerabeelden is te zien en horen. Ook op deze locatie is een afgeschoten huls aangetroffen door de politie. Het vuurwapen is kort daarna in de directe omgeving in een plantenbak aangetroffen.

De rechtbank stelt bij vonnis van heden in de zaak van de [medeverdachte 3] vast dat het [medeverdachte 3] is geweest die het eerste schot in de lucht heeft gelost en die op het Heeswijkplein in Den Haag eenmaal gericht in de richting van de aangever heeft geschoten. De verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen op de Lindelaan in Rijswijk in handen heeft gekregen en dat hij tijdens het wegrennen gericht heeft geschoten op de band van de auto van aangever. Onderaan het linker achterportier van de auto van aangever is een inschot aangetroffen.

De rechtbank ziet zich ten aanzien van feit 1 voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd als een poging tot het medeplegen van (gekwalificeerde) doodslag. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot (gekwalificeerde) doodslag te komen, moet kunnen worden bewezen dat de dader(s) opzet op de dood van de aangever heeft/hebben gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin. Van voorwaardelijk opzet op de dood is sprake als een dader bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou kunnen komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra indicaties – niet anders kan zijn dan dat de dader de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Geen medeplegen van een poging doodslag op aangever op het Heeswijkplein in Den Haag

De rechtbank stelt vast dat het eerste schot door [medeverdachte 3] in de lucht is gelost, zodat daarmee geen sprake is geweest van een poging tot doodslag op de aangever. De rechtbank stelt bij vonnis van heden in de zaak van de [medeverdachte 3] vast dat het tweede schot op het Heeswijkplein in Den Haag een poging tot doodslag op de aangever oplevert. De vraag is echter of de verdachte als medepleger van die poging doodslag kan worden aangemerkt. De rechtbank stelt voorop dat medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer vast is komen te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen meerdere daders bij het plegen van een feit. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, gelet op de verklaring bij de rechter-commissaris van [medeverdachte 1] dat alle verdachten vooraf zouden hebben overlegd over het uit te voeren plan, waarbij expliciet zou zijn gesproken over wapens.

De verdachte heeft verklaard dat hij zich niet bewust was van het feit dat er een vuurwapen aanwezig was en dat dit ook niet vooraf is besproken. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat tijdens het overleg voorafgaand aan de inbraak is gesproken over het meenemen van wapens. [medeverdachte 1] heeft daar niet eenduidig over verklaard. In zijn verklaring kan immers ook worden gelezen dat expliciet werd afgesproken om geen wapens mee te nemen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het spreken over ‘wapens’ niet automatisch meebrengt dat het gaat om een vuurwapen, te meer omdat het doel was om een bedrijfsinbraak in de nacht te plegen waar niet op voorhand de aanwezigheid van personen te verwachten was.

Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 3] bij het door [medeverdachte 3] geloste schot op het Heeswijkplein.

Geen voorwaardelijk opzet op de dood van aangever op de Jan Tooroplaan in Rijswijk

De vraag die resteert is of het schot dat door de verdachte is gelost op de Jan Tooroplaan in Rijswijk de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever in het leven heeft geroepen.

De rechtbank stelt op grond van het dossier en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting vast dat de verdachte eenmaal met een vuurwapen heeft geschoten op de auto van de aangever. De verdachte verklaart hierover dat hij bewust schoot richting het wiel, om zo de achtervolging die was ingezet door de aangever te doen stoppen. Deze verklaring wordt ondersteund door de foto’s in het dossier waaruit blijkt dat het schot de auto van de aangever trof nabij het wiel op het linker achterportier. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte met dit schieten voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever, nu de verdachte als ongeoefend schutter, al rennend, vanaf een korte afstand en in een dynamische situatie op het voertuig van de verdachte heeft geschoten en daarmee bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever heeft aanvaard, al dan niet als gevolg van het afketsen van het patroon.

De rechtbank overweegt als volgt. Op camerabeelden van de Jan Tooroplaan is te zien dat de verdachte, terwijl hij in beweging is, een schot afvuurt richting de achterste helft van de voorbijrijdende auto van de aangever. De afstand tussen de verdachte en de auto bedraagt op het moment van afvuren niet meer dan enkele meters. De verdachte heeft verklaard dat hij bewust laag heeft gericht en uit het gevonden inschot blijkt dat dit schot het voertuig ook laag heeft geraakt. Op basis van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat door het afvuren van dit lage schot geen aanmerkelijke kans op de dood van de aangever is ontstaan, ook niet na het eventuele afketsen van het patroon. Het feit dat de verdachte een ongeoefende schutter was doet daar niet aan af, nu ook in een dynamische situatie voor het laag mikken geen oefening is vereist. De rechtbank concludeert dat met dit handelen geen sprake is geweest van de vereiste opzet op de dood van de aangever, ook niet in voorwaardelijke zin. De gedragingen van de verdachte zouden wellicht gekwalificeerd kunnen worden als een bedreiging, maar een bedreiging van de aangever is niet tenlastegelegd.

Daarom is de rechtbank, met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en spreekt zij de verdachte hiervan vrij.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 3 als volgt. Blijkens de bewoordingen van de tenlastelegging en de uitleg die de officier van justitie over de bedoeling daarvan heeft gegeven, ziet feit 3 op een poging tot diefstal van goederen, niet zijnde de goederen die zijn aangetroffen in de witte bestelbus waarin de verdachten zich bevonden. De verdachte en zijn medeverdachten hebben allen verklaard dat zij naar het bedrijfspand gingen om nepmerkkleding weg te nemen. Op de camerabeelden van het bedrijfspand is te zien dat de verdachten op een rustig tempo dozen en zakken in een witte bestelbus hebben geladen en in die bus zijn later door de politie ook 61 schoenendozen en verpakte kledingstukken gevonden. Het voorgaande levert mogelijk een voltooide diefstal van die goederen op, maar dat is door het Openbaar Ministerie niet aan de verdachten ten laste gelegd en blijkens de uitleg ter zitting door de officier van justitie evenmin beoogd aan hen ten laste te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanwijzingen dat de verdachten hebben gepoogd om zich andere goederen dan de daadwerkelijk weggenomen goederen toe te eigenen. De omstandigheden dat zij allen gezichtsbedekkende kleding droegen en dat een van de medeverdachten een vuurwapen bij zich had, kan die gevolgtrekking in ieder geval niet dragen. Ook kan op basis van de camerabeelden niet worden vastgesteld dat de verdachten een koevoet bij zich hadden of dat zij zoekend in het pand hebben rondgekeken.

Daarom is de rechtbank, met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en spreekt zij de verdachte hiervan vrij.
3.5.
Gebruikte bewijsmiddelen voor feit 2

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025239650, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 611).

1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 131):

Ik, verbalisant, verklaar het volgende:

Ik zocht in de omgeving naar een vuurwapen. Voor kapper Haarvisie, gelegen op het Hendrik Ravesteijnplein 1, zag ik een plantenbak staan voor het pand. Ik zag in de plantenbak een klein handvuurwapen liggen.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 135-137):

Ik, brigadier van politie, dagelijks belast met het onderzoek naar (vuur)wapens, verklaar het volgende:

Op 17 juli 2025 werd door mij een wapen veiliggesteld.

Aantreffen wapen

Het wapen werd aangetroffen in een plantenbak op het Hendrik Ravesteijnplein, thv perceel 1, te Rijswijk.

Omschrijving wapen

Soort wapen Pistool

Merk Beretta

Model Model 71

Kaliber .22 LR

Bijzonderheden Ik zag dat een (1) patroon uit de kamer van het wapen kwam. Het wapen was bij aantreffen doorgeladen en gereed om te vuren.

Categorie vuurwapen

Dit wapen is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie.

Omschrijving munitie

Kaliber 0.22 LR

Bijzonderheden De aangetroffen munitie kan wel met het in dit proces-verbaal genoemde vuurwapen worden verschoten.

Categorie munitie

De aangetroffen patronen is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 20 augustus 2026, voor zover inhoudende:

Ik zat als bijrijder in de bestelbus. U, de voorzitter, vraagt mij of ik in de Jan Tooroplaan op de auto van de verdachte heb geschoten terwijl deze voorbij reed en of ik het vuurwapen vervolgens in een plantenbak heb gelegd. Ja, dat heb ik gedaan.

4. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] , opgemaakt op 7 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 204):

Ik zag later dat we in Rijswijk waren. Toen stonden wij ineens stil. Ik zag dat de schuifdeur openging. Ik zag via de openstaande schuifdeur dat de bijrijder uitstapte. De persoon met wie ik in de laadruimte zat stapte ook uit. Toen zag ik dat het wapen door de persoon die met mij in de laadruimte zat, werd overgegeven aan de bijrijder.
3.6.
De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 17 juli 2025 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een

wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een

(doorgeladen) pistool, van het merk Beretta, Model 71, kaliber .22 LR, en bijbehorende munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

meerdere patronen, kaliber .22 LR, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
<nr>4</nr>De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
<nr>6</nr>De strafoplegging 6.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij bewezenverklaring de straf gelijk te stellen aan het voorarrest, eventueel aan te vullen met een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen met bijbehorende munitie in de openbare ruimte. Verboden wapenbezit brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de maatschappij en individuele personen met zich, temeer omdat vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten. De verdachte heeft het vuurwapen daarnaast gebruikt om in het holst van de nacht te schieten op de auto van het slachtoffer. Dit wekt hevige gevoelens van angst en onveiligheid op, niet alleen bij het slachtoffer, maar ook bij de buurtbewoners. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juli 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt het strafblad van de verdachte niet in het voordeel of in het nadeel van de verdachte mee bij de strafoplegging.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 26 november 2025. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de onderstaande bijzondere voorwaarden:

meldplicht bij de reclassering;

contactverbod met medeverdachten en aangever;

locatiegebod (met elektronische monitoring);

dagbesteding;

meewerken aan middelencontrole;

ambulante begeleiding door coach E25;

inzicht in financiën.

De op te leggen straffen

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in de openbare ruimte. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat het vuurwapen (door)geladen was met bijbehorende munitie en dat de verdachte het vuurwapen ook daadwerkelijk heeft gebruikt om op de auto van aangever te schieten.

Gelet op wat hiervoor is overwogen en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht aan de verdachte opleggen, bij niet uitvoeren te vervangen door 4 maanden gevangenisstraf.

De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft met ingang van 2 februari 2026 de voorlopige hechtenis geschorst tot aan het moment van de einduitspraak van deze rechtbank. Nu einduitspraak wordt gedaan en aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd dan hij al in voorarrest heeft doorgebracht, zal de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.
<nr>7</nr>De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 41.437,95, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 34.437,95 aan materiële schade, € 5.000,00 aan immateriële schade en

€ 2.000,00 aan toekomstige, nader te onderbouwen schade (bestaande uit zowel materiële als immateriële schade).

[bedrijfsnaam] V.O.F. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 9.089,67, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde schadevergoeding en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het eventueel toe te wijzen bedrag.
7.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn vordering, voor zover deze betrekking heeft op vergoeding van de schade die zou zijn geleden in de vorm van verlies van verdienvermogen (€ 31.903,00) en de gevorderde toekomstige schade.

De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [bedrijfsnaam] V.O.F. niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.
7.3
Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade benadeelde partij [slachtoffer]

Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde. De gevorderde materiële schadevergoeding betreft de schade aan de auto en het verlies aan verdienvermogen.

Met betrekking tot de schade aan de auto (€ 2.534,95) acht de rechtbank de vordering volledig toewijsbaar. De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op het verlies aan verdienvermogen, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Lid 1 aanhef en onder b van genoemd artikel bepaalt dat dit hiervan sprake kan zijn indien de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, lid 1 aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de benadeelde partij in een auto reed waarop door de verdachte met een vuurwapen is geschoten van een korte afstand. Het is een feit van algemene bekendheid dat beschoten worden met een vuurwapen psychische klachten als gevoelens van angst en onveiligheid aanwakkert. De rechtbank overweegt dat dergelijke klachten ook aannemelijk zijn wanneer wordt geschoten op een auto waar een slachtoffer zich in bevindt. Dat degene die heeft geschoten niet het opzet heeft gehad om het slachtoffer dodelijk te raken doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van deze normschendig derhalve mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW.

Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en met inachtneming van de Rotterdamse schaal, acht de rechtbank het gevorderde bedrag billijk en zal zij de gevorderde immateriële schade volledig toewijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft de toekomstige, nader te onderbouwen schade, niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De rechtbank wijst daarmee een totale schadevergoeding aan [slachtoffer] toe van € 7.534,95.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Wettelijke rente

Namens de benadeelde partij is de wettelijke rente gevorderd vanaf de pleegdatum. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 juli 2025, omdat de schade op dat moment is ontstaan.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het bewezenverklaarde feit ter zake waarvan mede schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.534,95, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .

Benadeelde partij [bedrijfsnaam] V.O.F.

De rechtbank zal de benadeelde partij [bedrijfsnaam] V.O.F. niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Proceskostenveroordeling [bedrijfsnaam] V.O.F.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
<nr>8</nr>De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
<nr>9</nr>De beslissing
De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 (VEERTIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 8 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met aangever [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2003) en medeverdachten [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum 3] 2007), [medeverdachte 3] (geboren op [geboortedatum 4] 2005) en [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum 5] 2003) heeft of zoekt, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

- gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de verdachte en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft de verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 14 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft de verdachte een aaneengesloten blok van 8 uur per dag vrij te besteden. De verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is [adres 1] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat betrokkene in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen;

- zich binnen bij Reclassering Nederland meldt op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- zich inspant voor het vinden en behouden van scholing, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

- meewerkt aan controle van het gebruik van softdrugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;

- zich ambulant laat begeleiden door Coach E25 of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dit nodig acht;

- inzicht geeft aan de reclassering in zijn financiën.

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDENVEERTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 4 (VIER) MAANDEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 7.534,95, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

de schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.534,95, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 62 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam] V.O.F.

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,

mr. W.E. Povel, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A. Dorrani, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2026.

Bijlage I: tenlastelegging

1.

Hij op of omstreeks 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage en/of Rijswijk, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om [slachtoffer] en/of een of meerdere omstanders

opzettelijk van het leven te beroven,

met een (vuur)wapen, meermalen, althans eenmaal, heeft geschoten in de richting van (het lichaam van) die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren;

2.

hij op of omstreeks 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage en/of Rijswijk, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een

wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een

(doorgeladen) pistool, van het merk Beretta, Model 71, kaliber .22 LR, zijnde een

vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of (bijbehorende) munitie van categorie III van de Wet wapen en munitie, te

meerdere, in elk geval één patro(o)n(en), kaliber .22 LR, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een

of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn

mededaders voorgenomen misdrijf om (in/uit een pand aan de Verheeskade 197) een of meer goederen van zijn/hun gading, althans enig goed, dat/die geheel aan een onbekend gebleven derde, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen:

- naar het het bedrijventerrein en/of pand is/zijn toegegaan en/of

- gezichtsbedekkende kleding heeft/hebben gedragen en/of

- een koevoet en/of (vuur)wapen voorhanden heeft/hebben gehad en/of

- het pand heeft/hebben betreden en/of

- in dat pand zoekend heeft/hebben rondgekeken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025239650, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 611).

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 17 juli 2025 (p. 114-118).

Het proces-verbaal van bevindingen (aanhouding verdachte), opgemaakt op 17 juli 2025 (p. 90-91).

Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 20 augustus 2026.

Artikel delen