Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:27408

Wijziging zorgregeling. Vaststelling kinderalimentatie, verdiencapaciteit aan de zijde van de moeder.

Rechtbank Den Haag 28 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:27408 text/xml public 2026-09-28T12:31:32 2026-09-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-20 C/09/682307 / FA RK 25-2166 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27408 text/html public 2026-09-28T12:31:14 2026-09-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:27408 Rechtbank Den Haag , 20-08-2026 / C/09/682307 / FA RK 25-2166
Wijziging zorgregeling. Vaststelling kinderalimentatie, verdiencapaciteit aan de zijde van de moeder.

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-2166

Zaaknummer: C/09/682307

Datum beschikking: 20 augustus 2026
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en alimentatie
Beschikking op het op 5 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.I. Kouwenhoven te ’s-Gravenzande.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.M.C. van der Sanden te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:

het verzoekschrift;

het verweerschrift met zelfstandig verzoek;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- het bericht van 26 juni 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- het bericht van 10 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- het bericht van 10 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader.

De minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 16 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat en de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
Feiten
- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad, welke in maart 2022 is verbroken.

- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

- De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.

- De kinderen verblijven bij de moeder.

- Blijkens de aantekening in het gezagsregister van 3 februari 2014 oefenen de ouders het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat de vader aan de moeder zal betalen een bijdrage in het levensonderhoud van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ter hoogte van € 678,- per maand, per datum van indiening van het verzoekschrift.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, waarbij de kinderen bij de vader zullen zijn:

twee opeenvolgende weekends een halve dag (op zaterdag of zondag);

vervolgens, twee opeenvolgende weekends een hele dag (op zaterdag of zondag);

vervolgens, tweemaal eens per veertien dagen anderhalve dag (inclusief overnachting);

vervolgens, tweemaal eens per veertien dagen twee dagen (inclusief overnachting);

vervolgens: eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdag 16.45 uur tot zondagavond na het eten, evenals de helft van alle schoolvakanties,

kosten rechtens.

De moeder voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Zorgregeling

De vader geeft aan dat het contact tussen hem en de kinderen in juni 2024 is gestopt. Volgens de vader verliep het contact tot die tijd altijd goed en verbleven de kinderen met plezier ieder weekend bij hem. De vader stelt dat het voor de ontwikkeling van de kinderen belangrijk is dat zij goed en onbelast contact met beide ouders hebben en betwijfelt of de moeder voldoende uitvoering geeft aan haar verplichting om het contact met de andere ouder te stimuleren.

De moeder stelt dat de kinderen voorheen van vrijdagavond 19.00 uur tot zaterdag 12.00 uur bij de vader verbleven, voor het laatst in februari 2024. Zij geeft aan dat de vader in juni 2024 een nieuwe partner kreeg en dat de kinderen niet met deze voor hen nieuwe persoon in het huis van de vader wilden worden achtergelaten. Volgens de moeder heeft dit, in combinatie met het feit dat de vader zich niet altijd aan gemaakte afspraken heeft gehouden, ervoor gezorgd dat de kinderen het vertrouwen in de vader hebben verloren en dat zij daarom slechts beperkt contact met hem willen. Momenteel bestaat het contact uit af en toe korte wandelingen met de hond. Daarbij geeft de moeder aan dat zij hulpverlening heeft ingeschakeld om het contact tussen de kinderen en de vader weer op gang te krijgen, maar dat de hulpverlening de vader niet kon bereiken.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat het in het belang van kinderen is om onbelast en prettig contact te hebben met beide ouders. Dat neemt niet weg dat er zich omstandigheden kunnen voordoen waardoor dit uitgangspunt uitzondering lijdt. Uit het gesprek dat de kinderen met de kinderrechter hebben gevoerd, maakt de rechtbank op dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het verleden vooral zijn teleurgesteld in de wijze waarop de vader uitvoering heeft gegeven aan de zorgregeling. In het gesprek met de kinderrechter hebben zij met name benoemd dat hun vader hen dingen in het vooruitzicht stelde die op het laatste moment toch niet doorgingen. Vooral om die reden wensen de kinderen nu minimaal contact met hun vader. Hoewel de vader in het verleden wellicht een aantal zaken niet handig heeft aangepakt, ziet de rechtbank tegelijkertijd ook een vader die welwillend is en graag uitgebreider contact met zijn dochters zou willen hebben. In het ouderschapsplan dat de ouders hebben geprobeerd op te stellen in het kader van mediation, is opgenomen dat “zij hun kinderen de ruimte geven om in kleine stappen de omgang met vader op te bouwen […] in het tempo van de kinderen”. Uit deze passage uit het ouderschapsplan en de manier waarop de ouders zich tijdens de zitting opstelden, leidt de rechtbank af dat beide ouders het belangrijk vinden dat het contact tussen de kinderen en de vader blijft en dat zij beiden op termijn, uitgebreider en meer gestructureerde omgang belangrijk voor de kinderen vinden.

Tijdens de zitting is met de ouders gesproken over wat er nodig is om tot uitgebreider contact te kunnen komen en wat voor een omgangsregeling in dit verband als stip aan de horizon kan dienen. Uit dit gesprek is duidelijk geworden dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nu gemiddeld drie keer per maand voor ongeveer een kwartier tot een halfuur samen met de vader en de hond gaan wandelen. De rechtbank is het met de ouders eens dat deze wandelmomenten moeten blijven doorgaan. De ouders zien beiden in dat het nu afdwingen van intensiever contact vermoedelijk alleen maar averechts werkt. Wel acht de rechtbank het – net als de ouders – voorstelbaar dat het opdoen van positieve ervaringen met de vader, de ruimte voor (het uitbreiden van) het contact met de vader zal vergroten bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Met de ouders is besproken dat het daarbij kan helpen als de vader met enige regelmaat een dag of een dagdeel met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] iets leuks gaat doen.

Op basis van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de kinderen, in aanvulling op de wandelmomenten, eens per maand een dag(deel) bij de vader zullen zijn om samen iets leuks te ondernemen. Daarbij benadrukt de rechtbank dat de communicatie over de planning van zowel de wandelmomenten als (de invulling van) de maandelijkse contactmomenten van een dag(deel) tussen de ouders onderling dient te verlopen en niet via de kinderen. Het staat de ouders vrij om de zorgregeling in onderling overleg verder uit te breiden als de kinderen daar op termijn ruimte voor hebben.

Kinderalimentatie

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Ontvankelijkheid

Nu tussen partijen niet in geschil is dat de overeengekomen kinderalimentatie van € 350,- per maand in 2022 niet is vastgesteld op basis van een alimentatieberekening, zal de rechtbank de moeder ontvangen in haar verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat de vader het eerder tussen partijen overeengekomen bedrag van € 350,- aan kinderalimentatie vanaf juni 2022 heeft betaald. De moeder heeft tijdens de zitting opgemerkt dat de vader sinds februari 2026 geen kinderalimentatie heeft betaald, maar heeft deze stelling niet verder onderbouwd. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank in redelijkheid aanleiding om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van deze beschikking.

Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.

Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving worden bepaald.

Partijen zijn het niet eens over het NBI van de moeder, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 15.413,- bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2022 van DULO Asbestverwijdering B.V. ten bedrage van € 13.829,- en de jaaropgave 2022 van Service West Onderhoudsbedrijf B.V. ten bedrage van € 1.584,-.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder op het moment van de samenleving op € 1.284,- per maand.

Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 72.473,- bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2022 van [bedrijf] B.V. De rechtbank zal conform het Rapport Alimentatienormen geen rekening houden met de fiscale bijtelling van de auto van de zaak en daarom het salaris volgens de jaaropgave corrigeren met de daarin verwerkte fiscale bijtelling, waarvan de hoogte blijkt uit de overgelegde salarisstroken. Het bedrag van de fiscale bijtelling bedraagt dan (12 x € 507,47 =) € 6.090,-.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader op het moment van de samenleving op € 3.706,- per maand.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2022 dus € 4.990,- per maand (€ 1.284,- (NBI vrouw) + € 3.706,- (NBI man)). Tussen partijen is niet in geschil dat de vader in 2022 een kinderalimentatie van € 254,- per maand aan zijn ex-partner betaalde voor zijn dochter [naam] . Na aftrek van dit bedrag bedroeg het NBGI van partijen in 2022 € 4.736,-. Op basis van dit NBGI hadden partijen geen recht op een kindgebonden budget. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2022 en 4 kinderbijslagpunten, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.044,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.278,- per maand.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht moeder

Tussen partijen is in geschil of aan de moeder verdiencapaciteit moet worden toegekend.

De vader stelt dat er geen reden is waarom de moeder niet meer dan zestien uur zou kunnen werken nu de kinderen twaalf jaar oud zijn en naar school gaan. Indien de moeder bij haar huidige werkgever of elders fulltime zou gaan werken, zouden de kosten van de kinderen evenrediger verdeeld worden tussen de ouders, aldus de vader.

De moeder betwist dat zij meer uren kan gaan werken. Zij stelt dat zij bij haar huidige werkgever niet meer dan haar huidige zestien uren kan werken en dat haar fysieke beperking eraan in de weg staat om eenvoudig elders werk te vinden. Daarnaast geeft de moeder aan dat zij altijd heeft gewerkt onder schooltijd van de kinderen, dat zij veel voor de kinderen heeft gezorgd en dat zij dat wil blijven doen. Ook stelt de moeder dat meer gaan werken per saldo niet veel zou opleveren in het kader van de kinderalimentatieberekening, omdat het kindgebonden budget daardoor lager zou worden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder onvoldoende onderbouwd dat zij niet in staat is om meer uren te gaan werken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De kinderen zijn vijf dagen per week voor een groot deel van de dag op school, waardoor de moeder ook meer dan zestien uur per week zou kunnen werken indien zij enkel of voornamelijk onder schooltijd zou willen werken. Verder heeft de moeder niet gemotiveerd onderbouwd waarom haar fysieke beperking hieraan in de weg staat. Evenmin heeft zij met stukken onderbouwd dat het bij haar huidige werkgever onmogelijk is om meer uren te gaan werken of dat zij niet in staat is om elders passend werk te vinden.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van verdiencapaciteit aan de zijde van de moeder en dat van haar kan worden verwacht dat zij dit benut, aangezien ook de moeder een financiële verplichting jegens de kinderen heeft. De rechtbank acht het redelijk om te rekenen met een schatting van het inkomen dat de moeder zou verdienen als zij 24 uur per week zou werken in haar huidige functie. Uitgaande van de door de moeder overgelegde salarisstroken van 2026 zal de rechtbank een inkomen van € 2.232,- per maand tot uitgangspunt nemen (€ 1.488,08 (huidig brutosalaris na aftrek van premies) * 1,5), te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2026 op € 3.090,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [3.090 – (927 + 1.365)] = € 559,- per maand.

Draagkracht vader

Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 4.861,47 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificaties van 2026.

De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 26,21.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2026 op € 3.786,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [3.786 – (1.136 + 1.365)] = € 900,- per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat de vader sinds februari 2026 een kinderalimentatie van € 360,80 aan de moeder van [naam] betaalt. Dit bedrag komt in mindering op de beschikbare draagkracht van de vader, waardoor zijn draagkracht voor de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 539,- bedraagt.

Gezamenlijke draagkracht

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.098,- per maand (€ 559,- + € 539,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 180,- per maand.

Zorgkorting

Gelet op de zorgregeling die de rechtbank in deze beschikking zal vaststellen, houdt de rechtbank rekening met een zorgkortingspercentage van 5%. De zorgkorting bedraagt dan € 64,- per maand ((5% van € 1.278,- (behoeftebedrag)).

Omdat sprake is van een draagkrachttekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de vader. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dus gelijk aan zijn draagkracht.

Conclusie

Op basis van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de vader aan de moeder met ingang van heden een kinderalimentatie zal betalen van € 539,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Ouderschapsplan

Ten aanzien van het verzoek van de moeder om het ouderschapsplan op te nemen in de beschikking, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is duidelijk geworden dat de vader vrijwel direct na het ondertekenen van het ouderschapsplan heeft aangegeven dat hij het niet (volledig) eens is met de afspraken. Daarom kan niet worden gezegd dat het ouderschapsplan het resultaat is van door de ouders bereikte overeenstemming. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek van de moeder met betrekking tot het ouderschapsplan af.

Proceskosten

Omdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:

*

bepaalt dat de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ;

bij de vader zullen zijn tijdens door de ouders onderling af te spreken wandelmomenten met de hond, alsmede een dag(deel) per maand in onderling overleg nader te bepalen;

*

bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 539,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 augustus 2026.

Artikel delen