Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:26889

Voorlopige voorziening afgewezen. Toekenning individuele begeleiding ZIN en afwijzing verlenging van individuele begeleiding in de vorm van een pgb. Niet gebleken dat het wegvallen van de individuele begeleiding bij de huidige jeugdhulpverlener een zodanig direct gevaar oplevert dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

Rechtbank Den Haag 24 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:26889 text/xml public 2026-09-24T15:19:41 2026-09-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-09-16 SGR 26/5441 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26889 text/html public 2026-09-24T15:18:50 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:26889 Rechtbank Den Haag , 16-09-2026 / SGR 26/5441
Voorlopige voorziening afgewezen. Toekenning individuele begeleiding ZIN en afwijzing verlenging van individuele begeleiding in de vorm van een pgb. Niet gebleken dat het wegvallen van de individuele begeleiding bij de huidige jeugdhulpverlener een zodanig direct gevaar oplevert dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/5441
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige dochter [minderjarige], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),

en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. K. Bergacker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening naar aanleiding van het besluit van het college over jeugdhulp voor [minderjarige] op grond van de Jeugdwet (Jw). Verzoeker is het niet eens met het besluit van het college. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Het college heeft met het bestreden besluit van 23 januari 2026 aan [minderjarige] jeugdhulp toegekend. Het betreft Specialistische geestelijke gezondheidszorg (SGGZ) als zorg in natura. In hetzelfde besluit heeft het college het verzoek om verlenging van de eerder toegekende individuele begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) afgewezen.
2.1.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat het college met terugwerkende kracht tot 16 maart 2026, althans met onmiddellijke ingang, tot zes weken na de beslissing op bezwaar, een voorschot op het pgb verstrekt overeenkomstig de bij het besluit van 20 maart 2025 verstrekte voorziening. Die voorziening bestond uit individuele begeleiding voor 52 uur per maand tegen een tarief van € 92,02 per uur.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (via een videoverbinding), de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college en [naam] (werkzaam bij Kracht voor jeugd en gezin).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013, heeft een longafwijking als gevolg waarvan zij medicatie moet gebruiken. Ook heeft zij eetproblemen en is ze gediagnosticeerd met ADD (ADHD).
3.1.
Met het besluit van 15 oktober 2024 heeft het college aan [minderjarige] jeugdhulp toegekend. De jeugdhulp werd verleend in de vorm van een pgb en betreft individuele begeleiding, categorie 2, over de periode van 1 oktober 2024 tot en met 6 oktober 2025 voor 13 uur per maand tegen het formele tarief ter hoogte van € 60,34 per uur.
3.2.
Met de beslissing op bezwaar van 20 maart 2025 heeft het college het besluit van 15 oktober 2024 gewijzigd door aan [minderjarige] over de periode van 1 oktober 2024 tot 6 oktober 2025 individuele begeleiding voor 52 uur per maand toe te kennen tegen een tarief van maximaal € 92,02 per uur.
3.3.
Met het bestreden besluit van 23 januari 2026 heeft het college jeugdhulp toegekend voor SGGZ als zorg in natura. Wat betreft de duur van de toekenning volgt uit het besluit dat er een toeleiding kan worden afgegeven voor één jaar in lumpsum. Dit houdt in dat de behandelaar de hulp die nodig wordt geacht qua omvang kan inzetten, afhankelijk van het traject. Het college heeft de aanvraag afgewezen voor zover die ziet op jeugdhulp voor individuele begeleiding in de vorm van een pgb. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek is gebleken dat deze hulp niet noodzakelijk is. Kijkend naar de vastgestelde problematiek, de hulpvraag en de passende hulpverlening, is volgens het college specialistische jeugdhulp GGZ passend. Deze hulpverlening kan niet door [zorginstantie], de eerdere jeugdhulpaanbieder, worden geboden. De hulp die door [zorginstantie] wordt geboden kan worden overgenomen door de school en valt niet binnen de Jeugdwet, omdat hulp door de school een voorliggende voorziening is. Om te voorkomen dat [minderjarige] in de periode van overdracht en overgang naar de vastgestelde passende jeugdhulp zonder zorg komt te zitten, heeft het college het pgb voor individuele begeleiding verlengd tot 16 maart 2026.

4. Verzoeker legt aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag dat [zorginstantie] heeft aangekondigd dat de individuele begeleiding zal worden beëindigd, tenzij er betaling komt. De individuele begeleiding is noodzakelijk voor [minderjarige] en het beëindigen daarvan zal onomkeerbare gevolgen hebben. Zij zal zowel thuis als op school niet goed meer kunnen functioneren. De voorziening die het college heeft toegekend is niet geschikt en biedt ook geen oplossing.

5. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of in afwachting van de behandeling van het bezwaar een voorlopige voorziening moet worden getroffen.
5.1.
Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt kort gezegd dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist.
5.2.
Voor zover het verzoek ziet op het onderdeel van het besluit waarbij het college SGGZ in zorg in natura heeft toegekend, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.3.
Verzoeker stelt dat de jeugdhulp die het college heeft toegekend niet geschikt is en geen oplossing biedt voor [minderjarige]. Het college stelt zich op het standpunt dat uit het onderzoek, dat is neergelegd in het gezinsplan, volgt dat de SGGZ een passende en toereikende jeugdhulpvoorziening is. Wat hier verder ook van zij, de voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen vor dit onderdeel van het besluit. [minderjarige] hoeft immers geen gebruik te maken van de toegekende voorziening. Er is daarom op dit moment geen onverwijlde spoed die reden geeft om een voorziening toe te kennen in afwachting van de beslissing op bezwaar.
5.4.
Voor zover het verzoek ziet op het onderdeel van het besluit waarbij de verlenging van de individuele begeleiding in de vorm van een pgb is afgewezen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.5.
Uit het verslag van het begeleidingsplan van [zorginstantie] van 4 oktober 2024 volgt dat de jeugdhulpaanbieder twaalf uur per week intensieve, individuele begeleiding biedt aan [minderjarige], gericht op het aanleren van vaardigheden om met ADD-gerelateerde problemen om te gaan, het inhalen van leerachterstanden en het vergroten van het zelfvertrouwen en de sociale participatie. De voorzieningenrechter kan het college volgen in zijn standpunt dat de jeugdhulp die door [zorginstantie] wordt geboden voornamelijk ziet op ondersteuning en begeleiding die valt binnen het domein van de school. De hulp die [minderjarige] op dit punt nodig heeft kan daarom worden geboden vanuit de zogenoemde Wet passend onderwijs, en valt dus niet binnen de Jeugdwet. Uit de verslaglegging van de school van [minderjarige] volgt dat zij bekend is bij het zorgteam vanwege haar medische achtergrond en ADD. De school biedt verschillende ondersteuningsmogelijkheden aan, zoals een jeugdcoach, een remedial teacher, Rots & Water training en begeleiding bij het plannen van huiswerk en voorbereiding. Uit de e-mail van de school van 9 april 2026 volgt dat [minderjarige]’s aandachts- en concentratieproblemen invloed lijken te hebben op haar leerprestaties. Gelet op haar huidige ontwikkeling en toegenomen concentratieproblemen, kan het wenselijk zijn om opnieuw te kijken naar passende ondersteuning, schrijft de school. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat de school ondersteuningsmogelijkheden biedt en dat deze mogelijkheden nog niet zijn uitgeput. Dat verzoeker deze ondersteuningsmogelijkheden ontoereikend vindt, maakt niet dat het college individuele begeleiding had moeten toekennen.
5.6.
Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat het wegvallen van de individuele begeleiding vanuit [zorginstantie] een zodanig direct nadeel oplevert voor [minderjarige] dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Er is daarom geen spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van de beslissing op bezwaar noodzakelijk maakt.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Het besluit van 23 januari 2026 blijft dus van kracht. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen