Veroordeling voor medeplegen van mishandeling. De rechtbank legt op een taakstraf van 20 uur.
Rechtbank Gelderland 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:6158
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-07-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
05.053266.25
Rechtsgebied
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI:NL:RBGEL:2026:6158text/xmlpublic2026-08-03T13:32:152026-07-30Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2026-06-0405.053266.25UitspraakEerste aanleg - meervoudigNLZutphenStrafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:6158text/htmlpublic2026-08-03T13:29:342026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2026:6158 Rechtbank Gelderland , 04-06-2026 / 05.053266.25 Veroordeling voor medeplegen van mishandeling. De rechtbank legt op een taakstraf van 20 uur.
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05.053266.25
Datum uitspraak : 4 juni 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats. raadsvrouw: mr. J.E.W. Jansen, advocaat in Zutphen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1
hij op of omstreeks 26 januari 2025 te Zutphen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, met een hamer, althans een hard voorwerp, tegen en/of in de richting van het hoofd en/of de schouder, althans het lichaam, van die [aangever] hebben/heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2.
zij op of omstreeks 26 januari 2025 te Zutphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, [aangever] heeft mishandeld door
- meermalen, althans eenmaal, (terwijl die [aangever] op de grond lag) een deur tegen het been van die [aangever] te duwen en/of
- meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of het lichaam van die [aangever] te slaan en/of te stompen en/of
- meermalen, althans eenmaal, met een hamer, althans een hard voorwerp tegen/of in de richting van het hoofd en/of de schouder, althans het lichaam, van die [aangever] te slaan. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide tenlastegelegde feiten. Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de verklaring van aangever niet kan worden gebruikt voor het bewijs. Subsidiair dient verdachte vrijgesproken te worden, vanwege het ontbreken van steunbewijs. Meer subsidiair dient verdachte vrijgesproken te worden vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. Ten aanzien van de beide feiten dient verdachte te worden vrijgesproken omdat er geen sprake is van in vereniging plegen. Verdachte stond enkel voor de deur; zij heeft geen bijdrage van voldoende gewicht geleverd. Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank merkt allereerst op dat feit 1 en feit 2 een grote overlap hebben ten aanzien van de handelingen die ten laste zijn gelegd. Om die reden zal de rechtbank de feiten gezamenlijk behandelen. Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 26 januari 2025 in zijn woning in Zutphen was toen er werd aangebeld door iemand die aangaf [naam] te zijn. Aangever heeft vervolgens de deur op een kier geopend. [medeverdachte] zei op agressieve toon dat hij voor het geld kwam. Aangever voelde dat [medeverdachte] met kracht tegen de deur duwde. Aangever probeerde de deur voor hem te sluiten, maar zijn rechterbeen zat nog tussen de deur. Hij hoorde [medeverdachte] tegen een vrouw zeggen dat zij hem moest helpen om de deur te openen. Hij voelde dat zij beiden tegen de deur duwden. Op een gegeven moment waren [medeverdachte] en aangever in een worsteling verwikkeld waarbij zij beiden een hamer vast hadden. Aangever zag dat de vrouw die bij [medeverdachte] was tegen de deur duwde toen zijn been nog tussen de deur en het kozijn zat. Hij voelde een hevige pijn in zijn been doordat er tegen de deur werd geduwd. Tegen de agenten die ter plaatse waren gekomen, heeft aangever verklaard dat [medeverdachte] en zijn vriendin ineens voor zijn woning stonden. Beiden hebben aangever geslagen. De aanwezige agenten zagen dat aangever letsel had aan de rechterzijde van zijn hoofd ter hoogte van zijn slaap. Daarnaast zat er een schaafplek op een van zijn benen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij bij de woning van aangever is geweest. Er is toen een worsteling ontstaan tussen medeverdachte [medeverdachte] en aangever. Onder feit 1 is een poging zware mishandeling ten laste gelegd doordat verdachte aangever zou hebben geslagen met een hamer. Aangever heeft verklaard dat hij ineens een enorme pijnscheut in zijn schouder en rechterkant van zijn nek, begin van zijn schedel, voelde. Hij vermoedt dat [medeverdachte] hem op dat moment met een hamer heeft geslagen. Op basis van het dossier kan de rechtbank echter niet vaststellen dat aangever is geslagen met een hamer. Een enkel vermoeden, zoals aangever in zijn aangifte heeft verklaard, is hiervoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Ook het bij aangever geconstateerde letsel leidt niet zonder meer tot die conclusie. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 1. Onder feit 2 wordt verdachte verweten dat zij aangever samen met een ander heeft mishandeld door met een deur tegen het been van aangever te duwen, aangever te slaan en met een hamer tegen het hoofd en/of schouder te slaan. Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen aangever hebben mishandeld door zijn been tussen de deur te duwen en door hem te slaan op zijn schouder en zijn hoofd. Beiden verdachten leverden een materiële bijdrage aan het geheel. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de verklaring van aangever voldoende ondersteund door het letsel op het been en op het hoofd van aangever, dat is waargenomen door de agenten die ter plaatse waren en daarnaast door de verklaring van verdachte dat er een worsteling heeft plaatsgevonden. Gelet op hetgeen de rechtbank eerder heeft overwogen ten aanzien van feit 1, zal zij verdachte vrijspreken van het onderdeel dat ziet op het slaan met de hamer. De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van de zinsnede ‘terwijl die [aangever] op de grond lag’, nu dit niet blijkt uit het dossier. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 2.
Zij op of omstreeks 26 januari 2025 te Zutphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, [aangever] heeft mishandeld door
- meermalen, althans eenmaal, (terwijl die [aangever] op de grond lag) een deur tegen het been van die [aangever] te duwen en/of
- meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of het lichaam van die [aangever] te slaan en/of te stompen en/of
- meermalen, althans eenmaal, met een hamer, althans een hard voorwerp tegen/of in de richting van het hoofd en/of de schouder, althans het lichaam, van die [aangever] te slaan. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 2:
medeplegen van mishandeling 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijk deel dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden. De officier van justitie heeft verder gevorderd om aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen in de vorm van een contactverbod met aangever, met een week hechtenis per overtreding. Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om in de strafmaat rekening te houden met de beperkte bewezenverklaring, de persoonlijke omstandigheden (waaronder first offender, begeleiding door [instelling] , lopend reclasseringstoezicht) en met artikel 63 Sr. In de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden ziet de verdediging, gelet op het reeds lopende toezicht, geen meerwaarde. Een voorwaardelijke geldboete volstaat en een contactverbod is niet nodig. De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich samen met haar partner schuldig gemaakt aan een mishandeling. Ze hebben het slachtoffer geslagen en zijn been tussen de deur geduwd. Dit alles omdat haar partner nog geld zou krijgen van het slachtoffer. Door deze mishandeling heeft het slachtoffer letsel opgelopen. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk, te meer nu zij samen met haar partner het slachtoffer heeft opgezocht bij diens eigen woning. Uit de verklaring namens het slachtoffer ter zitting voorgedragen, blijkt hoezeer deze mishandeling hem heeft aangegrepen. Uit de justitiële documentatie van 14 april 2026 blijkt dat verdachte op 11 juli 2025 is veroordeeld voor een diefstal in vereniging. Zij heeft hiervoor een voorwaardelijke taakstraf van 50 uur met een proeftijd van 2 jaar opgelegd gekregen. Aan het voorwaardelijk deel zijn bijzondere voorwaarden verbonden. Hiermee is artikel 63 Sr van toepassing. Uit het reclasseringsadvies van 7 mei 2026 blijkt dat er instabiliteit is op meerdere leefgebieden. Haar Wajonguitkering is stopgezet, omdat verdachte niet ingeschreven stond op een adres en zij heeft een kleine schuldenlast bij het CJIB. Verdachte heeft verder geen dagbesteding. Sinds eind maart 2026 wonen verdachte en haar partner in een woning van [instelling] . Zij krijgt daarbij begeleiding vanuit het Leger des Heils. Het Leger des Heils helpt verdachte voornamelijk bij het regelen van praktische zaken, zoals het opstarten van een uitkering, het inschrijven op het adres en het aanvragen van een identiteitskaart. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld. Bij een veroordeling adviseert zij een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en beheersing van het middelengebruik. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor het opleggen van een taakstraf. Verdachte is geschikt voor een taakstraf met zorg.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 20 uur, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Dit is een lagere straf dan is geëist door de officier van justitie, maar de rechtbank acht dat ook passend gelet op de bewezenverklaring en de rol van verdachte. De rechtbank zal geen voorwaardelijk deel opleggen. Ter zitting is gebleken dat verdachte nog niet weet of zij behandeld wil worden. Daarnaast loopt er nog een toezicht tot eind juli 2027. De officier van justitie heeft verder de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr gevorderd in de vorm van een contactverbod. Uit het verhandelde ter terechtzitting en de overige stukken in het dossier blijkt niet dat er recent contact heeft plaatsgevonden tussen verdachte en aangever. Daarbij komt dat verdachte en haar partner zijn verhuisd naar een andere plaats. De rechtbank acht het dan ook niet passend om nog een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. 8De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met de feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.224,88 aan materiële schade en € 64.000 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ziet dat aangever schade heeft geleden. Dit blijkt uit de onderbouwing van de vordering en de foto’s in het dossier. Voor het bepalen van de hoogte van de gevorderde materiële schade en immateriële schade dient echter wel gekeken worden naar het causale verband. Als (een deel van) de vordering wordt toegewezen, dan verzoekt de officier van justitie om de wettelijke rente toe te kennen en vordert zij verder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Verder verzoekt zij een hoofdelijke veroordeling uit te spreken. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld om de gehele vordering af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, subsidiair om deze aanzienlijk te matigen. Per schadepost zijn door de verdediging de volgende verweren gevoerd:
Ten aanzien van de gevorderde schade in verband met het niet-vergoede deel van de aanschaf van gehoorapparaten blijkt niet dat de gestelde gehoorschade door het handelen van verdachte is opgelopen.
De gestelde verhuiskosten en hogere huur zijn geen rechtstreekse schade.
Wat betreft de reiskosten blijkt uit de vordering niet wanneer ze zijn gemaakt, dat ze daadwerkelijk zijn gemaakt en dat ze zijn gemaakt wegens handelen van verdachte, te meer nu de benadeelde reeds voor het incident aan een medische aandoening leed.
Ten aanzien van de beschadigde eigendommen blijkt niet dat deze door verdachte zijn vernield of gestolen.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade stelt de verdediging zich in zijn algemeenheid op het standpunt dat onder andere vanwege de reeds bij de benadeelde aanwezige aandoening (sikkelcelanemie) het steeds aan de benadeelde partij is om te stellen en te onderbouwen dat de gevorderde immateriële schade in causaal verband staat met het handelen van verdachte. Ten aanzien van de lichamelijke schade stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet blijkt dat de pijnklachten aan het handelen van verdachte kunnen worden toegeschreven. Primair dient dit dan ook afgewezen te worden, dan wel moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard. Subsidiair dient de gevraagde vergoeding aanzienlijk gematigd te worden, vanwege gedeeltelijke eigen schuld van de benadeelde en gelet op het veel beperktere letsel dan waar de benadeelde van uitgaat. Het enige letsel dat immers kan worden vastgesteld, is een schaafplek op zijn been en schaafplekken op zijn hoofd. Wat betreft de immateriële schade vanwege de gestelde gehoorschade/tinnitus blijkt niet van een rechtstreeks verband tussen het eventuele gehoorverlies en het handelen van verdachte. Ten aanzien van de psychische schade is er geen causaal verband met het bewezenverklaarde en kan deze immateriële schade niet aan verdachte worden toegerekend. Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 6.224,88 aan materiële schade gevorderd. Dit bedrag bestaat uit vijf posten, te weten: gehoorapparaten, verhuiskosten, hogere huur de eerste 12 maanden, reiskosten en beschadigde eigendommen.
Ten aanzien van de gehoorapparaten (€ 525,50) is naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de betwisting door de verdediging, onvoldoende onderbouwd dat de benadeelde gehoorschade heeft opgelopen door het handelen van verdachte. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Wat betreft de verhuiskosten (€ 1.694,00) en de hogere huur voor de eerste 12 maanden (€ 2.232,24) in verband met een, zo begrijpt de rechtbank, verhuizing met ingang van juni 2026 (anderhalf jaar na bewezenverklaarde), is onvoldoende onderbouwd dat er een rechtstreeks verband is tussen het bewezenverklaarde en deze schade, te meer nu de benadeelde partij dit deel van de vordering (deels) op ná de pleegdatum door hem gestelde (maar niet onderbouwde) nieuwe confrontaties met verdachte heeft gebaseerd. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Voor wat betreft de gestelde reiskosten (€ 586,48) blijkt uit de onderbouwing niet wanneer deze reiskosten zijn gemaakt, waarvoor deze bezoeken waren en of deze verband houden met de het bewezenverklaarde. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Ten aanzien van de beschadigde eigendommen (€ 1.186,66) is de rechtbank van oordeel dat deze schade geen rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover hier relevant, recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in de persoon is aangetast. Onder aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ valt in ieder geval geestelijk letsel. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106 onder b BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een schaafwond op zijn been en letsel op zijn hoofd. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Gevorderd wordt een schadevergoeding van € 4.000,00. Bij het bepalen van de hoogte van de schade houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarbij heeft de rechtbank ook acht geslagen op de Rotterdamse Schaal en valt het letsel naar haar oordeel onder de categorie ‘licht letsel’ met een korte herstelperiode. Alles afwegende acht de rechtbank een bedrag van € 300,- passend. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. Verder is immateriële schade gevorderd voor onder meer gehoorschade/tinnitus (€ 30.000,00). Naar het oordeel van de rechtbank is, zoals zij hiervoor ook heeft overwogen onder de materiële schade, onvoldoende onderbouwd dat de schade is ontstaan door het handelen van verdachte. In de daarop gebaseerde vordering tot vergoeding van immateriële schade zal de rechtbank de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij heeft verder vergoeding van immateriële schade gevorderd vanwege psychisch letsel (€ 30.000,00). Daarbij is door de benadeelde ten eerste aangevoerd dat hij is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis, waarvoor hij onder behandeling staat. Met de ter onderbouwing van de vordering overgelegde brief van het Centrum Interculturele GGZ van 18 november 2025 kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden vastgesteld dat de genoemde PTSS in causaal verband staat met het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Zo wordt er in genoemde brief melding gemaakt van (mogelijk) andere oorzaken die (mede) aan de bij hem gestelde diagnose hebben bijgedragen, zoals een recente woningbrand, zijn achtergrond als statushouder en trauma’s uit het verleden. Onderzoek naar de vraag of en zo ja, in welke mate, het bewezenverklaarde handelen van verdachte het gestelde geestelijk letsel van de benadeelde heeft veroorzaakt, zou naar het oordeel van de rechtbank - bij deze stand van zaken en indachtig de gemotiveerde betwisting aan de zijde van de verdediging - een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
De benadeelde heeft ten tweede gesteld dat de aard en ernst van de normschending in dit geval met zich brengen dat de gestelde nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. In onderhavige zaak is de benadeelde partij geslagen en is zijn been tussen de deur geduwd. De rechtbank oordeelt dat in dit geval de aard en ernst van de normschending niet dermate evident is dat zonder onderbouwing een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor psychisch letsel dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Wettelijke rente, hoofdelijkheid en schadevergoedingsmaatregel
Verdachte is vanaf 26 januari 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag van € 300,00 verschuldigd. De rechtbank overweegt dat verdachte en haar medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover haar medeverdachte de schade heeft vergoed. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 47, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank: De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit; verklaart bewezen dat verdachte feit 2, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op een taakstraf van 20 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen en beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht; Benadeelde partij [aangever]
veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 300,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van materiële schade en smartengeld; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 300,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 3 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Schoo (voorzitter), mr. M.M. Klaasen en mr. C.J.M. Vijftigschild, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Tuitert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2026. Mr. Vijftigschild is buiten staat dit vonnis te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025042165, gesloten op 20 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 10 en 11. Proces-verbaal van bevindingen, p. 23 en 24. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 mei 2026.