Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:26858

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan driemaal diefstal in vereniging, waarvan twee keer door middel van braak en een keer door middel van verbreking. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. Vordering benadeelde partij toegewezen met wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel.

Rechtbank Den Haag 24 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:26858 text/xml public 2026-09-24T12:25:11 2026-09-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-09-15 09/047186-26 en 09/149474-26 (ttz. gev.) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26858 text/html public 2026-09-24T12:24:56 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:26858 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / 09/047186-26 en 09/149474-26 (ttz. gev.)
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan driemaal diefstal in vereniging, waarvan twee keer door middel van braak en een keer door middel van verbreking. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. Vordering benadeelde partij toegewezen met wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/047186-26 en 09/149474-26 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 15 september 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ([land]),

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats].
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 1 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C. Vermeulen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. P. Lootsma, naar voren is gebracht.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 september 2026 ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 8 mei 2025 te Zoetermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bakfiets in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl hij zich de toegang tot dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking

2

hij op of omstreeks 25 juli 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een draagbare luchtkoeler, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl hij zich de toegang tot dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking

3

hij op of omstreeks 25 juli 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om brommobielen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

4

hij op of omstreeks 25 mei 2026 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer parfums, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Bijenkorf, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
<nr>3</nr>De bewijsbeslissing 3.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de vier tenlastegelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit.
3.3.
Vrijspraak

De rechtbank is met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.

Voor een veroordeling voor een voltooide diefstal van een aan een ander toebehorend goed is onder meer vereist dat de dader zich een zodanige feitelijke heerschappij over dat goed heeft verschaft, dan wel dit zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken, dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden.

De verdachte en de medeverdachte hebben weliswaar in de Bijenkorf twee flessen Prada parfum in een tas gestopt, maar omdat zij de twee flessen parfum in het trappenhuis van de Bijenkorf uit hun tas hebben gehaald en op de trap hebben gezet en daarmee geen kassa dan wel uitgang van de Bijenkorf hebben gepasseerd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een voltooide diefstal.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverweging

De politie heeft de verdachte herkend op de beelden van de feiten 1, 2 en 3. De verdachte heeft betwist dat hij de bewuste persoon is.

De rechtbank twijfelt niet aan de herkenningen. De verbalisanten hebben vastgelegd dat zij de verdachte “voor de volle honderd procent”, dan wel “direct” hebben herkend. De rechtbank heeft de beelden bekeken en heeft vastgesteld dat het gezicht van de persoon die als de verdachte is herkend, daarop voldoende duidelijk te zien is om dergelijke zekere herkenningen op te kunnen baseren.
3.6.
De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 8 mei 2025 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander, een bakfiets die ten dele aan [benadeelde 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl hij dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2

hij op 25 juli 2025 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, een draagbare luchtkoeler die aan [benadeelde 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl hij dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

3

hij op 25 juli 2025 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om brommobielen, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
<nr>4</nr>De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
<nr>6</nr>De strafoplegging 6.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte onvoorwaardelijk de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor vreemdelingen voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de rechtbank bij het bepalen van de straf volstaat met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, zo nodig gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich, steeds tezamen met een ander, schuldig gemaakt aan verschillende vermogensdelicten. Op 8 mei 2025 heeft de verdachte ’s nachts uit de tuin van aangever een bakfiets gestolen. Op 25 juli 2025 heeft de verdachte niet alleen een pakje gestolen uit de centrale hal van een appartementencomplex in Den Haag, maar daar ook gepoogd brommobielen te stelen en daarbij schade aan het pand toegebracht. De verdachte heeft met zijn handelen aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen.

Uit de gedragingen van de verdachte blijkt een handelswijze die er alleen maar op gericht is geweest zichzelf te bevoordelen. Het betreft nare strafbare feiten die financiële schade veroorzaken voor de gedupeerden. Bovendien veroorzaken diefstallen en een poging tot inbraak gevoelens van onveiligheid.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 augustus 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte sinds het najaar van 2024 door de politierechter zeven keer is veroordeeld voor (veelal) vermogensdelicten. Uit het strafblad blijkt voorts dat de verdachte, nadat hij onherroepelijk tot een straf is veroordeeld, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf voor die strafoplegging gepleegd, zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is

Persoon van de verdachte

De verdachte is geboren in [land] en verblijft sinds 2024 grotendeels in Nederland. Inmiddels is zijn verblijfsrecht ingetrokken. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij terug wil naar [land]. De rechtbank heeft kennisgenomen van reclasseringsadviezen over de verdachte van 16 juni 2026 en van 21 augustus 2026. Daaruit blijkt dat de reclassering het recidiverisico inschat als hoog, gezien het strafblad van de verdachte, de

problemen op velerlei leefgebieden, zijn houding bij de politie na aanhouding en het feit dat de verdachte opnieuw naar Nederland is gekomen na in april van dit jaar te zijn uitgezet. Volgens de reclassering is het enige perspectief dat het strafrecht kan bieden, een ISD-maatregel voor vreemdelingen waarbij aandacht is voor het opzetten en verzorgen van een vangnet in [land]. De reclassering adviseert daarom bij veroordeling van de verdachte, hem een ISD-maatregel voor vreemdelingen op teleggen.

Straftoemeting

Vanwege de vrijspraak voor feit 4 is niet voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een ISD-maatregel, zoals bepaald in artikel 38m Sr. De feiten 1, 2 en 3 zijn namelijk niet gepleegd nadat de voor vervulling van die voorwaarden van belang zijnde eerdere straffen geheel ten uitvoer waren gelegd. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van twaalf maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
<nr>7</nr>De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 50,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag betreft materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
7.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de gevorderde materiële schade toewijsbaar. De schadepost is onderbouwd en houdt rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde feit 2. De rechtbank zal daarom het bedrag van € 50,00 aan materiële schade toewijzen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de schade toewijzen met ingang van 25 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 50,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 2].
<nr>8</nr>De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
<nr>9</nr>De beslissing
De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit 4 heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal door twee verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

ten aanzien van feit 2:

diefstal door twee verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking

ten aanzien van feit 3:

poging tot diefstal door twee verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

de vordering van de benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] voor een bedrag van € 50,00 toe, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 2];

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

de schadevergoedingsmaatregel;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen:

een bedrag van € 50,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 2];

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.E. Bandsma, voorzitter,

mr. B.J. van de Griend, rechter,

mr. N. Hengeveld, rechter,

in tegenwoordigheid van A.E. van Gent, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.

Artikel delen