Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBGEL:2026:5976

Kort geding. Schorsing exectutie.

Rechtbank Gelderland 30 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2026:5976 text/xml public 2026-07-30T12:08:25 2026-07-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-09 C/05/463605 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5976 text/html public 2026-07-30T12:07:23 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:5976 Rechtbank Gelderland , 09-04-2026 / C/05/463605
Kort geding. Schorsing exectutie.
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: C/05/463605 / KZ ZA 26-25

Vonnis in kort geding van 9 april 2026

in de zaak van
<nr>1</nr>HET VOSSENHOL B.V.,
statutair gevestigd te Ermelo,2. PARQIO LEISURE BV,

statutair gevestigd te Ermelo,3. FORESTPARQ VELUWE VASTGOED B.V.,

statutair gevestigd te Ermelo,4. [bedrijf 1],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,5. [eiser 1],

wonende te [woonplaats] ,6. GREEN HOME DEVELOPMENTS BV,

statutair gevestigd te Ermelo,7. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,8. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: Het Vossenhol c.s.,

advocaat: mr. P.G.F.M. van Oss,

tegen

[gedaagd bedrijf ] B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. A.W. van Hooijen.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 3 van Het Vossenhol c.s. - de stukken uit het vorige kort geding met zaaknummer C/05/461938 / KZ ZA 26-5 ingebracht door Het Vossenhol c.s.- de mondelinge behandeling van 2 april 2026- de pleitnota van Het Vossenhol - de conclusie van antwoord / pleitnota van [gedaagde] .

2. De feiten
2.1.
In het kort geding vonnis van 11 februari 2026, in de procedure C/05/461938 / KZ ZA 26-5 tussen deze partijen, heeft de voorzieningenrechter onder meer een door [gedaagde] ten laste van Het Vossenhol B.V. gelegd beslag opgeheven en een ten laste van ForestParq Veluwe Vastgoed B.V. gelegd beslag geschorst. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter alle executiemaatregelen geschorst die naast die beslagleggingen hebben plaatsgehad en heeft zij [gedaagde] veroordeeld om de geïncasseerde gelden terug te betalen die zijn getroffen door het opgeheven beslag. Voor de onderliggende feiten en de motivering wordt verwezen naar dat vonnis.
2.2.
Op 12 februari en 18 februari 2026 heeft de deurwaarder in opdracht van [gedaagde] op basis van de grosse van een op 20 augustus 2025 door de rechtbank opgemaakt proces-verbaal, executoriaal beslag gelegd op de bankrekeningen van Green Home Developments B.V. en ParQio Leisure B.V. voor een hoofdsom van € 350.000,-.
2.3.
Bij vonnis van 20 februari 2026 (zaaknummer: C/05/459664 / KZ ZA 25-191) is Het Vossenhol c.s. veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] . [gedaagde] heeft executiemaatregelen aangekondigd om te komen tot incasso hiervan.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
Het Vossenhol c.s. vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
3.1.1.
de executie zoals blijkend uit de exploten van 12 februari en 18 februari 2026 ten laste van ParQio Leisure B.V. en Green Home Developments B.V. te schorsen en daarbij [gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die door die executie zijn geïncasseerd;
3.1.2.
te schorsen eventuele executiemaatregelen die na of naast de onder 3.1.1 genoemde

executiemaatregelen zijn doorgevoerd in de tijd totdat de voorzieningenrechter vonnis wijst;
3.1.3.
[gedaagde] te verbieden, executiemaatregelen te (doen) treffen ten laste van Het Vossenhol c.s. (of één van hen) tot incasso van de eerste en/of tweede verkoperslening en/of de restantkoopsom voor de aandelen zoals benoemd in de koopovereenkomst van 4 februari 2025, zolang als niet bij uitvoerbaar vonnis is vastgesteld dat aan [gedaagde] , ondanks het beroep van Het Vossenhol c.s. op verrekening, een vordering toekomt op Het Vossenhol c.s. dan wel één van hen, en met bepaling dat [gedaagde] een dwangsom van € 50.000 verbeurt per keer en per dag dat zij met voldoening aan dit verbod in gebreke blijft, met een maximaal aan dwangsommen te verbeuren bedrag van € 1.000.000,-, althans een in goede justitie te bepalen (andere) dwangsom;
3.1.4.
voorlopig te oordelen, dat de proceskostenveroordeling ten bedrage van € 7.050,00 zoals opgenomen in het kortgedingvonnis van 20 februari 2026 door een beroep op verrekening zijdens Het Vossenhol c.s. is betaald, en aldus aan [gedaagde] te verbieden, executiemaatregelen te (doen) treffen ten laste van Het Vossenhol c.s. (of één van hen) tot incasso van die proceskostenveroordeling uit het kortgedingvonnis van 20 februari 2026, en met bepaling dat [gedaagde] een dwangsom van € 50.000 verbeurt per keer en per dag dat zij met voldoening aan dit verbod in gebreke blijft, met een maximaal aan dwangsommen te verbeuren bedrag van € 1.000.000, althans een in goede justitie te bepalen (andere) dwangsom;
3.1.5.
[gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure
3.2.
Het Vossenhol c.s. leggen – kort weergegeven – aan de vorderingen het volgende ten grondslag.

In het vonnis van 11 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het ten aanzien van de opeisbare vordering tot terugbetaling van de tweede verkoperslening van € 350.000,00 aannemelijk is dat Het Vossenhol c.s. zich terecht beroepen op verrekening en dat daarom het treffen van executiemaatregelen zonder rechterlijk oordeel onrechtmatig is. Dit geldt dus ook voor de onderhavige executie op basis van het schikkingsproces-verbaal van 20 augustus 2026. Het Vossenhol c.s. zullen een bodemprocedure starten om een veroordeling te krijgen voor het te verrekenen bedrag, waarbij ook nog andere vorderingen zullen worden opgenomen zoals schade die is ontstaan door fraude met administratiekosten. Gelet op de gedragingen van [gedaagde] is voldoende duidelijk dat zij op onrechtmatige wijze zonder gerechtelijke tussenkomst tot executiemaatregelen overgaat en moet executie haar worden verboden totdat vaststaat dat aan haar – na verrekening van de door Het Vossenhol c.s. geleden schade – nog een vordering toekomt. Ook de proceskostenveroordeling uit het vonnis van 20 februari 2026 is door verrekening teniet gegaan, zodat ook ten aanzien daarvan een verbod op executiemaatregelen aan [gedaagde] moet worden opgelegd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Het Vossenhol c.s., met veroordeling van hen in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert – kort weergegeven – het volgende aan.

[gedaagde] heeft een opeisbare vordering op zowel ParQio Leisure B.V. als Green Home Developments B.V. Het door hen gevoerde verrekeningsverweer moet worden gepasseerd, nu de gestelde ‘tegenvordering’ niet liquide is. De inhoud van de vordering is namelijk niet zodanig bepaald dat die zonder meer vaststaat en de vordering wordt door [gedaagde] betwist zodat de rechtmatigheid daarvan een langdurige rechtszaak zal vereisen. [gedaagde] hoeft daar voor executie van haar opeisbare vordering in redelijkheid niet op te wachten. Ook zijn ParQio Leisure B.V. en Green Home Developments B.V. niet bevoegd zich op verrekening te beroepen omdat niet zij, maar ForestParq Veluwe Vastgoed B.V. beweerdelijk een vordering heeft op [gedaagde] . De enkele vermelding dat sprake zou zijn van een cessie tussen deze partijen is onvoldoende. Anders dan in het vonnis van 11 februari 2026 beperkt het onderhavige executoriale beslag zich alleen tot de opeisbare en executeerbare tweede verkoperslening. Daarmee zijn de in het vonnis van 11 februari 2026 genoemde ‘gronden’ niet aanwezig. Bovendien heeft [gedaagde] hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, zodat dit niet in kracht van gewijsde is gegaan. Voor wat betreft het algehele verbod op executiemaatregelen wordt er niets gesteld en is er ook geen enkele aanleiding om te vermoeden of aan te nemen dat [gedaagde] op een onrechtmatige wijze gebruik zou maken van de haar wettelijke toekomende rechten tot het leggen van bewarend/conservatoir beslag. De beslagrechter kan daarin een afweging maken van de rechtmatigheid van de door [gedaagde] gedane beslagverzoeken. Daarmee zijn ook de andere eisers voldoende en in alle redelijkheid beschermd. De vordering onder 3.1.4. betreft een verklaring voor recht waarvoor geen plaats is in kort geding.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
Voorop moet worden gesteld dat in het kader van dit kort geding slechts een

voorlopig oordeel kan worden gegeven over de rechtsverhouding van partijen aan de hand

van de toepasselijke materiële rechtsregels en na een afweging van de wederzijdse belangen.

Het voorlopige oordeel in dit kort geding moet gebaseerd zijn op de ten tijde van de

behandeling van het kort geding bekende feiten en omstandigheden. Voor nadere

bewijslevering en onderzoek zoals in een bodemprocedure is in kort geding geen plaats.

Bepalend is dus of feiten die relevant zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering

voldoende aannemelijk zijn geworden op grond van hetgeen partijen in

deze kort gedingprocedure over en weer naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid
4.2.
Ondanks dat niet alle eisers getroffen zijn door het beslag hebben zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel allemaal een rechtens te respecteren belang bij de ingestelde vorderingen, nu zij ofwel partij zijn bij de verkoperslening, dan wel omdat zij daarvoor borg staan en – zoals in het vonnis van 11 februari 2026 al is overwogen – de raadsman van [gedaagde] heeft gedreigd ook de partijen die als borg zijn gesteld aan te spreken.

Executoriaal beslag
4.3.
Tijdens een mondelinge behandeling in kort geding van 20 augustus 2025 hebben [gedaagde] enerzijds en Green Home Developments B.V. en ParQio Leisure B.V. anderzijds een schikking getroffen, waarbij zij onder meer zijn overeengekomen dat de verkoperslening van € 350.000,00 vervroegd wordt afgelost te weten uiterlijk op 30 november 2025. In het vonnis van 11 februari 2026 is al overwogen dat [gedaagde] daarmee ten aanzien van de tweede verkoperslening van € 350.000,00 in beginsel een vordering heeft op ParQio Leisure B.V. en Green Home Developments B.V., zodat zij in het onderhavige geval ook op grond van het door de rechtbank op 20 augustus 2025 opgestelde schikkingsproces-verbaal executoriaal beslag kon leggen ten laste van die vennootschappen.
4.4.
Echter, de voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 11 februari 2026 ook overwogen dat voldoende aanleiding bestaat om aan te nemen dat Het Vossenhol c.s. schade hebben geleden doordat [gedaagde] niet aan ParQio Leisure B.V. en ForestParq Veluwe Vastgoed B.V. heeft geleverd wat zij bij koopovereenkomst hebben afgesproken. Daarbij zijn er sterke aanwijzingen dat [gedaagde] bij de vervreemding van die betreffende activa is betrokken, omdat de toenmalige advocaat van [gedaagde] heeft erkend dat [persoon] betrokken was bij de levering en verkoop van in ieder geval de ontbrekende chalets. Daarbij is de hoogte van de verrekenbare vordering door [gedaagde] betwist, maar Het Vossenhol c.s. hebben wel onbetwist gesteld dat het ging om nieuwe chalets waarvan de waarde in de bijlagen bij de koopovereenkomst is vastgesteld. Hoewel deze kort geding procedure zich niet leent voor een vaststelling van het (totaal) te verrekenen bedrag, is de vordering tot verrekening op grond van het voorgaande wel voldoende liquide, zodat ook in dit geval de executie voor deze tweede verkoperslening zal worden geschorst, evenals de eventuele executie-maatregelen die daarnaast of daarna nog zijn doorgevoerd tot heden. Nu [gedaagde] ter zitting heeft erkend dat zij niet heeft voldaan aan de veroordeling in het vonnis van 11 februari 2026 om de onrechtmatig geïncasseerde gelden die zijn getroffen door het in dat vonnis onder 5.1. vermelde en opgeheven beslag terug te betalen (in totaal ongeveer € 39.000,00,) en zij zich niets aan lijkt te trekken van een rechterlijke beslissing ziet de voorzieningenrechter daarin aanleiding [gedaagde] ook ten aanzien van de bedragen die door de onderhavig executie zijn geïncasseerd te veroordelen tot terugbetaling.

Verbod op treffen executiemaatregelen
4.5.
Gesteld en gebleken is dat [gedaagde] niet voldoet aan de vonnissen die tot nu toe zijn gewezen. In het vonnis van 11 februari 2026 is gemotiveerd overwogen dat Vossenhol c.s. een verrekenbare vordering hebben ten aanzien van de tweede verkoperslening, waarbij dezelfde redenering geldt voor executie op basis van de akte van levering als de onderhavige executie op basis van het schikkingsproces-verbaal van 20 augustus 2025. [gedaagde] heeft zich daar niets aan gelegen laten liggen. Zo heeft zij de reeds ten onrechte geïncasseerde bedragen niet terugbetaald, de proceskosten niet betaald en heeft zij na het vonnis van 11 februari 2026 direct opnieuw beslag laten leggen waarover zij ter zitting heeft verklaard dat zij niet anders kan omdat de acties van het Vossenhol c.s. vragen om een reactie. Dit doet vermoeden dat [gedaagde] niet zal stoppen met het nemen van executiemaatregelen, zodat het gevorderde verbod van om nadere executiemaatregelen te treffen zoals geformuleerd in rechtsoverweging 1.1.3. zal worden toegewezen. Dit geldt eveneens voor het gevorderde verbod om executiemaatregelen te treffen ten aanzien van de uitgesproken proceskostenveroordeling.

Verklaring voor recht
4.6.
De vordering om voorlopig te oordelen dat de proceskostenveroordeling ten bedrage van € 7.050,00 door een beroep op verrekening zijdens Het Vossenhol BV is betaald zal worden afgewezen nu [gedaagde] terecht stelt dat dit een verklaring voor recht betreft, waarvoor in kort geding geen plaats is.

Dwangsommen
4.7.
De gevorderde dwangsommen zullen (deels) worden beperkt als volgt.

Proceskosten
4.8.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Het Vossenhol c.s. worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



128,65

- griffierecht



735,00

- salaris advocaat



1.177,00

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



2.229,65
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
schorst de executie zoals blijkend uit de exploten van 12 februari en 18 februari 2026 ten laste van Parqio Leisure B.V. en Green Home Developments B.V. die als productie 3 bij dagvaarding in het geding zijn gebracht;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling van de bedragen die door die executie

zijn geïncasseerd;
5.3.
schorst eventuele executiemaatregelen die tot dit vonnis na of naast de onder 5.1 genoemde executiemaatregelen door [gedaagde] zijn doorgevoerd;
5.4.
verbiedt [gedaagde] executiemaatregelen te (doen) treffen ten laste van Het Vossenhol c.s. (of één van hen) tot incasso van de eerste en/of tweede verkoperslening en/of de restantkoopsom voor de aandelen zoals benoemd in de koopovereenkomst van 4 februari 2025, zolang als niet bij uitvoerbaar vonnis is vastgesteld dat aan [gedaagde] , ondanks het beroep van Het Vossenhol c.s. op verrekening, een vordering toekomt op Het Vossenhol c.s. dan wel één van hen;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] om aan Het Vossenhol c.s. een dwangsom te betalen van € 50.000,00 per keer en per dag dat zij met voldoening van het verbod in 5.4. in gebreke blijft, tot een maximum van € 1.000.000,00 is bereikt;
5.6.
verbiedt [gedaagde] executiemaatregelen te (doen) treffen ten laste van Het Vossenhol c.s. (of één van hen) tot incasso van de proceskostenveroordeling uit het kort geding vonnis van 20 februari 2026 (zaaknummer: C/05/459664 / KZ ZA 25-191);
5.7.
veroordeelt [gedaagde] om aan Het Vossenhol c.s. een dwangsom te betalen van € 10.000,00 per keer en per dag dat zij met voldoening van het verbod in 5.6. in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt;
5.8.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.

Artikel delen