Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:26848

De verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan gekwalificeerde diefstal. Aan de verdachte is een gevangenisstraf opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden. Vordering benadeelde partij afgewezen. Vordering tenuitvoerlegging toegewezen.

Rechtbank Den Haag 24 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:26848 text/xml public 2026-09-24T11:44:11 2026-09-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-09-15 09/151157-26, 09/188730-26 (ttz. gev) en 22/001902-23 (tul) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26848 text/html public 2026-09-24T11:19:11 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:26848 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / 09/151157-26, 09/188730-26 (ttz. gev) en 22/001902-23 (tul)
De verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan gekwalificeerde diefstal. Aan de verdachte is een gevangenisstraf opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden. Vordering benadeelde partij afgewezen. Vordering tenuitvoerlegging toegewezen.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/151157-26, 09/188730-26 (ttz. gev.) en 22/001902-23 (tul)

Datum uitspraak: 15 september 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats].
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 1 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C. Vermeulen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. Cantarella, naar voren is gebracht.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/151157-26 (hierna: dagvaarding I) en 09/188730-26 (hierna: dagvaarding II):

Ten aanzien van dagvaarding I:

hij op of omstreeks 24 mei 2026 te Rijswijk, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de woning gelegen aan [adres 1], alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,- een of meer sieraden, en/of- een koptelefoon, en/of- een aardewerk pot, en/of- een geldbedrag, en/of- een sieradenkistje en/of horlogedoosje,in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

Ten aanzien van dagvaarding II:

hij op of omstreeks 11 april 2026 te Kwintsheul, gemeente Westland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de woning gelegen aan [adres 2], alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,- een of meer sieraden, en/of- een laptop, en/of- een (schouder)tas, en/of- een fles parfum, en/of- een contant geldbedrag,in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel.
<nr>3</nr>De bewijsbeslissing 3.1.
Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Ten aanzien van dagvaarding I:

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500- 2026182977, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (PV VGL (pagina 1 t/m 165) en Aanvullend PV VGL (pagina 1 t/m 22)).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 1 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1], opgemaakt op 25 mei 2026 (p. 63-65 (PV VGL)).

Ten aanzien van dagvaarding II:

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500- 2026126270, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (procesdossier (pagina 1 t/m 49) en aanvullend procesdossier (pagina 1 t/m 11)).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 1 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2], opgemaakt op 12 april 2026 (p. 6-7 (procesdossier)).
3.2.
De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Ten aanzien van dagvaarding I:

hij op 24 mei 2026 te Rijswijk, in een woning gelegen aan [adres 1], alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,- sieraden, en - een koptelefoon, en - een aardewerk pot, en - een geldbedrag, en - een sieradenkistje en horlogedoosje,die aan [aangever 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Ten aanzien van dagvaarding II:

hij op 11 april 2026 te Kwintsheul, gemeente Westland, in de woning gelegen aan [adres 2], alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,- sieraden, en - een laptop, en - een tas, en - een fles parfum, en - een contant geldbedrag,die aan [aangever 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
<nr>6</nr>De strafoplegging 6.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht de eis van de officier van justitie passend..
6.3.
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee woninginbraken. Bij die woninginbraken heeft de verdachte schade aangericht om de woningen te kunnen betreden. Vervolgens heeft hij de woningen in zijn zoektocht naar (waardevolle) spullen overhoop gehaald. Woninginbraken bezorgen de slachtoffers vaak een gevoel van onveiligheid en maken een inbreuk op hun privacy. Daarnaast dragen woninginbraken bij aan gevoelens van onveiligheid binnen een woonwijk. De verdachte heeft blijk gegeven van een gebrek aan respect voor andermans eigendommen en gevoel van veiligheid. De rechtbank rekent de verdachte eveneens aan dat hij de feiten pleegde terwijl hij in een proeftijd liep voor eerder gepleegde inbraken.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 22 juli 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte eerder meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 19 augustus 2026, waaruit volgt dat sprake is van verslavingsproblematiek. Daaraan ten grondslag liggen volgens de reclassering een cognitieve beperking en onverwerkte trauma’s. Vanwege instabiliteit op meerdere leefgebieden, en zolang de verslavingsproblematiek niet voldoende is behandeld, wordt het recidiverisico ingeschat als hoog. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en beheersing middelengebruik.

Straf

Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank zal aan die voorwaardelijke straf de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden.
<nr>7</nr>De vordering van de benadeelde partij
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert vergoeding van materiële schade ter hoogte van € 7.125,21, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De schade is onderbouwd met een offerte van een aannemer voor werkzaamheden aan de door de inbraak beschadigde (achter)deur. De in de offerte opgenomen kosten hebben betrekking op zowel herstelwerkzaamheden als op werkzaamheden die een verbetering van de deur inhouden. De benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht dat de kosten die zien op de herstelwerkzaamheden door de verzekering zijn vergoed.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
7.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank

De kosten van herstel van de schade zijn door de verzekering vergoed. De kosten die zien op verbeteringen komen niet voor vergoeding in aanmerking. Die betreffen immers geen door de verdachte veroorzaakte schade. De rechtbank zal de vordering daarom in zijn geheel afwijzen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
<nr>8</nr>De vordering tot tenuitvoerlegging 8.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 22 juli 2026 gevorderd dat de bij rolnummer 22/001902-23 door het Gerechtshof Den Haag voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van negen maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
8.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen om de kans op klinische opname van de verdachte, direct na detentie, te vergroten.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten. De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en dus de algemene voorwaarden heeft overtreden. Bovendien is tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf al eens afgewezen, zijn de voorwaarden gewijzigd en is de proeftijd verlengd.

De rechtbank merkt daar, ten overvloede en in reactie op het standpunt van de verdediging, nog over op dat blijkens het eerder genoemde reclasseringsrapport de reclassering van mening is dat toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging de kans op een plaatsing in een kliniek aansluitend op detentie vergroot.
<nr>9</nr>De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
<nr>10</nr>De beslissing
De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I:

diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;

ten aanzien van dagvaarding II:

diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij SVG Reclassering Fivoor aan de Perzikweg 1-7, 2321 DG te Leiden op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig acht, laat opnemen in en behandelen door een forensische verslavingskliniek, althans een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie; de opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is; de zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling; de behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden; gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken; de veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren; als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt; de zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling; de behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en terugvalpreventie;

- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, na afronding van de klinische opname, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan de huisregels en het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering opstelt;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik

en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet; deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek; de reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan SVG Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

de vordering van de benadeelde partij

wijst af de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1];

veroordeelt [aangever 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 29 maart 2024, gewezen onder rolnummer 22/001902-23, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 9 (NEGEN) MAANDEN.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N. Hengeveld, voorzitter,

mr. B.J. van de Griend, rechter,

mr. S.E. Bandsma, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.E. van Gent, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.

Artikel delen