Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBGEL:2026:6272

WOZ-zaak. Gemachtigde mr. Vugts. Niet-ontvankelijkverklaring wegens gebrek aan belang bij het gevraagde dwangsombesluit.

Rechtbank Gelderland 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2026:6272 text/xml public 2026-08-06T12:33:33 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-08-05 AWB 24/5725 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:6272 text/html public 2026-08-05T15:55:02 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:6272 Rechtbank Gelderland , 05-08-2026 / AWB 24/5725
WOZ-zaak. Gemachtigde mr. Vugts. Niet-ontvankelijkverklaring wegens gebrek aan belang bij het gevraagde dwangsombesluit.
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/5725
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 augustus 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaatsnaam] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. J.W. Vugts),

en
de heffingsambtenaar van de gemeente Doetinchem, de heffingsambtenaar.
Procesverloop en feiten
1. Op naam van belanghebbende is voor de woning aan het [adres] in [plaatsnaam] op 31 januari 2023 een WOZ-beschikking ter hoogte van € 457.000 vastgesteld voor het belastingjaar 2023, met waardepeildatum 1 januari 2022.

2. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 25 januari 2024 in gebreke gesteld voor wat betreft het uitblijven van een uitspraak op bezwaar over deze WOZ-beschikking.

3. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 31 januari 2024 op deze ingebrekestelling gereageerd met de mededeling dat deze niet in behandeling wordt genomen, omdat geen bezwaar is ontvangen voor deze WOZ-beschikking.

4. Vervolgens heeft belanghebbende op 12 maart 2024 beroep bij de rechtbank ingesteld. Het beroep richt zich uitsluitend tegen het uitblijven van een besluit over de dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit. In het beroepschrift wordt niet gevraagd om alsnog een uitspraak op bezwaar te doen, maar alleen om het toekennen van een dwangsom, een proceskostenvergoeding en een vergoeding voor immateriële schade.

5. Bij het beroepschrift is een bezwaarschrift gevoegd met datering 5 april 2023. Het bezwaarschrift is gericht aan het postadres van de heffingsambtenaar.

6. In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar aangevoerd dat hij geen bezwaarschrift heeft ontvangen betreffende de WOZ-beschikking van de woning aan het [adres] , niet digitaal en niet per post. Daarbij heeft hij erop gewezen dat in 2023 van dezelfde gemachtigde wel 13 digitaal ingediende bezwaren over andere objecten zijn ontvangen, die ook zijn behandeld. Verder heeft de heffingsambtenaar erop gewezen dat als wel een bezwaarschrift zou zijn ontvangen rond de datum van dagtekening van de door belanghebbende overgelegde bezwaarbrief, dit bezwaar niet-ontvankelijk zou zijn verklaard omdat het dan te laat zou zijn ingediend.

7. De rechtbank heeft de gemachtigde van belanghebbende bij digitaal bericht van 8 mei 2026 gevraagd om te reageren op het verweerschrift en om aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift is verstuurd en door de heffingsambtenaar moet zijn ontvangen.

8. In reactie hierop heeft de gemachtigde op 14 mei 2026 een print screen overgelegd van het e-mailbericht waarmee het bezwaarschrift zou zijn ingediend. Daarop is te zien dat de e-mail gericht is aan gemeente@doetinchem.nl. Verder heeft gemachtigde daarbij gevoegd een print screen van het auditspoor van deze e-mail. Volgens gemachtigde blijkt hieruit dat de e-mail is verzonden en ook is ontvangen en gelezen door de heffingsambtenaar op 5 en 6 april 2023. Ook heeft gemachtigde op 20 mei 2026 een (alsnog geanonimiseerde) uitspraak overgelegd van de rechtbank Midden-Nederland in een zaak die volgens gemachtigde vergelijkbaar is en waarin dit auditspoor als bewijs van verzending en ontvangst is geaccepteerd. De tweede pagina van deze uitspraak ontbreekt.

9. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar gevraagd om te reageren op de stukken van gemachtigde van 14 en 20 mei 2026. De heffingsambtenaar heeft er in reactie hierop mee volstaan te verwijzen naar zijn verweerschrift, met de opmerking dat de stukken van de gemachtigde geen reden zijn om de stellingname daarin nu te wijzigen. Benadrukt is dat geen bezwaarschrift in deze zaak is ontvangen.

10. De rechtbank heeft partijen vervolgens verzocht om toestemming te geven om de zaak zonder mondelinge behandeling af te doen. Gemachtigde van belanghebbende heeft zich hiermee akkoord verklaard. De heffingsambtenaar heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hij akkoord is. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten en doet uitspraak zonder mondelinge behandeling.
Beoordeling door de rechtbank
11. In geschil is alleen of belanghebbende recht heeft op een dwangsom, proceskostenvergoeding en vergoeding voor immateriële schade. Het beroep richt zich namelijk met zoveel woorden uitsluitend tegen het uitblijven van een besluit over de dwangsom.

12. De rechtbank oordeelt als volgt. De heffingsambtenaar heeft geen uitspraak op bezwaar gedaan in deze zaak. Hij heeft hiervoor als reden gegeven dat hij geen bezwaarschrift heeft ontvangen. Belanghebbende vraagt in beroep niet om het alsnog doen van een uitspraak op bezwaar, maar alleen om een dwangsom. Voor de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het uitblijven van een dwangsombesluit verwijst belanghebbende naar een uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 september 2017. In die uitspraak is geoordeeld dat artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in die zaak van toepassing was op het uitblijven van het dwangsombesluit. In die zaak was echter vastgesteld dat een bezwaar was ingediend en dat inmiddels ook uitspraak op dat bezwaar was gedaan, waarbij het bezwaar gegrond was verklaard en de aanslag was vernietigd. Dit is een heel andere situatie dan hier aan de orde is en daarom kan deze uitspraak niet worden toegepast op deze zaak.

13. In deze zaak is in geschil of het bezwaar door de heffingsambtenaar is ontvangen, maar hier is geen uitspraak op bezwaar gedaan en daar wordt in beroep ook niet meer om gevraagd. In dit geval is het instellen van beroep tegen het uitblijven van een dwangsombesluit daarom niet mogelijk. Een dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Awb is namelijk bedoeld als financiële prikkel om uitspraak op bezwaar te doen. De dwangsom werkt dus niet als een apart te vragen schadevergoeding. Het belang bij een dwangsombeschikking ontbreekt, omdat geen uitspraak op bezwaar meer wordt gevraagd. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

14. Gezien het voorgaande kan in het midden blijven of de op 14 mei 2026 overgelegde bewijsstukken de verzending en ontvangst van het bezwaarschrift in 2023 aannemelijk maken.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is niet-ontvankelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug en er is ook geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen, omdat de WOZ-beschikking in beroep niet in geschil is.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.

Uitgesproken op 5 augustus 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffier

rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.

ECLI:NL:RBLIM:2017:8760.

Zie Centrale Raad van Beroep 15 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1296, met in r.o. 4.3 verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van artikel 4:17 van de Awb.

Vergelijk Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.

Artikel delen