Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:27312

Ordemaatregel getroffen ihkv opvolgend asielverzoek; bepaald dat verzoeker de behandeling van verzoek om een voorlopige voorziening Nederland in de opvang mag afwachten. Omdat geen sprake is van een voornemenprocedure is een zitting – mede gelet op de arresten Ebilum en Quotal de eerste gelegenheid en bij uitstek het meest geschikt om de asielgronden te beoordelen.

Rechtbank Den Haag 25 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:27312 text/xml public 2026-09-25T12:00:25 2026-09-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-09-18 NL26.42258 Uitspraak Tussenuitspraak NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27312 text/html public 2026-09-18T16:45:55 2026-09-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:27312 Rechtbank Den Haag , 18-09-2026 / NL26.42258
Ordemaatregel getroffen ihkv opvolgend asielverzoek; bepaald dat verzoeker de behandeling van verzoek om een voorlopige voorziening Nederland in de opvang mag afwachten. Omdat geen sprake is van een voornemenprocedure is een zitting – mede gelet op de arresten Ebilum en Quotal de eerste gelegenheid en bij uitstek het meest geschikt om de asielgronden te beoordelen.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.42258 T
tussenuitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
<?linebreak?> [verzoeker], V-nummer: [v-nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding 1.1.
Bij besluit van 21 juli 2026 heeft de minister een (opvolgend) asielverzoek van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Op 15 september 2026 heeft verzoeker - in verband met de beëindiging door het COa van de opvang op 21 september 2026 - de voorzieningenrechter verzocht versneld uitspraak te doen op de voorlopige voorziening met als doel dat verzoeker de behandeling van zijn beroep met behoud van opvang mag afwachten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb ziet de voorzieningenrechter aanleiding om uitspraak te doen zonder de zaak op zitting te behandelen.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. De gemachtigde van verzoeker heeft primair verzocht om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen ten einde te bewerkstelligen dat verzoeker de behandeling van het beroep in zijn asielprocedure in de opvang mag afwachten. Subsidiair heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van ordemaatregel te bepalen dat hij de behandeling van de voorlopige voorziening met behoud van opvang en verstrekkingen mag afwachten.

Is sprake van spoedeisend belang?

4. Voor wat betreft het verzoek om de behandeling van het beroep in Nederland af te mogen wachten, overweegt de voorzieningenrechter dat uit het procesdossier niet blijkt dat sprake is van een concrete uitzettingsdatum. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoeker in zoverre geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter overweegt echter verder dat het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend in het kader van een opvolgend asielverzoek dat door de minister niet-ontvankelijk is verklaard. Op grond van het bepaalde in artikel 7.3, tweede lid, onder b, Vb heeft het enkel indienen van dit verzoek daarmee geen schorsende werking heeft en levert het geen rechtmatig verblijf op. Dit heeft tot gevolg dat verzoeker op grond van de Rva geen recht meer heeft op opvang en verstrekkingen. Nu verzoeker is meegedeeld dat de opvang en verstrekkingen op 21 september 2026 zullen worden beëindigd, heeft verzoeker in zoverre wel een spoedeisend belang bij het treffen van een ordemaatregel.

Wat vindt de voorzieningenrechter?
5.1
De voorzieningenrechter overweegt dat, indien een verzoeker de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening niet kan afwachten omdat zich in de tussentijd onomkeerbare gevolgen voordoen die tot onmiddellijk rechterlijk ingrijpen nopen, de voorzieningenrechter een ordemaatregel kan treffen. Deze bevoegdheid is bedoeld voor bijzondere gevallen.
5.2
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker in zijn asielprocedure substantiële gronden naar voren heeft gebracht, waarin naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op voorhand geen aanknopingspunten zijn gelegen voor de conclusie dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat een rechter, op grond van de arresten Ebilum en Quotal van het HvJ EU, een geactualiseerde, volledige eigen beoordeling dient te maken, waarbij ook de elementen moeten worden betrokken die gedurende de beroepsfase naar voren worden gebracht. Nu aan het asielbesluit van 21 juli 2026 geen voornemenprocedure vooraf is gegaan, betekent dit dat een inhoudelijke behandeling van verzoekers beroep- en verzoekschrift voor verzoeker de eerste mogelijkheid is om zijn standpunten met betrekking tot de niet-ontvankelijk verklaring van zijn asielverzoek naar voren te brengen. Een behandeling ter zitting is daarvoor bij uitstek geschikt. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding een ordemaatregel te treffen. Door het treffen van een ordemaatregel ontstaat rechtmatig verblijf voor verzoeker, en dus een recht op opvang.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een ordemaatregel toe, in die zin dat verzoeker de behandeling van de voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- treft de ordemaatregel dat verzoeker de behandeling van de voorlopige voorziening in Nederland in de opvang mag afwachten;

- houdt iedere verdere beslissing aan met betrekking tot het verzoek om een voorlopige voorziening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van M.J. Kambeel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

Algemene wet bestuursrecht.

Vreemdelingenbesluit 2000.

Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.

HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448 (Ebilum).

HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447 (Quotal).

Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel delen