Vovo afgewezen. WMO-opvang. Zelfredzaam en belangenafweging.
Rechtbank Den Haag 1 October 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:27114
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2026
Datum publicatie
01-10-2026
Zaaknummer
SGR 26/6128
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
ECLI:NL:RBDHA:2026:27114text/xmlpublic2026-10-01T09:30:082026-09-17Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-09-24SGR 26/6128UitspraakVoorlopige voorzieningNLDen HaagBestuursrecht; SocialezekerheidsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27114text/htmlpublic2026-09-25T13:19:432026-10-01Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:27114 Rechtbank Den Haag , 24-09-2026 / SGR 26/6128 Vovo afgewezen. WMO-opvang. Zelfredzaam en belangenafweging.
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/6128
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigde: mr. E.H. Buizert). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college de aanvraag van verzoekster om opvang voor haar en haar gezin, bestaande uit echtgenoot en vier minderjarige kinderen, op grond van de Wmo 2015 terecht heeft afgewezen. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Verzoekster heeft zich op 11 mei 2026 bij het college gemeld voor opvang voor haar en haar gezin op grond van de Wmo 2015. Er is vervolgens een onderzoek ingesteld. De resultaten van het onderzoek heeft het college neergelegd in een advies van 8 juli 2026. Kort samengevat is de strekking van het advies dat verzoekster geen Wmo-voorziening (opvang) krijgt. 2.1. Bij het bestreden besluit van 21 juli 2026 heeft het college het verzoek om Wmo-opvang afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 september 2026 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door [naam] , broer van verzoekster. Verzoekster heeft tevens haar echtgenoot en hun jongste twee kinderen meegenomen. De gemachtigde van het college is ook verschenen. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Verzoekster is in Afghanistan geboren op [geboortedatum] 1992. In 2002 is zij in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen. Verzoekster heeft vervolgens de Nederlandse nationaliteit gekregen. In 2008 is verzoekster weer teruggekeerd naar Afghanistan. Zij is in Afghanistan gehuwd. Haar man heeft de Afghaanse nationaliteit, hun vier minderjarige kinderen hebben (ook) de Nederlandse nationaliteit. Begin mei 2026 is verzoekster met haar gezin naar Nederland gekomen. Zij verbleven sindsdien bij de broer van verzoekster in Den Haag en hebben zich ook op zijn adres ingeschreven in de Brp. Op 11 mei 2026 heeft verzoekster zich gemeld bij het Daklozenloket van de gemeente Den Haag met het verzoek om tot de maatschappelijke opvang te worden toegelaten. 4. Het college heeft de aanvraag van verzoekster om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen. Het college acht verzoekster voldoende zelfredzaam. Zij behoort daarom niet tot de doelgroep van de Wmo 2015. Verzoekster dient zelf in onderdak voor haar en haar gezin te voorzien. 5. Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Zij wil met haar verzoek bereiken dat zij en haar gezin tot de maatschappelijke opvang worden toegelaten tot zij passende woonruimte hebben gevonden. 6. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Zelfredzaamheid
7. Voor een recht op opvang op grond van de Wmo 2015 is onder meer bepalend of verzoekster in staat is zich te handhaven in de samenleving. Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit de artikelen 1.2.1, aanhef en onder c, en artikel 2.3.5, vierde lid, van de Wmo 2015. Gelet op de hulpvraag van verzoekster houdt dat in dit geval concreet in dat beoordeeld moet worden of zij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar gezin te voorzien. Met andere woorden: verzoekster kan pas aanspraak maken op opvang als zij geen onderdak heeft én als dat komt door problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. 7.1. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college op juiste gronden geconcludeerd dat verzoekster voldoende zelfredzaam is. Uit zowel hetgeen in het Wmo-advies is gesteld als hetgeen verzoekster heeft aangevoerd in deze procedure, blijkt dat verzoekster slechts beperkingen ervaart bij het vinden van een woning. Het college heeft deugdelijk onderzoek verricht naar de hulpvraag van verzoekster en haar gezin. Blijkens het advies van 8 juli 2026 is gekeken naar de persoonlijke situatie van verzoekster en haar gezin aan de hand van verschillende leefgebieden (financiën, werk&opleiding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, basale ADL, instrumentele ADL, sociaal netwerk, justitie, lichamelijke verzorging en sociaal-emotionele ondersteuning, opvang, scholing en ondersteuning bij het huishouden). Tijdens het intakegesprek op 11 mei 2026 heeft verzoekster onder andere aangegeven dat zij de middelbare school en een vervolgopleiding heeft gevolgd in Nederland. Verzoekster heeft onder meer een visum aangevraagd voor haar echtgenoot zodat hij naar Nederland kon komen, heeft zich ingeschreven in de Brp op het adres van haar broer, heeft een aanvraag ingediend voor haar echtgenoot voor een verblijfsvergunning in Nederland op grond van Chavez-Vilchez, heeft kinderbijslag aangevraagd voor de kinderen en heeft een bijstandsuitkering aangevraagd, die inmiddels, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, met terugwerkende kracht per 12 mei 2026 is toegekend. Verzoekster heeft ter zitting nog gesteld dat haar broer heeft geholpen met het grootste gedeelte van alle aanvragen tot nu toe omdat zij niet begrijpt hoe alles werkt in Nederland. Hulp krijgen betekent echter niet dat eiseres beperkt is in haar doen- en regievermogen. Voor de Wmo 2015 geldt immers dat ook sprake is van zelfredzaamheid als iemand met behulp van andere personen uit het sociale netwerk in staat is tot participatie in de samenleving. Het feit dat verzoekster geen stabiel onderdak kan vinden is, al het voorgaande bezien, dan ook niet het gevolg van problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. Die omstandigheid wijst er eerder op dat sprake is van schaarste op de woningmarkt. Hoewel de voorzieningenrechter inziet dat het hierdoor in de praktijk moeilijk is voor verzoekster om een betaalbare woning te vinden, is de Wmo 2015 niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden. 7.2. Dit alles betekent dat verzoekster niet behoort tot de doelgroep van de Wmo. Daarom komt ze in beginsel niet in aanmerking voor Wmo-opvang. Belangenafweging
8. Ondanks dat verzoekster niet tot de doelgroep van de maatschappelijke opvang behoort kunnen er toch redenen zijn om het college op te dragen haar tot die opvang toe te laten in verband met de zwaarwegende belangen van haar en haar gezin. 8.1. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert. Het college is dus niet al op voorhand op die grond verplicht om verzoekster, ondanks haar zelfredzaamheid, opvang te bieden. Wel zal in zaken als deze moeten worden beoordeeld of met het bestreden besluit een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van verzoekster en haar minderjarige kinderen om toegelaten te worden tot die opvang en de publieke belangen die betrokken zijn bij het niet verstrekken van die opvang. 8.2. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre dat het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter. 8.3. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het IVRK rust op de overheid een verplichting om erop toe te zien dat de rechten en belangen van kinderen voldoende worden beschermd en geborgd. Die verplichting neemt niet weg dat het uitgangspunt is dat ouders de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van kinderen, zoals ook blijkt uit artikel 27, tweede lid, van het IVRK. Aan de verplichtingen uit het IVRK is in algemene zin in beginsel voldaan, omdat de overheid voorziet in een opvangregeling voor gezinnen met minderjarige kinderen die in nood verkeren: de Wmo. Dat betekent niet dat elk gezin met minderjarige kinderen hiervan gebruik kan maken. Het is toegestaan om op grond van publieke belangen (de besteding van publieke middelen en het beschikbaar houden van voldoende opvang voor kwetsbare, niet zelfredzame gezinnen) beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot sociale voorzieningen. 8.4. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college voldoende rekening gehouden met de belangen van verzoekster en haar gezin. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat verzoekster, zoals hiervoor overwogen, in principe in staat is zelf aan haar gezinsleven vorm te geven, waardoor ook de belangen van de kinderen zijn gewaarborgd. Daarnaast heeft het college terecht meegewogen dat in de opvang slechts een beperkt aantal plaatsen beschikbaar is. Dit betekent dat het verstrekken van opvang aan verzoekster en haar gezin tot gevolg zou hebben dat personen die, anders dan verzoekster, niet in staat zijn zichzelf in de samenleving te handhaven, geen gebruik kunnen maken van deze opvang. Ten slotte heeft het college bij zijn belangenafweging mogen betrekken dat de maatschappelijke opvang, mede door het tijdelijke karakter ervan, niet in het belang is van de kinderen.
Ter zitting is gebleken dat verzoekster en haar gezin nog steeds verblijven bij de broer van verzoekster, wat betekent dat verzoekster en haar gezin op dit moment feitelijk niet dakloos zijn. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat voor verzoekster een acute noodzaak bestond om naar Nederland te komen. Verzoekster heeft verklaard dat zij een betere toekomst wil voor haar kinderen en dat haar dochters niet naar school konden in Afghanistan. Hoewel deze redenen invoelbaar zijn, kan op basis daarvan niet geoordeeld worden dat er sprake was van een acute noodzaak om naar Nederland te komen die maakte dat verzoekster niet de kans heeft gehad voorbereidingen te treffen voor haar komst naar Nederland. Voor zover verzoekster stelt dat de acute noodzaak is gelegen in de medische situatie van twee van haar kinderen, is dat ook niet aannemelijk gemaakt. Blijkens het schrijven van de kinderneuroloog van het AMC en de revalidatiearts werkzaam bij Basalt, is sprake van een ernstige loopstoornis bij de jongste dochter van verzoekster. Zij is daarvoor meerdere keren geopereerd in het buitenland (Pakistan). Er is echter geen (acute) medische behandeling geadviseerd. Dat de revalidatiearts revalidatie heeft voorgeschreven bij een revalidatiecentrum, betekent op zichzelf niet dat zich een acute medische noodsituatie voordoet die maakt dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter betrekt hierbij ook dat het college ter zitting heeft gezegd dat naar schatting over ongeveer twee maanden een besluit op bezwaar kan worden genomen. 8.5. Verzoekster heeft ter zitting nog toelicht dat zij en haar gezin niet meer terug naar Pakistan kunnen vanwege hun Afghaanse achtergrond. Door de politieke situatie bij het grensgebied van Pakistan en Afghanistan zijn Afghanen niet meer welkom in dat gebied, ook niet met de Nederlandse nationaliteit. Een nadere onderbouwing heeft ze hiervoor echter niet gegeven. Voor zover verzoekster hiermee wil betogen dat er sprake is van een acuut veiligheidsprobleem, kan dit in bezwaar door haar worden onderbouwd zodat het college dit kan meenemen bij de belangenafweging bij de beslissing op bezwaar. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter zal het verzoek gezien het voorgaande afwijzen. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt en dat de weigering om haar opvang te verstrekken op grond van de Wmo van kracht blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Wmo 2015 = Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Brp = Basisregistratie personen ADL = Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen EVRM = Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden IVRK = Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind