Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:27175

Verlenging ondertoezichtstelling; deels aangehouden

Rechtbank Den Haag 28 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:27175 text/xml public 2026-09-28T09:55:01 2026-09-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-18 C/09/708302 / JE RK 26-1153 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27175 text/html public 2026-09-28T09:54:33 2026-09-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:27175 Rechtbank Den Haag , 18-08-2026 / C/09/708302 / JE RK 26-1153
Verlenging ondertoezichtstelling; deels aangehouden
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/708302 / JE RK 26-1153

Datum uitspraak: 18 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter tot verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. C.H. Remmelink uit Den Haag,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2] .
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 juli 2026;

het nagezonden gezinsplan vanuit de gecertificeerde instelling, ontvangen op 14 augustus 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- [naam] namens de gecertificeerde instelling.

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. [de minderjarige] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] woont bij haar moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 december 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 20 augustus 2026.
<nr>3</nr>Het verzoek en de gronden 3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek -samengevat en zakelijk weergegeven- als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] is getuige geweest van huiselijk geweld tussen de moeder en de vader. Eerder waren er zorgen of aangesloten kon worden bij haar opvoedbehoefte. Ook had zij een spraak- en taalontwikkelingsachterstand. Momenteel laat [de minderjarige] geen opvallende gedragsproblemen zien. Op school ontwikkelt zij zich naar haar mogelijkheden en over het algemeen ziet zij er verzorgd uit. Er blijven echter zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder, waar [de minderjarige] in november 2025 getuige is geweest van verbaal geweld tussen de moeder en de stiefvader. De hulpverlening door Middin is circa drie jaar betrokken geweest bij het gezin, maar zij hebben te kennen gegeven dat zij geen stap verder zijn gekomen. De deur wordt al langere tijd dichtgehouden, zij krijgen geen contact met de moeder en ook bij (onaangekondigde) huisbezoeken wordt er geen gehoor gegeven. Middin heeft hierdoor geen zicht kunnen krijgen op de huidige situatie en op [de minderjarige] , de hulp wordt stopgezet. Sinds begin 2026 is VUHP ingezet. De moeder wilde hier in eerste instantie graag aan mee werken, ook omdat zij de hulpverlener al kende en daar een klik mee had. Tijdens de beginfase werd gezien dat de moeder positieve stapjes heeft gezet. Deze lijken nu evenwel niet meer aanwezig. Volgens de hulpverlener van VUHP staan de moeder en de stiefvader in een overlevingsstand. Het lukt de moeder niet meer om de situatie te overzien en de zorgen over haar gezin worden haar te veel. Deze overbelasting krijgt [de minderjarige] mee. Verder is er onenigheid tussen de moeder en de stiefvader en het is de vraag of hun relatie blijft bestaan. Ook de jeugdbeschermer is het niet gelukt rechtstreeks zicht te krijgen op [de minderjarige] . Pogingen om haar te spreken en te observeren zijn niet geslaagd. De moeder geeft geen gehoor aan uitnodigingen voor afspraken en was op meerdere keren niet thuis op de momenten dat (ook door hulpverleners) geprobeerd werd een huisbezoek af te leggen. Het is onduidelijk hoe [de minderjarige] haar thuissituatie ervaart, hoe zij zich emotioneel voelt en of zij daadwerkelijk vrolijk en ontspannen is. Het blijft noodzakelijk om zicht te krijgen op haar welzijn, beleving en veiligheid om zo te kunnen beoordelen of haar ontwikkeling duurzaam en onbedreigd verloopt. Het kader van een ondertoezichtstelling is daarvoor nog steeds nodig en het is noodzakelijk dat de moeder de hulp van VUHP daadwerkelijk toelaat en daar ook echt aan meewerkt. Dit is één van de belangrijkste voorwaarden om de ondertoezichtstelling af te kunnen sluiten. Aangezien dit een patroon van de moeder blijkt te zijn vindt de jeugdbeschermer dat, als het de moeder niet lukt mee te werken aan de hulp, overwogen moet worden of het voor [de minderjarige] nog wel goed genoeg is om thuis te wonen.
<nr>4</nr>Het standpunt van de belanghebbende 4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd. [de minderjarige] staat al sinds 2020 onder toezicht en in die jaren zijn zes verschillende jeugdbeschermers betrokken geweest. De moeder (h)erkent dat [de minderjarige] meerdere keren van verblijfplaats is gewisseld en dat sprake is geweest van huiselijk geweld met de vader. De ondertoezichtstelling zou eerder dit jaar al eindigen, maar werd toch voortgezet vanwege haar financiële situatie. De moeder begrijpt dat er zorgen zijn over haar positieve test op het gebruik van cannabis en cocaïne van drie maanden geleden. Dat cocaïnegebruik was echter eenmalig en over het cannabisgebruik heeft de moeder verteld dat zij dit al sinds haar vijftiende gebruikt. Het klopt dat de samenwerking met Middin moeizaam verliep; de moeder heeft haar vertrouwen in Middin verloren. Zij is telefonisch niet bereikbaar geweest omdat haar nummer was afgesloten. Het klopt ook dat zij niet altijd op WhatsAppjes van Middin heeft gereageerd. De moeder heeft de indruk dat de gecertificeerde instelling te veel in het verleden blijft hangen, onder meer door het blijven aanhalen van de ruzie tussen de moeder en de stiefvader in november 2025. Zij heeft het gevoel dat ze het nooit goed zal kunnen doen. Op dit moment gaat het goed met [de minderjarige] en de relatie tussen de moeder en de stiefvader is bestendig. Met de vader is geen contact, daar zijn dus ook geen zorgen over. De financiën van de moeder staan onder bewind, de oma is betrokken en de moeder heeft ook individuele hulp, vrijwillig, van Limor. VUHP komt drie keer per week langs. Dat blijft zo, ook als de ondertoezichtstelling zou eindigen. De hulpverlening heeft wel degelijk zicht op [de minderjarige] en over haar worden geen grote zorgen geuit. Ook de school heeft zicht op haar. Al die tijd heeft de moeder opengestaan voor de hulpverlening en voor samenwerking met de jeugdbeschermer en zij staat hier nog steeds voor open. Het gedwongen kader werkt voor haar echter contraproductief. Namens de moeder is verzocht de ondertoezichtstelling niet te verlengen, dan wel slechts te verlengen voor een kortere duur. Hulp kan in het vrijwillig kader voortgezet worden. De moeder heeft er op gewezen dat de verzochte ondertoezichtstelling van de halfbroertjes van [de minderjarige] recent is afgewezen door de kinderrechter, omdat de inzet van de hulp in het vrijwillig kader voldoende was om de zorgen weg te nemen.
<nr>5</nr>De beoordeling 5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Daartoe wordt als volgt overwogen.
5.2.
[de minderjarige] is een jong kwetsbaar meisje met een belast verleden; zij heeft huiselijk geweld tussen de moeder en de vader meegemaakt, er zijn serieuze signalen geweest van verslavingsproblematiek bij de moeder, de hygiëne van [de minderjarige] was langere tijd ondermaats en er zijn ook zorgen over kind-eigen problematiek. Haar ontwikkeling is als gevolg daarvan ernstig bedreigd. Hoewel juist is dat de huidige jeugdbeschermer - zoals door de moeder aangevoerd - pas sinds kort betrokken is, is het niet zo dat aan de ondertoezichtstelling geen uitvoering is gegeven. De gecertificeerde instelling heeft geprobeerd om in kaart te brengen hoe de ontwikkeling van [de minderjarige] de afgelopen periode is verlopen, en heeft concreet onderbouwd dat ieder zicht op de situatie van [de minderjarige] ontbreekt. De kinderrechter maakt op uit de stukken en de toelichtingen ter zitting dat niet kan worden vastgesteld of de ernstige zorgen die over [de minderjarige] bestonden, inmiddels zijn weggenomen en wat de rol van de moeder is geweest. In het afgelopen jaar zijn verschillende vormen van hulpverlening -al dan niet (ook) voor de halfbroertjes van [de minderjarige] - ingezet. De hulp van Middin is gestagneerd en daadwerkelijk beëindigd omdat de moeder de deur dichthield en ook via Whatsapp berichten onbereikbaar bleef. Ook de jeugdbeschermer is het niet steeds gelukt om huisbezoeken af te leggen. De moeder heeft benadrukt dat zij een goede samenwerking heeft met hulpverleners van VUHP, maar deze hulpverlening is niet specifiek ingezet of gericht op alleen [de minderjarige] . Uit het evaluatieverslag van Jeugdformaat van mei 2026 volgt bovendien dat de inzet van VUHP voor de moeder en de stiefvader ook wat veel is en hen behoorlijk lijkt te belasten, en dat de moeder ook met hen afspraken regelmatig afzegt. In dat verslag is niet beschreven of, en zo ja: hoe en in welke vorm, met de moeder gewerkt is aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] . Wel constateert VUHP nog zorgen over de opvoedsituatie bij moeder thuis en is een aantal doelen gesteld waaraan de komende tijd gewerkt moet worden.
5.3.
De moeder heeft benadrukt dat zij open heeft gestaan voor hulp en begeleiding maar dat het gedwongen kader haar tegenstaat en contraproductief is. Centraal staat evenwel de vraag of de eerder vastgestelde ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] in meer of mindere mate is afgenomen. De kinderrechter stelt vast dat daarover geen objectieve, recente informatie beschikbaar is omdat in de afgelopen periode vrijwel geen zicht op [de minderjarige] is gekregen. Wel staat vast dat de inzet van Middin is gestopt als gevolg van het ontbreken van medewerking van de moeder. Nu niet kan worden vastgesteld of de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] is verminderd en zo ja, in welke mate, is voortzetting van de betrokkenheid van de jeugdbeschermer, en daarmee van de ondertoezichtstelling, nog steeds nodig. Omdat het noodzakelijk is dat op korte termijn zicht wordt gekregen op de ontwikkeling van [de minderjarige] en op de vraag of, en zo ja welke, inzet van hulp en begeleiding daarbij nog nodig is, en ook om de moeder de gelegenheid te geven te laten zien dat zij bereid is die inzage te geven en bereid is de hulp die nodig is daadwerkelijk en structureel toe te laten, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van zes maanden, en de behandeling van het verzoek voor het overige aanhouden. De zaak zal voor afloop van de eerste zes maanden weer op zitting worden behandeld. Dan zal de jeugdbeschermer in de gelegenheid zijn verslag te doen van het recente verloop van de ondertoezichtstelling, of er zicht is gekregen op de ontwikkeling van [de minderjarige] en hoe het er met die ontwikkeling voor staat, wat de rol van de moeder daarin in geweest, of er inzet van hulp nodig is en welke stappen daarin zijn gezet. De moeder zal dan kunnen laten zien dat zij daadwerkelijk bereid is geweest zicht te geven op de ontwikkeling van [de minderjarige] en of zij in staat is om zelf de zorgen weg te nemen. Dat betekent dat de moeder de komende periode een constructieve samenwerking met de jeugdbeschermer en met hulpverlening aan zal moeten gaan.
5.4.
De kinderrechter geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling om twee weken voorafgaand aan de nader te bepalen zittingsdatum een schriftelijke update aan de rechtbank en belanghebbenden te doen toekomen, zoals in de voorgaande paragraaf overwogen.
5.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>6</nr>De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 20 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, bij mr. M.H. Rochat, gelegen vóór 20 februari 2027;
6.4.
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling om twee weken voorafgaand aan de nog te plannen zitting een schriftelijke update aan de rechtbank en belanghebbenden te doen toekomen met daarin informatie zoals hiervoor onder 5.3. overwogen;
6.5.
gelast de griffier voor die zitting op te roepen:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;

- de moeder;

- de advocaat van de moeder, mr. C.H. Remmelink uit Den Haag;

- de vader;

- [de minderjarige] voor het kindgesprek.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier. De schriftelijke uitwerking daarvan is vastgesteld op 4 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:260 BW.

Artikel 2 Besluit gezagsregisters.

Artikel delen