ECLI:NL:RBDHA:2026:27137text/xmlpublic2026-09-25T15:39:302026-09-18Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-18C/09/704157 / HA RK 26-271UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigBeschikkingNLDen HaagCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27137text/htmlpublic2026-09-25T15:38:532026-09-25Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:27137 Rechtbank Den Haag , 18-08-2026 / C/09/704157 / HA RK 26-271 Vaststellen staatloosheid
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: HA RK 26-271
Zaaknummer: C/09/704157
Datum beschikking: 18 augustus 2026 Vaststelling van staatloosheidBeschikking op het op 7 april 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker], verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.G. Grigorjan te Den Bosch. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door T. Stelpstra. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het bericht van de IND van 28 juli 2026;
- de e-mail van verzoeker van 28 juli 2026. Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoeker is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd. Feiten De volgende feiten blijken uit het dossier:
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats].
- Aan verzoeker is op 16 februari 2026 een verblijfvergunning asiel verleend met ingang van 6 november 2025 tot 6 november 2030.
- Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten: een Palestijns paspoort, onderzocht en echt bevonden op 21 februari 2026;
een Palestijnse identiteitskaart, onderzocht en echt bevonden op 21 februari 2026;
een Palestijns rijbewijs, onderzocht en echt bevonden op 13 november 2025;
een kopie van een UNRWA familieregisterkaart, niet onderzocht op echtheid, omdat het een kopie betreft.
- Verzoeker staat in de Basisregistratie Personen geregistreerd met de nationaliteit ‘onbekend’. Verzoek en het advies van de Staat Verzoeker verzoekt vast te stellen dat hij staatloos is. De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen. Beoordeling Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs). Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek. Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om Turkije, Griekenland, België en de Palestijnse gebieden in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Ten aanzien van Turkije, Griekenland en België is gebleken dat verzoeker in deze landen niet in aanmerking kwam voor naturalisatie volgens de daar geldende wet- en regelgeving, zodat het niet aannemelijk is dat hij één van deze nationaliteiten heeft verkregen. Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos, tenzij zij nog een andere nationaliteit hebben. Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast. De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoeker. Beslissing De rechtbank: stelt vast dat verzoeker staatloos is. Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 18 augustus 2026.