Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:26987

Gezagsuitoefening. Rechtbank verleent moeder vervangende toestemming voor hulptraject kind.

Rechtbank Den Haag 25 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:26987 text/xml public 2026-09-25T09:41:25 2026-09-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-17 C/09/705782 / FA RK 26-5174 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26987 text/html public 2026-09-25T09:39:24 2026-09-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:26987 Rechtbank Den Haag , 17-08-2026 / C/09/705782 / FA RK 26-5174
Gezagsuitoefening. Rechtbank verleent moeder vervangende toestemming voor hulptraject kind.

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 26-5174

Zaaknummer: C/09/705782

Datum beschikking: 17 augustus 2026
Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 22 mei 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. L.M.J. Duijverman te Noordwijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift van de zijde van de moeder, ingekomen op 22 mei 2026;

- de brief van 10 juni 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- de brief van 15 juni 2026 van de zijde van de moeder;

- het verweerschrift met een zelfstandig verzoek van de zijde van de vader, ingekomen op 20 juli 2026;

- het bericht van 23 juli 2026, met bijlage, van de zijde van de vader;

- de brief van 23 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- de berichten van 26 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader.

Op 27 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat, alsmede mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Na de zitting heeft de rechtbank het volgende stukken ontvangen:

- het F9-formulier van 5 augustus 2026 van de zijde van de moeder;

- het F9-formulier van 6 augustus 2026 met bijlage van de zijde van de vader.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 2].

- Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.

- De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. Zij verblijven elke week van zondag 9.00 uur tot woensdag naar school/de kinderopvang bij de vader.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt nu nog:

- de moeder vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, om [minderjarige 1] in te schrijven en ingeschreven te houden voor de training “[training]” in [plaats];

- de vader te veroordelen in de door de moeder voorafgaand aan en in deze procedure gemaakte proceskosten,

een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig een informatie- en consultatieregeling vast te stellen, inhoudende dat:

- moeder vader tijdig, volledig en uit eigen beweging informeert over alle aangelegenheden van wezenlijk belang over de kinderen;

- moeder, met uitzondering van spoedeisende situaties, geen hulpverlening initieert of onderzoeken laat verrichten zonder vader vooraf volledig te informeren en hem gelegenheid te geven zijn standpunt kenbaar te maken;

- moeder onverwijld afschrift verstrekt van relevante correspondentie, rapportages, adviezen en besluiten van school, artsen, hulpverleners en overige betrokken instanties;

- partijen zich aantoonbaar inspannen om voorafgaand aan een verzoek ex artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek eerst met elkaar in overleg te treden,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
Beoordeling
Vervangende toestemming training voor [minderjarige 1]

Moeder wil [minderjarige 1] laten deelnemen aan de training “[training]” omdat [minderjarige 1] last heeft van de scheiding van zijn ouders. Volgens moeder is [minderjarige 1], als hij op woensdag terugkomt van vader, vaak verdrietig en/of boos en ziet hij er op zondag erg tegenop om weer naar vader toe te gaan. Moeder heeft haar ervaringen met meerdere instanties besproken en zij geven unaniem aan dat [minderjarige 1] hulp nodig heeft. Aangezien vader weigert zijn toestemming te geven om [minderjarige 1] in te schrijven voor het door moeder voorgestelde hulptraject, heeft moeder de rechtbank verzocht haar vervangende toestemming te verlenen.

Vader heeft aangegeven dat hij niet principieel tegen hulpverlening voor [minderjarige 1] is. Hij is echter van mening dat moeder de noodzaak van het door haar voorgestelde hulptraject voor [minderjarige 1] onvoldoende met objectieve informatie heeft onderbouwd. Vader herkent de door moeder gestelde zorgen over [minderjarige 1] niet en hij wijst erop dat de recent door school verstrekte objectieve informatie over [minderjarige 1] ook niet aansluit bij het beeld dat moeder van [minderjarige 1] schetst.

Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders, of een van hen, aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu op de zitting is gebleken dat een vergelijk tussen de ouders op de voet van artikel 1:253a, vijfde lid, BW niet mogelijk is, dient de rechtbank een beslissing te nemen die haar in het belang van [minderjarige 1] wenselijk voorkomt.

De rechtbank zal de door moeder verzochte vervangende toestemming om [minderjarige 1] in te schrijven voor de training “[training]” verlenen. De training “[training]” betreft een laagdrempelig, preventief steunprogramma voor jonge kinderen. Gezien de (op de zitting duidelijk merkbare) spanningen tussen ouders is het voorstelbaar dat [minderjarige 1] hier last van heeft en dat hij het door moeder waargenomen gedrag vertoont. De omstandigheid dat [minderjarige 1] dit gedrag niet op school en bij vader toont is niet ongewoon. Het betekent in elk geval niet dat de [minderjarige 1] geen last heeft van de gevolgen van de scheiding en de slechte verstandhouding tussen zijn ouders. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige 1] dat hij hulp krijgt in het omgaan met deze voor hem spanningsvolle situatie. De rechtbank ziet niet in op welke manier het volgen van deze training negatieve gevolgen voor [minderjarige 1] zou kunnen hebben.

Informatie- en consultatieregeling

Vader heeft verzocht een informatie- en consultatieregeling vast te stellen omdat hij van mening is dat moeder hem onvoldoende betrekt bij beslissingen aangaande de kinderen. Dit betreft bijvoorbeeld de beslissing van moeder om hulp te zoeken vanwege het gedrag van [minderjarige 1] en in het kader daarvan zonder overleg met vader contact op te nemen met allerlei instanties. Volgens vader bemoeilijkt de handelswijze van moeder een zorgvuldige gezamenlijke gezagsuitoefening en leidt dit tot onnodige procedures.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de door vader verzochte informatie- en consultatieregeling vast te stellen. Uit de overgelegde stukken volgt dat moeder wel degelijk haar zorgen over het gedrag van [minderjarige 1] aan vader kenbaar heeft gemaakt. Ouders gaan hierover niet met elkaar in gesprek maar mailen elkaar en komen dan niet tot een oplossing. Het staat moeder vrij om zelf onderzoek te doen naar mogelijke hulp of trajecten voor [minderjarige 1] en dit vervolgens aan vader voor te leggen. Hoewel het de moeder vrijstaat dit zo te doen, helpt het haar niet om vader mee te krijgen.

De ouders zullen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met hulp van een professional moeten gaan bespreken hoe zij met elkaar het ouderschap na scheiding gaan vormgeven. Beide ouders hadden ter zitting aangegeven wel open te staan voor het volgen van een dergelijk traject. Zij zouden de rechtbank na de zitting laten weten of zij een verwijzing naar het UHA wensen of dat zij een ander traject zouden gaan volgen. Uit de nagekomen stukken volgt dat partijen geen overleg hebben gehad hierover en uit de brief van de vader leidt de rechtbank af dat er geen overeenstemming is over een verwijzing naar een ouderschapsbemiddeling traject via het UHA. De rechtbank kan de ouders hier dan ook niet meer naar verwijzen.

Dit is vooral voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitermate jammer. Zij zullen nu verder moeten met ouders die niet in staat zijn in gezamenlijkheid tot beslissingen te komen.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding om de vader te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek van de moeder daartoe zal dan ook worden afgewezen en de proceskosten zullen worden gecompenseerd als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:

*

verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1], in te schrijven voor en hem deel te laten nemen aan de training “[training]” in [plaats];

*

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2026.

Artikel delen