Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBGEL:2026:6282

Overdrachtsbelasting. Vastzitten in de lift kort na aankoop van de woning is - ondanks in het verleden ontwikkelde claustrofobie - geen onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 15a, vierde lid, WBR. Het verlaagde tarief van 2% was daarom niet van toepassing en de inspecteur heeft terecht nageheven. Beroep ongegrond.

Rechtbank Gelderland 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2026:6282 text/xml public 2026-08-06T15:23:34 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-07-15 ARN 24/7490 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:6282 text/html public 2026-08-05T16:06:31 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:6282 Rechtbank Gelderland , 15-07-2026 / ARN 24/7490
Overdrachtsbelasting. Vastzitten in de lift kort na aankoop van de woning is - ondanks in het verleden ontwikkelde claustrofobie - geen onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 15a, vierde lid, WBR. Het verlaagde tarief van 2% was daarom niet van toepassing en de inspecteur heeft terecht nageheven. Beroep ongegrond.

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/7490
<?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 juli 2026
in de zaak tussen
<?linebreak?> [belanghebbende] , wonende te [plaatsnaam] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Den Haag, de inspecteur,
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 juli 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbende op 16 februari 2024 een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van € 32.581. Gelijktijdig is € 334 aan belastingrente in rekening gebracht.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.

De inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en zijn zoon, [zoon] , en [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] namens de inspecteur.
Feiten
Belanghebbende was van 3 juni 2022 tot 15 november 2023 eigenaar van de woning aan de [adres 1] in [plaatsnaam] ( [adres 1] ). Belanghebbende heeft deze woning op 26 juli 2023 verkocht voor € 810.000. De woning is op 15 november 2023 geleverd.

Belanghebbende was van 16 juni 2023 tot 29 september 2023 eigenaar van de woning aan de [adres 2] in [plaatsnaam] ( [adres 2] ). Belanghebbende heeft deze woning op 3 april 2023 voor € 318.000 gekocht. De woning is op 16 juni 2023 aan hem geleverd.

[adres 2] is een maisonnette dat deel uitmaakt van een appartementencomplex. Deze woning is gelegen op de eerste en tweede verdieping van het complex en zowel met een trap als een lift bereikbaar. Ten tijde van de koop hing naast één van de twee liften een bordje met de volgende tekst: “Als u te dicht bij de liftdeur staat, stopt de lift automatisch. Afstand houden AUB.”

4. Belanghebbende heeft bij de aankoop van [adres 2] ten aanzien van de overdrachtsbelasting een beroep gedaan op toepassing van het verlaagde tarief van 2%. Hij heeft voor deze verkrijging € 6.265 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.

5. Op 26 juli 2023 heeft belanghebbende [adres 2] verkocht voor een bedrag van € 332.222. De woning is op 29 september 2023 geleverd.

6. Belanghebbende is vanaf 1 november 2023 eigenaar van [adres 3] in [plaatsnaam] . Belanghebbende heeft deze woning op 27 juli 2023 € 865.000 gekocht. De woning is op 1 november 2023 aan hem geleverd.

7. Met dagtekening 16 februari 2024 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van € 32.581 opgelegd aan belanghebbende ter zake van [adres 2] . Hierbij heeft de inspecteur de overdrachtsbelasting berekend naar het algemene tarief van 10,4%.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

9. Tussen partijen is niet in geschil dat [adres 2] niet als hoofdverblijf is gebruikt.

10. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

11. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het verlaagde tarief van 2% van toepassing is. Volgens hem is sprake van onvoorziene omstandigheden, waardoor hij de woning redelijkerwijs niet als hoofdverblijf kon gebruiken. Door een verslechtering van zijn gezondheid heeft belanghebbende zeer grote moeite met traplopen. Bij [adres 2] was hij aangewezen op de lift, waarvan is gebleken dat deze ondeugdelijk is. De dag na de levering is hij voor enige tijd in de lift van het appartementencomplex vast komen te zitten. Wegens bij hem bestaande claustrofobie heeft belanghebbende dit voorval ervaren als zeer traumatisch. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende drie getuigenverklaringen overgelegd.

12. Volgens de inspecteur is geen sprake van onvoorziene omstandigheden en is het algemene tarief van toepassing. De lift was namelijk ten tijde van de aankoop al aanwezig. Daarnaast was de lift goed onderhouden, gekeurd en dienstbaar aan alle bewoners van het appartementencomplex. Bovendien is de Vereniging van Eigenaren niet bekend met incidenten of meldingen in de afgelopen jaren ter zake van de lift.

13. De rechtbank oordeelt als volgt. Onvoorziene omstandigheden kunnen ertoe leiden dat de koper van een woning redelijkerwijs niet in staat is deze woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. Als dit het geval is, wordt hij geacht de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te hebben gebruikt. In dat geval is het verlaagde tarief van 2% van toepassing. Nu de inspecteur betwist dat sprake is van onvoorziene omstandigheden, dient belanghebbende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die meebrengen dat ter zake van de verkrijging van [adres 2] sprake is geweest van onvoorziene omstandigheden.

14. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van onvoorziene omstandigheden. De liften waren op het moment van de koop aanwezig. Het ontstaan van een tijdelijke storing of blokkering daarvan is inherent aan het gebruik van een lift. Dat belanghebbende is vast komen te zitten in de lift, hoe vervelend ook, vormt dus geen bijzondere omstandigheid. Ook niet in het licht van de bij belanghebbende aanwezige claustrofobie. Deze omstandigheden brengen los van elkaar noch in samenhang bezien niet met zich dat belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was om de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gebruiken. Hier komt ook nog bij dat niet aannemelijk is dat sprake was van structurele gebreken of onveilige situaties met de liften in het woongebouw. Het enkele feit dat bij de lift een instructiebordje voor veilig gebruik hangt, brengt niet uit zichzelf mee dat de liften gevaarlijk of ondeugdelijk zijn.

14. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting terecht is opgelegd.

16. Voor zover belanghebbende aanvoert dat het algemene tarief niet van toepassing is, omdat [adres 2] niet als belegging is aangekocht, maakt dit het oordeel niet anders. De vraag of sprake is van een beleggingsobject is namelijk niet relevant. Het algemene tarief van 10,4% is in alle gevallen van toepassing, tenzij het verlaagde tarief of een vrijstelling van toepassing is. Zoals hiervoor geoordeeld, is daar geen sprake van.

17. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de opgelegde beschikking belastingrente van € 334. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebracht belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de beschikking belastingrente.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Kossen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.

Deze uitspraak is uitgesproken op 15 juli 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.

griffier

rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:181.

Artikel 15a, vierde lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

Artikel delen