Geen toepassing van het jeugdstrafrecht (ASR). Bewezenverklaring diefstal met geweld in vereniging, art. 312 Sr (gewapende overval op een tankstation).
Rechtbank Den Haag 29 September 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:27656
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2026
Datum publicatie
29-09-2026
Zaaknummer
09/046977-26
Rechtsgebied
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:27656text/xmlpublic2026-09-29T16:32:512026-09-22Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-09-1709/046977-26UitspraakEerste aanleg - meervoudigOp tegenspraakNLDen HaagStrafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27656text/htmlpublic2026-09-29T16:32:222026-09-29Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:27656 Rechtbank Den Haag , 17-09-2026 / 09/046977-26 Geen toepassing van het jeugdstrafrecht (ASR). Bewezenverklaring diefstal met geweld in vereniging, art. 312 Sr (gewapende overval op een tankstation).
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/046977-26 Datum uitspraak: 17 september 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] in [land] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 september 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Tuinenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.M.R. van Ginneken naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 3 november 2024 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan tankstation BP Ypenburg, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- dreigend met een hamer en/of mes in de hand de winkel binnen te rennen en/of
- meerdere malen hard tegen de ruit van de kassabalie en/of op de kassabalie te slaan met een hamer en/of een mes en/of
- te schreeuwen 'Geef geld, geef alles wat je hebt!'. 3De bewijsbeslissing3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3. Opgave van bewijsmiddelen De rechtbank zal met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft het tenlastegelegde namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024208236, van de politie eenheid Den Haag, District Westland - Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 519). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: 1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 3 september 2026; 2. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 3 november 2024 (p. 139-141); 3. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 november 2024 (p. 157-164). 3.4. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij op 3 november 2024 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een ander, een hoeveelheid geld, dat aan tankstation BP Ypenburg toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- dreigend met een hamer en mes in de hand de winkel binnen te rennen en
- meerdere malen hard tegen de ruit van de kassabalie en op de kassabalie te slaan met een
hamer en een mes en
- te schreeuwen 'Geef geld, geef alles wat je hebt!'. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft, met toepassing van het volwassenenstrafrecht, gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 55 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf van 120 uren gevorderd. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht de eis van de officier van justitie te volgen. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een tankstation. De verdachten zijn midden in de nacht, in het zwart gekleed en met bivakmutsen op, het tankstation binnengerend. Daarbij hadden zij een mes en een hamer in de hand, waarmee zij herhaaldelijk tegen (de ruit van) de kassabalie hebben geslagen en onder dreiging van dat geweld geld van de aanwezige medewerker hebben geëist. Uiteindelijk hebben de verdachten een geldbedrag van ongeveer € 400,- buitgemaakt. De verdachte heeft daarmee geen enkel respect getoond voor de eigendommen en het veiligheidsgevoel van een ander en heeft zich uitsluitend laten leiden door zijn eigen financiële gewin. Daarbij heeft hij op geen enkele manier rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer, die geen idee had waartoe de verdachten in staat waren. Het is een feit van algemene bekendheid dat een overval ingrijpende en vergaande gevolgen kan hebben voor slachtoffers. Zij kunnen nog lange tijd na de gebeurtenis gevoelens van angst en onveiligheid ervaren, hetgeen bovendien een aanzienlijke impact kan hebben op hun dagelijks leven en functioneren. Naast de gevolgen voor de directe slachtoffers veroorzaken dergelijke misdrijven ook gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juli 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Dit betekent dat het strafblad niet in strafverzwarende zin zal worden meegewogen bij de straftoemeting. Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 1 september 2026. Daaruit blijkt – kort samengevat – dat er ten tijde van het bewezenverklaarde veel speelde in het leven van de verdachte. Inmiddels lijkt zijn woon- en gezinssituatie te zijn gestabiliseerd. De verdachte heeft een diploma behaald. Een vaste dagstructuur ontbreekt echter nog. Hij is werkzoekend, maar heeft ook aangegeven verder te willen studeren. Daarnaast is nog sprake van schuldenproblematiek. De reclassering heeft geen volledig beeld gekregen van het huidige sociale netwerk van de verdachte en de mate waarin hij weerbaar is. Hoewel het feit ongeveer anderhalf jaar geleden plaatsvond en de verdachte sindsdien niet opnieuw is veroordeeld voor een strafbaar feit, lijken de recidiveverhogende factoren nog altijd aanwezig te zijn in zijn leven. Bovendien blijkt dat er gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis geen inhoudelijke uitvoering is gegeven aan de schorsende voorwaarden. De reclassering ziet daarom nog steeds aanknopingspunten voor interventies in een gedwongen kader. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag-gemiddeld. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, de politie of rechtbank, het hebben van een dagbesteding, het meewerken aan het aflossen van schulden en het meewerken aan ambulante begeleiding door een coach of een maatschappelijk werker. Met deze voorwaarden wordt beoogd het risico op recidive te verminderen en verdere stabiliteit te creëren. Daarbij adviseert de reclassering het vonnis over te dragen aan België, gelet op de woonplaats van de verdachte. De reclassering heeft vooraf de uitvoerbaarheid van de geadviseerde voorwaarden in België onderzocht en geconcludeerd dat deze aldaar uitvoerbaar zijn. Geen toepassing van het jeugdstrafrecht
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De verdachte was 18 jaar oud toen hij het bewezen verklaarde feit pleegde. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht. De vraag is of er, in afwijking van dit uitgangspunt, aanleiding is om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Uit het reclasseringsadvies volgt het advies om de verdachte om praktische redenen, verband houdend met zijn woonplaats en de uitvoerbaarheid van het plan van aanpak, volgens het volwassenenstrafrecht te berechten. De rechtbank volgt dit advies en zal daarom het volwassenenstrafrecht toepassen. Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor een overval op een bedrijf met licht geweld of bedreiging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar vermeld.
In dit geval houdt de rechtbank bij de straftoemeting in het voordeel van de verdachte rekening met zijn jonge leeftijd ten tijde van het bewezenverklaarde en met het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat bij de overval sprake is geweest van bedreiging met een wapen en dat de verdachte de overval samen met een ander heeft gepleegd. Gezien de aard en ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank – conform de eis van de officier van justitie – de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 55 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden vindt. Een gedeelte daarvan, namelijk 30 dagen, zal voorwaardelijk worden opgelegd. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De voorwaardelijke straf dient als waarschuwing voor de verdachte en biedt de mogelijkheid voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte met behulp van toezicht en begeleiding. In de aard en ernst van het feit ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte ook een
een taakstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe dat het van belang is dat de verdachte ook nog concrete gevolgen van zijn handelen ondervindt door tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid. De rechtbank vindt een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden. De rechtbank gaat ervan uit dat de officier van justitie de nodige stappen zal ondernemen om voormelde straffen over te dragen aan de Belgische autoriteiten in het kader van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). De officier van justitie kan daartoe contact opnemen met de afdeling WETS-ETM teneinde die overdracht te bewerkstelligen. 7De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen: - 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 312 van het Wetboek van Strafrecht; Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 8De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het
feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; straffen
veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 55 (VIJFENVIJFTIG) DAGEN; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 30 (DERTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: 1. zich gedurende een door de reclassering of een soortgelijke instelling in België te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering of een soortgelijke instelling in België te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering of een soortgelijke instelling in België; 2. zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van een opleiding, betaald werk, onbetaald werk en/of een vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur; 3. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach of een maatschappelijk werker, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt. De begeleiding is gericht op sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, delictpreventie, en/of andere problematiek; 4. gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering of een soortgelijke instelling in België inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland of een soortgelijke instelling in België tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen. veroordeelt de verdachte voorts tot: een taakstraf voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) UREN; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (ZESTIG) DAGEN; het bevel tot voorlopige hechtenis;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde. Dit vonnis is gewezen door
mr. M. de Kleine, kinderrechter, voorzitter,
mr. G.P. Verbeek, rechter,
mr. S.M. van der Schenk, rechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.