Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:27330

beroep tegen opleggings- en verlengingsbesluit Wth ongegrond

Rechtbank Den Haag 28 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:27330 text/xml public 2026-09-28T10:51:35 2026-09-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-19 C/09/696101 / FA RK 25-9453 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27330 text/html public 2026-09-28T10:50:18 2026-09-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:27330 Rechtbank Den Haag , 19-08-2026 / C/09/696101 / FA RK 25-9453
beroep tegen opleggings- en verlengingsbesluit Wth ongegrond

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-9453

Zaaknummer: C/09/696101

Datum uitspraak: 19 augustus 2026
Wet tijdelijk huisverbod
Uitspraak inzake:
[eiser],
eiser,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

gemachtigde: mr. M.A. Spek te Rijswijk,

tegen:
de burgemeester van de gemeente ’S-GRAVENHAGE,
verweerder.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[achterblijfster],
Achterblijfster, tevens ex-partner,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
IProcedure
Bij besluit van 19 november 2025 heeft verweerder aan eiser een huisverbod op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) opgelegd, van 19 november 2025 (18:38 uur) tot en met 29 november 2025 (18:38 uur), ter zake van de woning aan [adres], [plaats], tevens inhoudend een contactverbod met de aldaar woonachtige [achterblijfster], de ex-partner en hun kinderen [minderjarige 1] ([geboortedatum 1]-2015), [minderjarige 2] ([geboortedatum 2]-2017) en [minderjarige 3] ([geboortedatum 3]-2021).

Bij besluit van 28 november 2025 heeft verweerder het huis- en contactverbod verlengd tot 17 december 2025 (18:38 uur).

Tegen beide besluiten heeft eiser bij brief van 12 december 2025 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

De zaak is, nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over een behandeling ter zitting, zonder zitting afgedaan.
IIBeoordeling
Op grond van artikel 2, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging conform artikel 9 van deze wet.

Op grond van artikel 9, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

Eiser heeft betoogd dat de besluiten tot oplegging van het huisverbod en de verlenging daarvan ondeugdelijk zijn gemotiveerd, dat sprake is van ondeugdelijk onderzoek en een onzorgvuldige belangenafweging. Zo heeft eiser aangevoerd dat de gronden voor het opleggen van een huisverbod, zoals bedoeld in artikel 2 Wth, zich niet hebben voorgedaan en dat zijn aanwezigheid in de woning geen gevaar opleverde. Volgens eiser is het feit dat aangifte van mishandeling is gedaan onvoldoende om dit aan te nemen. Verder zijn tegenstrijdige verklaringen afgelegd over hoe het letsel bij achterblijfster is ontstaan.

Eiser meent dat ten onrechte niet is gekeken wie als hoofdverzorger van de kinderen moest worden aangemerkt. Daarnaast heeft eiser betoogd dat het huisverbod niet verlengd had mogen worden. Eiser weigerde immers niet om mee te werken aan veiligheidsafspraken dan wel aan hulpverlening. Eiser meent dat minder ingrijpende maatregelen dan een huisverbod zouden hebben volstaan.

Verweerder stelt zich gelet op de bestreden besluiten en de overgelegde stukken op het standpunt dat het huisverbod terecht aan eiser is opgelegd en is verlengd.

Oplegging van het huisverbod

De rechtbank is van oordeel dat op het moment van het opleggen van het huisverbod sprake was van omstandigheden als bedoeld in artikel 2 Wth. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de overgelegde stukken blijkt dat er al langer spanningen waren tussen eiser en achterblijfster, waarbij sprake was van veel meningsverschillen die leidden tot flinke (verbale) ruzies; die tot mutaties en een eerder huisverbod hebben geleid. Deze ruzies vonden ook regelmatig in aanwezigheid van de kinderen plaats. Op 16 november 2025 hebben deze spanningen geleid tot een ruzie met fysiek geweld. Voor achterblijfster was dit incident aanleiding om aangifte van mishandeling bij de politie te doen. Niet van belang is of het fysieke geweld al dan niet bewust was.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van deze feiten en omstandigheden zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende aannemelijk is dat de aanwezigheid van eiser een ernstig vermoeden van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van achterblijfster en de kinderen opleverde en dat een afkoelingsperiode noodzakelijk was om van daaruit de noodzakelijke hulpverlening op te starten.

Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat het belang van een periode van rust en veiligheid zwaarder mocht wegen dan het belang van eiser bij het gebruik van de woning en contact met zijn kinderen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het achterblijfster was die na de ruzie met geconstateerd letsel aangifte heeft gedaan bij de politie, zodat, ondanks dat kennelijk beide partijen hun aandeel zullen hebben in de ruzie,

in dit geval verweerder redelijkerwijs gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een huisverbod aan eiser. De stelling van eiser dat daarbij ten onrechte niet is gekeken wie als hoofdverzorger van de kinderen moet worden aangemerkt, doet hieraan verder niet af.

Gelet op dit alles heeft verweerder terecht het huisverbod aan eiser opgelegd.

Verlenging van het huisverbod

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat op het moment van verlenging van het huisverbod nog immer sprake was van dreiging van gevaar of het ernstige vermoeden daarvan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op het moment van het verlengingsbesluit weliswaar een begin was gemaakt met de hulpverlening - er hadden individuele gesprekken plaatsgevonden en een netwerkgesprek - maar er waren nog geen veiligheidsafspraken tussen eiser en achterblijfster gemaakt, wat wel noodzakelijk was om een veilige (tijdelijke) terugkeer van eiser in de woning te garanderen. Dit geldt temeer, omdat er ook drie kinderen in de woning verbleven. Daaraan doet niet af of eiser al dan niet meewerkt aan het maken van deze veiligheidsafspraken en aan de hulpverlening.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 9 Wth gebruik heeft gemaakt.

De stelling van eiser dat beide besluiten ondeugdelijk zijn gemotiveerd, het onderzoek niet deugdelijk is verricht en dat geen sprake is van een zorgvuldige belangenafweging, treft geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de besluiten voldoende gemotiveerd omdat daarin de redenen van het opleggen van het huisverbod en de verlenging zijn opgenomen. Verder blijkt de motivering van de besluiten ook uit de onderliggende stukken, zoals de situatie ter plaatse, het proces-verbaal van bevindingen HOvJ voor een beslissing huisverbod, het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiGH), het zorgadvies en beleidsadvies t.b.v. het verlengen/intrekken van een tijdelijk huisverbod, die overeenkomstig jurisprudentie onderdeel uitmaken van de besluiten. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin sprake van onzorgvuldig onderzoek. Verweerder heeft zijn besluiten gebaseerd op de afzonderlijke verklaringen van betrokkenen, de kinderen, de bevindingen van de politie, het RiHG en de informatie van de hulpverlening. Daarnaast blijkt uit de stukken dat verweerder de verschillende belangen heeft meegewogen bij het nemen van de besluiten.

Concluderend zal de rechtbank het beroep tegen het opleggings- en verlengingsbesluit ongegrond verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
IIIBeslissing
De rechtbank:

*

verklaart het beroep tegen het opleggings- en verlengingsbesluit ongegrond;

*

wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C..G. Meeder, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

19 augustus 2026.

Een belanghebbende – onder wie in elk geval eiser wordt begrepen – en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op:

Artikel delen