Afwijzing van de verzoeken tot het bepalen van de hoofdverblijfplaats
Rechtbank Den Haag 2 October 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:28086
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2026
Datum publicatie
02-10-2026
Zaaknummer
C/09/707103 / FA RK 26-5958
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:28086text/xmlpublic2026-10-02T07:23:392026-09-25Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-25C/09/707103 / FA RK 26-5958UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigBeschikkingNLDen HaagCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28086text/htmlpublic2026-10-02T07:23:092026-10-02Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:28086 Rechtbank Den Haag , 25-08-2026 / C/09/707103 / FA RK 26-5958 Afwijzing van de verzoeken tot het bepalen van de hoofdverblijfplaats
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 26-5958
Zaaknummer: C/09/707103
Datum beschikking: 25 augustus 2026 Hoofdverblijfplaats Beschikking op het op 12 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader], de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.K. Gopal te Den Haag. Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder], de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken; het bericht van 18 juli 2026, met bijlagen, van de moeder; het bericht van 21 juli 2026, met bijlagen, van de moeder. Op 28 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Feiten Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te
[geboorteplaats]
. Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit. Bij proces-verbaal van de behandeling in kort geding van 21 juli 2026 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – door de ouders overeengekomen dat: De zorg voor [minderjarige] tijdens de zomervakantie tussen de ouders wordt gedeeld als volgt: de moeder heeft de zorg voor [minderjarige] tot maandag 3 augustus 2026, waarbij het wisselmoment op maandagochtend om 09:00 uur is; de vader heeft vervolgens twee weken [minderjarige] bij zich van 3 augustus 2026 tot
17 augustus 2026 09:00 uur; daarna heeft de moeder [minderjarige] weer een week bij zich en aansluitend de vader een week. Indien na afloop van de zomervakantie nog geen bodembeslissing voor handen is. Zullen de ouders voorlopig om en om in de woning gaan verblijven. De moeder verblijft dan in de woning van zondagochtend tot woensdagmiddag en de vader van woensdagmiddag uit school tot zondagochtend 09:30 uur. De eerste keer dat de moeder haar deel in de woning verblijft start op 30 augustus 2026. De wisseling op woensdag vindt plaats doordat de vader [minderjarige] uit school haalt en vervolgens naar huis gaat. De wisseling op zondagochtend vindt plaats om 09:30 uur. De ouders hebben dan om de beurt de zorg voor [minderjarige] in de woning. Verzoek en verweer De vader verzoekt: te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader is; te bepalen dat de dagelijkse zorg en opvoeding over [minderjarige] aan de vader wordt toevertrouwd; aan de vader vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige] in te schrijven in de Basisregistratie Personen van de gemeente waar de vader woont,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de moeder zelfstandig: primair te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder is; subsidiair de Raad te gelasten een onderzoek in te stellen naar de vraag bij welke ouder [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats dient te hebben en welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] is en in afwachting van het raadsonderzoek:
[minderjarige] voorlopig aan de moeder toe te vertrouwen; een voorlopige zorgregeling te bepalen; althans een zodanige regeling als de rechtbank – in het belang van [minderjarige] – juist acht,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Beoordeling Vervangende toestemming en toevertrouwing
Op de zitting heeft de vader zijn verzoeken over de inschrijving in de Basisregistratie Personen en de voorlopige toevertrouwing van [minderjarige] ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist. Hoofdverblijfplaats
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of één van hen onder meer een beslissing nemen ten aanzien van de hoofdverblijfsplaats. De rechtbank dient, gelet op artikel 1:253a BW, een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Inhoudelijke beoordeling
Algemeen
Op 18 januari 2026 heeft de moeder de gezamenlijke huurwoning samen met [minderjarige] verlaten en is zij naar de woning van de oma van moederszijde vertrokken. Kort daarna heeft de moeder [minderjarige] weer naar de vader teruggebracht. De moeder geeft aan dat zij is vetrokken omdat zij langdurig slachtoffer is geweest van intieme terreur door de vader. Uiteindelijk heeft zij hiervoor hulp gezocht bij [zorginstantie 1] en [zorginstantie 2]. De vader verblijft op dit moment in de gezamenlijke huurwoning van partijen. De moeder verblijft op dit moment bij de oma en stiefopa van moederszijde. Recentelijk hebben de ouders afspraken gemaakt, waarbij zij voorlopig afwisselend in de gezamenlijke huurwoning verblijven om voor [minderjarige] te zorgen. Hoofdverblijfplaats
Beide ouders verzoeken de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hen vast te stellen. Op de zitting is aan beide ouders gevraagd welk belang zij hebben bij een beslissing hierover. De vader geeft aan dat hij ongeveer elf tot twaalf jaar geleden via de [zorginstantie 1] in aanmerking is gekomen voor deze woning, dit is een vertrouwde omgeving voor hem. De vader stelt dat hij geen andere verblijfplaats heeft. De moeder stelt dat de woning destijds enkel aan partijen is toegewezen omdat zij aan de inkomenseis voldeed en sindsdien de lasten van de gezamenlijke huurwoning heeft gedragen. De moeder voert aan dat zij niet langdurig bij de oma en stiefopa van moederszijde kan blijven. De rechtbank begrijpt dat de aanleiding voor dit verzoek is gelegen in het voornemen van de ouders om in een andere procedure het huurrecht van de woning te vorderen. Vooruitlopend daarop verzoeken zij in deze procedure de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hen vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat de ouders daarmee geen rechtens te respecteren belang hebben bij hun verzoeken. De vraag wie het huurrecht van de woning toekomt, dient te worden beoordeeld in een daarvoor geëigende procedure. De rechtbank zal daarop in deze procedure niet vooruitlopen. Nu de ouders geen rechtens te respecteren belang hebben bij een beslissing over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige], wijst de rechtbank de verzoeken daartoe af. Raadsonderzoek
De moeder verzoekt subsidiair om een raadsonderzoek te gelasten waarbij – indien dit verzoek wordt toegewezen – [minderjarige] voorlopig aan de moeder wordt toevertrouwd en een voorlopige zorgregeling wordt bepaald. Inhoudelijke beoordeling
Net als de Raad ziet de rechtbank geen aanleiding om een onderzoek te gelasten. De ouders, en met name [minderjarige], zijn gebaat bij een snelle beslissing die duidelijkheid biedt over de woonsituatie. Het is van belang dat [minderjarige] bij beide ouders een plek heeft waar hij goed kan worden verzorgd. De rechtbank acht een onderzoek door de Raad hiervoor niet noodzakelijk en verwacht niet dat een dergelijk onderzoek bijdraagt aan een oplossing hiervoor. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder daarom af. Beslissing De rechtbank: wijst de verzoeken af. Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.N. van Megesen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2026.