Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:27840

Kort geding, executiegeschil, dwangsommen.

Rechtbank Den Haag 1 October 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:27840 text/xml public 2026-10-01T09:23:40 2026-09-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-09-08 C/09/708110 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27840 text/html public 2026-10-01T09:22:37 2026-10-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:27840 Rechtbank Den Haag , 08-09-2026 / C/09/708110
Kort geding, executiegeschil, dwangsommen.
RECHTBANK Den Haag
Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/708110 / KG ZA 26-736

Vonnis in kort geding van 8 september 2026

in de zaak van

[de moeder] te [woonplaats 1],

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [de moeder],

advocaat: mr. C.E. van der Meijs,

tegen

[de vader] te [woonplaats 2],

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna te noemen: [de vader],

advocaat: mr. J.L.J. Kapteijn.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13;- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 11;

- de door [de moeder] overgelegde producties 14 en 15;- de op 25 augustus 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige]. [minderjarige] is thans ruim tweeëneenhalf jaar oud en woont bij [de moeder].
2.2.
Op 11 september 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag in een procedure tussen partijen bij vonnis een voorlopige (opbouwende) omgangsregeling tussen [minderjarige] en [de vader] vastgesteld. Deze omgangsregeling houdt kort gezegd in dat:

[minderjarige] en [de vader] eerst drie keer contact hebben begeleid door een door [de moeder] aan te wijzen persoon en vervolgens drie keer onbegeleid;

[minderjarige] na deze opbouwperiode één keer per week, onbegeleid, bij [de vader] is, afwisselend de ene week op maandag en de andere week op zaterdag, waarbij [de vader] verantwoordelijk is voor het halen en brengen van [minderjarige];

[de moeder] een dwangsom van € 150 verbeurt voor iedere dag of ieder dagdeel dat zij de voorlopige omgangsregeling niet nakomt, tot een maximum van € 3.000.
2.3.
[de moeder] heeft in verband met dat vonnis tussen 18 november 2025 en 11 maart 2026 in totaal een bedrag van € 3.000 aan dwangsommen betaald aan [de vader].
2.4.
[de moeder] is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van 11 september 2025.
2.5.
Bij arrest van 10 maart 2026 heeft het hof Den Haag (hierna: het arrest) het vonnis van 11 september 2025 bekrachtigd en in aanvulling daarop, kort gezegd, bepaald dat:

de overdrachtsmomenten zullen worden begeleid door de vader van [de moeder], waarbij het aan [de moeder] is om te kiezen of (i) [de vader] [minderjarige] ophaalt bij [de moeder] in aanwezigheid van de vader van [de moeder] of (ii) [de vader] [minderjarige] ophaalt bij de vader van [de moeder];

[de moeder] met ingang van de datum van het arrest een dwangsom van € 300 verbeurt voor iedere dag of ieder dagdeel dat zij de door de voorzieningenrechter in het vonnis vastgestelde voorlopige omgangsregeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000.
2.6.
Op 30 maart, 11, 25 en 27 april en 9 en 11 mei 2026 had ingevolge de rechterlijke uitspraken omgang moeten plaatsvinden tussen [minderjarige] en [de vader]. Op deze dagen heeft geen omgang plaatsgevonden.
2.7.
Op 9 juni 2026 heeft een deurwaarder in opdracht van [de vader] aan [de moeder] om betaling verzocht van op basis van het arrest verbeurde dwangsommen. Op 24 juni 2026 heeft de deurwaarder executoriaal derdenbeslag gelegd op het loon van [de moeder].
<nr>3</nr>Het geschil
In conventie
3.1.
[de moeder] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [de vader] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis alle beslagen ten laste van [de moeder] gelegd uit kracht van het arrest op te heffen, op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van € 2.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [de vader] in gebreke zou blijven om hieraan te voldoen, althans onder verbeurte van een dwangsom door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag per dag of dagdeel;

II. [de vader] te verbieden op basis van de in de dagvaarding genoemde stellingnames opnieuw tot executie over te gaan, onder verbeurte van een dwangsom van € 250 per keer dat [de vader] toch overgaat tot executie, althans onder verbeurte van een dwangsom door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag per dag of dagdeel;

III. [de vader] te verplichten om het bedrag dat reeds via het loonbeslag is geïnd, terug te betalen aan [de moeder], althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

IV. [de vader] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
[de vader] heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover van belang, nader wordt ingegaan.

In reconventie
3.3.
[de vader] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [de moeder] te veroordelen in de kosten van deze procedure, de kosten van de advocaat van [de vader] daaronder begrepen, ter hoogte van € 3.172,40, dan wel het bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie meent te behoren.
3.4.
[de moeder] heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover van belang, nader wordt ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling
In conventie

Spoedeisend belang
4.1.
Een vordering strekkende tot het voorkomen van de uitvoering van een executoriaal beslag is naar zijn aard voldoende spoedeisend om behandeling en beslissing in kort geding te kunnen rechtvaardigen. [de vader] wordt dan ook niet gevolgd in zijn verweer dat de vorderingen moeten worden afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Inleiding
4.2.
Tussen partijen is in geschil of [de moeder] dwangsommen heeft verbeurd wegens het niet nakomen van de omgangsregeling op 30 maart, 11, 25 en 27 april en 9 en 11 mei 2026 en zo ja, of de verbeurde dwangsommen door [de vader] mogen worden geëxecuteerd.
4.3.
Bij de beoordeling van dit geschil stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop.

i) Aan de executant komt de bevoegdheid toe een ten gunste van hem gewezen uitspraak ten uitvoer te leggen en de tenuitvoerlegging van een executoriale titel mag zo min mogelijk worden belemmerd. Indien vervolgens onenigheid tussen partijen ontstaat in relatie tot de executie, kan een executiegeschil aanhangig worden gemaakt op basis van artikel 438 Rv.

ii) In een executiegeschil kan aan de orde komen of dwangsommen zijn verbeurd. De executierechter dient in dat geval te beoordelen of de voorwaarden waaronder de dwangsom is verschuldigd, zijn vervuld, waarbij de executierechter nadrukkelijk niet tot taak heeft de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen.

iii) De beantwoording in een executiegeschil van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient (wanneer sprake is van een veroordeling om iets te doen) plaats te vinden door een toetsing van de handelingen die ter uitvoering van het veroordelend vonnis zijn verricht aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De rechter mag bij zijn uitleg van de veroordeling maatstaven van redelijkheid en billijkheid hanteren.

iv) De stelplicht en bewijslast dat dwangsommen zijn verbeurd, rusten in de executiefase op de executant. In kort geding zijn de wettelijke regels van bewijsrecht niet van toepassing, in die zin dat er in beginsel geen plaats is voor nadere bewijslevering. Voldoende is dat feiten aannemelijk zijn. Wanneer in kort geding moet worden beoordeeld of al dan niet dwangsommen zijn verbeurd en in dat kader of gedragingen hebben plaatsgevonden die onder het verbod of gebod vallen, is het dan ook voldoende dat die feiten aannemelijk zijn gemaakt.
4.4.
[de moeder] betwist niet dat geen omgang heeft plaatsgevonden op de relevante data, maar betoogt dat zij om verschillende redenen geen dwangsommen is verschuldigd. Naar voorlopig oordeel heeft [de moeder] dwangsommen verbeurd op 11, 25 en 27 april en 9 en 11 mei 2026. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

30 maart 2026
4.5.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het volgens de omgangsregeling aan [de vader] is om [minderjarige] op te halen. [de moeder] moet volgens het arrest kiezen waar [de vader] [minderjarige] kan ophalen: bij de vader van [de moeder] of bij [de moeder] zelf.
4.6.
[de moeder] voert aan dat zij op 30 maart 2026 klaarstond met [minderjarige], maar dat [de vader] [minderjarige] niet heeft opgehaald. Het ligt volgens [de moeder] dus niet aan haar dat geen omgang heeft plaatsgevonden, maar aan [de vader] zelf.
4.7.
[de vader] stelt dat hij op 30 maart 2026 niet is verschenen, omdat het voor hem niet duidelijk was waar hij [minderjarige] kon ophalen. In dat verband heeft hij erop gewezen dat zijn advocaat bij e-mails van 24 en 26 maart 2026 om duidelijkheid heeft gevraagd over het ophalen op 28 maart 2026 en dat op beide mails niet is gereageerd. Die e-mails gaan echter over het contactmoment op 28 maart 2026 en niet over dat van 30 maart. Verder is gebleken dat op 28 maart 2026, ondanks het feit dat op de twee genoemde e-mails niet was gereageerd, wel omgang heeft plaatsgevonden tussen [de vader] en [minderjarige]. Kennelijk stond het door [de moeder] niet reageren op die e-mails daaraan niet in de weg. Dat en op welke wijze [de vader] contact heeft gezocht met [de moeder] of haar vader over 30 maart 2026, blijkt nergens uit. Bij die stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat het aan [de moeder] te wijten is dat op 30 maart 2026 geen omgang heeft plaatsgevonden. [de moeder] is voor die datum naar voorshands oordeel dan ook geen dwangsom verschuldigd.

11 april 2026
4.8.
[de moeder] stelt dat [minderjarige] op 11 april 2026 ziek was, de hele dag op de bank lag en weinig fut had om iets anders te doen, vermoedelijk omdat zij tandjes kreeg. Als een kind zich ziek voelt, zal het steun zoeken bij de hoofdverzorger en in die omgeving willen blijven, volgens [de moeder]. Mede in het licht van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid meent [de moeder] dat zij gelet op deze omstandigheden geen dwangsom verschuldigd is.
4.9.
[de vader] betwist dat [minderjarige] die dag ziek was. Hij wijst erop dat de advocaat van [de moeder] op 10 april 2026 aan zijn advocaat heeft gemaild dat het volgende contactmoment begeleid zou moeten zijn in verband met gedragsverandering van [minderjarige]. Daarmee heeft [de vader] toen niet ingestemd. Vervolgens schreef de advocaat van [de moeder] diezelfde dag om 14:56 uur ineens dat [minderjarige] ziek is en het contactmoment op 11 april niet kan doorgaan. Daarna heeft op 13 april 2026 wel omgang plaatsgevonden, waarbij volgens [de vader] geen sprake was van ziekte. Gelet daarop had het op de weg van [de moeder] gelegen om nader te onderbouwen dat [minderjarige] op 11 april 2026 dusdanig ernstig ziek was dat omgang met [de vader] op die dag niet in haar belang was. [de moeder] heeft daarvan echter geen begin van bewijs bijgebracht. Bij die stand van zaken luidt de voorlopige conclusie dat [de moeder] wegens het niet doorgaan van de omgang op 11 april 2026 een dwangsom heeft verbeurd.

25 en 27 april en 9 en 11 mei 2026
4.10.
Voor 25 en 27 april en 9 en 11 mei 2026 geldt dat [de moeder] met [minderjarige] met vakantie was, en dat de contactmomenten volgens [de moeder] daarom niet konden doorgaan. [de moeder] voert aan dat de vakanties aan haar zijn aangeboden door vrienden en familie en zij die – gezien haar financiële positie en in het belang van [minderjarige] – niet kon afslaan. Volgens [de moeder] houdt de omgangsregeling geen rekening met vakanties, terwijl die mogelijkheid er wel zou moeten zijn.
4.11.
[de vader] meent dat vakantie van [de moeder] geen grondslag vormt om de omgangsregeling eenzijdig op te schorten. Hij betoogt, naar het oordeel van voorzieningenrechter terecht, dat partijen over een vakantie met elkaar dienen te overleggen. Van deugdelijk overleg is blijkens de overgelegde stukken echter geen sprake geweest. Op 21 april 2026 heeft de advocaat van [de moeder] per e-mail aan de advocaat van [de vader] geschreven dat de contactmomenten op 25 en 27 april en 9 en 11 mei 2026 in verband met geplande vakanties (van 24 tot en met 27 april en van 4 tot en met 11 mei 2026) niet konden doorgaan. Daarbij heeft [de moeder] één vervangende dag voorgesteld, en aangegeven dat het contact op die vervangende dag onder haar begeleiding zou plaatsvinden. [de vader] heeft daarop gereageerd dat hij contact onder begeleiding niet accepteert. Ter zitting is van de zijde van [de moeder] verklaard dat daarop op vrijdag 24 april 2026 is gereageerd, maar het is de voorzieningenrechter niet helder geworden wat in dat e-mailbericht staat. De e-mail is niet overgelegd en van de zijde van [de vader] is gesteld dat daarin in elk geval geen concreet aanbod stond voor vervangende omgang met [minderjarige].
4.12.
Het doel en de strekking van de omgangsregeling is dat [minderjarige] op regelmatige basis en onbegeleid contact heeft met [de vader]. Het ligt naar voorshands oordeel daarom op de weg van [de moeder] om haar vakantieplannen tijdig met [de vader] te bespreken en daarbij gelijkwaardige alternatieve contactmomenten voor te stellen. In dit geval, waarin zij telkens maar een paar dagen (precies samenvallend met de omgangsdagen) weg zou gaan, had omgang op andere dagen in of rondom diezelfde weken bijvoorbeeld voor de hand gelegen. Uit de overgelegde correspondentie blijkt echter dat [de moeder] [de vader] heel kort van tevoren heeft meegedeeld dat zij er op vier omgangsdagen niet zou zijn en slechts één inhaaldag heeft aangeboden, die dan ook nog eens begeleid zou moeten plaatsvinden. Dat is in strijd met het doel en de strekking van de omgangsregeling. Anders dan [de moeder] betoogt, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter in deze omstandigheden dus ook niet onredelijk dat [de vader] vasthoudt aan de vastgestelde omgangsregeling. De conclusie is dan ook dat [de moeder] naar voorshands oordeel dwangsommen heeft verbeurd wegens het niet plaatsvinden van omgang op 25 en 27 april en 9 en 11 mei 2026.
4.13.
[de moeder] voert ten slotte aan dat [de vader] ook een vakantie heeft aangekondigd en daarom contactmomenten heeft afgezegd. Dit leidt niet tot een andere uitkomst. [de vader] heeft deze vakantie namelijk vier maanden van te voren gemeld, [de moeder] heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt en [de vader] is niet veroordeeld om een dwangsom te betalen als hij de omgangsregeling niet nakomt.

Tussenconclusie
4.14.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [de moeder] in totaal een bedrag van € 1.500 aan dwangsommen heeft verbeurd.

Geen verrekening eerder betaalde dwangsommen
4.15.
[de moeder] wordt niet gevolgd in haar stelling dat zij dit bedrag, door verrekening, al aan [de vader] heeft voldaan omdat zij onverschuldigd dwangsommen heeft betaald tot een bedrag van € 2.250. Het gaat daarbij kennelijk – zo begrijpt de voorzieningenrechter – om de dwangsommen die [de moeder] heeft betaald over de periode november 2025 tot maart 2026. Volgens [de moeder] heeft zij die dwangsommen onverschuldigd betaald, omdat [de vader] vanaf november 2025 niet meer is gekomen om [minderjarige] op te halen. [de vader] betoogt dat deze dwangsommen wel degelijk verschuldigd waren en terecht zijn betaald, omdat [de moeder] in die periode niet wilde meewerken en daarom steeds vrijwillig de dwangsommen betaalde. Daarom zijn volgens hem de dwangsommen in het arrest ook verhoogd.
4.16.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting van de blote stellingen van [de moeder] is voorshands niet voldoende aannemelijk dat bedoelde dwangsommen onverschuldigd zijn betaald. Het beroep van [de moeder] op verrekening slaagt dus niet.

Financiële situatie van [de moeder]
4.17.
[de moeder] betoogt ten slotte dat zij in een slechte financiële situatie zit en heeft gehandeld in het belang van [minderjarige]. Daarom moeten de dwangsommen volgens haar worden gematigd tot een redelijk geacht bedrag.
4.18.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat als een dwangsom eenmaal is verbeurd, deze ten volle toekomt aan – in dit geval – [de vader] (artikel 611c Rv). De rechter die de dwangsom heeft opgelegd kan een dwangsom verminderen in geval van onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen, maar niet voorzover een dwangsom is verbeurd voordat de onmogelijkheid intrad (artikel 611d Rv). Matiging van de reeds verbeurde dwangsommen in deze procedure is dus niet mogelijk. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat zij ook geen aanleiding ziet voor matiging.
4.19.
Wel kan de executie worden geschorst als door de executie aan de zijde van [de moeder] op grond van na het arrest aan het licht gekomen feiten een noodtoestand ontstaat, waardoor tenuitvoerlegging van het arrest niet kan worden aanvaard. [de moeder] heeft echter onvoldoende onderbouwd dat daar sprake van is. [de vader] heeft weliswaar beslag gelegd op het loon van [de moeder], maar gaat ervanuit dat daarbij rekening is gehouden met de beslagvrije voet. [de moeder] wijst op het feit dat zij bij de voedselbank is aangemeld, maar daaruit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat sprake is van een noodtoestand. Het hof Den Haag heeft de dwangsom in het arrest juist verhoogd van € 150 naar € 300 – ook met inachtneming van de financiële situatie van [de moeder] – omdat de dwangsom van € 150 blijkbaar te laag was en geen voldoende prikkel om de omgangsregeling na te komen. De voorzieningenrechter ziet dus geen aanleiding om de executie te schorsen.

Slotsom
4.20.
Hiervoor is overwogen dat [de moeder] tot een bedrag van € 1.500 aan dwangsommen heeft verbeurd. Ter zitting is gebleken dat daarvan inmiddels slechts een bedrag van € 146,19 is voldaan in het kader van de executie van het arrest. Bij die stand van zaken ziet de voorzieningenrechter geen grond om de uit kracht van het arrest gelegde executoriale beslagen op te heffen of hetgeen reeds via het loonbeslag is geïnd te laten terugbetalen. De vorderingen onder I en III zullen daarom worden afgewezen. De voorzieningenrechter heeft geen enkele aanwijzing dat [de vader] voornemens is eerder aangezegde maar niet verbeurde dwangsommen (ter zake van de omgang op 30 maart en 4 april 2026) te gaan executeren. Gelet daarop wordt ook de vordering onder II afgewezen.
4.21.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het belang van [de moeder] bij het stoppen van de executie weegt minder zwaar dan dat van [de vader] bij het voortzetten ervan. Dat is immers zijn enige drukmiddel om [de moeder] te bewegen de omgang met zijn dochter te laten plaatsvinden.

In reconventie
4.22.
[de vader] vordert veroordeling van [de moeder] in zijn werkelijke proceskosten.
4.23.
Voor toewijzing van de werkelijke proceskosten is alleen plaats in geval van buitengewone omstandigheden. Daarvan is sprake als het instellen van de vordering of het voeren van verweer daarin, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als eiser zijn vordering of gedaagde zijn verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure of het voeren van verweer daarin past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.
4.24.
Van het bestaan van de hiervoor bedoelde buitengewone omstandigheden is niet gebleken. Daartoe is al redengevend dat [de moeder] in de dagvaarding terecht bezwaar heeft gemaakt tegen het standpunt van [de vader] dat zij op 30 maart en op 4 april 2026 dwangsommen heeft verbeurd. Dat betekent dat deze vordering wordt afgewezen.

Proceskosten in conventie en in reconventie
4.25.
Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten tussen partijen in conventie en in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter:

in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [de moeder] af;

in reconventie
5.2.
wijst de vordering van [de vader] af;

in conventie en in reconventie
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.

3557

Artikel delen