MK; Vaststelling hoofdverblijfplaats en voorlopige omgangsregeling. Zorgen over minderjarige door ziekte. Wantrouwen tussen ouders door verschil in opvoedstijl en de invloed daarvan op het verloop van de ziekte.
Rechtbank Gelderland 30 September 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:7054
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-09-2026
Datum publicatie
30-09-2026
Zaaknummer
C/05/450584 / FZ RK 25-930
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
ECLI:NL:RBGEL:2026:7054text/xmlpublic2026-09-30T13:07:532026-09-11Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2026-07-13C/05/450584 / FZ RK 25-930UitspraakBeschikkingNLZutphenCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7054text/htmlpublic2026-09-30T12:08:212026-09-30Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2026:7054 Rechtbank Gelderland , 13-07-2026 / C/05/450584 / FZ RK 25-930 MK; Vaststelling hoofdverblijfplaats en voorlopige omgangsregeling. Zorgen over minderjarige door ziekte. Wantrouwen tussen ouders door verschil in opvoedstijl en de invloed daarvan op het verloop van de ziekte.
beschikking hoofdverblijfplaats en zorgregeling in de zaak van
[de vader] (hierna: de vader),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.S. Clarenbeek te Zutphen, tegen
[de moeder] (hierna: de moeder),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. E.P. Niemeijer te Zutphen. De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, regio midden, gevestigd in Arnhem (hierna: de GI). 1Het verdere verloop van de procedure1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de (tussen)beschikking van deze rechtbank van 7 oktober 2025;
- het F9-bericht van mr. Clarenbeek, ontvangen op 26 februari 2026;
- het F9-bericht van mr. Niemeijer, ontvangen op 2 maart 2026;
- het F9-bericht met bijlagen van mr. Clarenbeek, ontvangen op 18 maart 2026;
- het F9-bericht met producties van mr. Clarenbeek, ontvangen op 22 mei 2026;
- de brief van mr. Clarenbeek, ontvangen op 26 mei 2026;
- het F9-bericht van mr. Niemeijer, ontvangen op 28 mei 2026;
- de brief van mr. Niemeijer, ontvangen op 29 mei 2026;
- het F9-bericht met producties van mr. Niemeijer, ontvangen op 1 juni 2026. 1.2. Tijdens de mondelinge behandeling van de meervoudige kamer van de rechtbank van 2 juni 2026 zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Clarenbeek;
- de moeder, bijgestaan door mr. Niemeijer;
- een vertegenwoordig van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
- een drietal vertegenwoordigers van de GI. 1.3. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met zaakgegevens: C/05/ 460324 ZJ RK 25-1020 (het verzoek tot een versnelde behandeling van de machtiging tot uithuisplaatsing) en C/05/460326 ZJ RK 25-102 (het verzoek tot het vaststellen van een regeling over de uitoefening van het recht op omgang). In die zaken wordt uitspraak gedaan bij afzonderlijke beschikking van vandaag. 2Eerdere beslissingen2.1. Bij (tussen)beschikking van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank onder meer:
- de beschikking van deze rechtbank van 22 maart 2021 c.q. het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan van 4 februari 2021 gewijzigd in die zin dat als voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld dat [het kind] bij de moeder is: - om de week vanaf dinsdag uit school tot vrijdag naar school en eenmaal in de maand tot maandag naar school, uit te breiden onder regie van de GI, en
- de helft van de vakanties- en feestdagen; het meer of anders verzochte afgewezen voor zover de behandeling daarvan niet is aangehouden; iedere verdere beslissing over de verzoeken over de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de proceskosten aangehouden tot 3 maart 2026 pro forma. 2.2. Bij (tussen)beschikking van 12 maart 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank: de ondertoezichtstelling van [het kind] verlengd tot 11 februari 2027; een machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] bij de andere ouder met gezag (de vader) verleend van 10 februari 2026 tot 12 juni 2026; de voornoemde tussenbeschikking van 7 oktober 2025 gewijzigd en vastgesteld als
voorlopige zorgregeling dat [het kind] en de moeder, met ingang van 7 oktober 2025 tot 12 juni 2026, op een doordeweekse middag na schooltijd en gedurende een dagdeel in het weekend onbegeleid contact met elkaar hebben;
- iedere verdere beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing en de
verzoeken van de moeder aangehouden tot de nader te plannen zitting van de meervoudige kamer;
- het meer of anders verzochte afgewezen. 3De nog voorliggende verzoeken3.1. Aan de rechtbank liggen nog voor:
de verzoeken van de vader, na wijziging op zitting, om uitvoerbaar bij voorraad:
- de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de vader te bepalen en
een definitieve zorgregeling vast te stellen tussen [het kind] en de moeder op grond waarvan de huidige stabiliteit van [het kind] wordt gewaarborgd onder regie van de GI. 3.2. de zelfstandige verzoeken van de moeder om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de hoofdverblijfplaats van [het kind] te bepalen bij de moeder en een zorgregeling vast te stellen op grond waarvan [het kind] : o de ene week bij de vader verblijft en de andere week bij de moeder;
o in de weekenden om en om bij de vader en de moeder verblijft;
o de helft van de van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijft;
- subsidiair, als de rechtbank de hoofdverblijfplaats bij de vader bepaalt, verzoekt de moeder een zorgregeling vast te stellen op grond waarvan [het kind] : o de ene week bij de vader verblijft en de andere week bij de moeder;
o een weekend in de maand bij de moeder verblijft;
- kosten rechtens. 3.3. Omdat de vader dit verzoek tijdens de zitting heeft ingetrokken hoeft de rechtbank niet meer te beslissen op het verzoek van de vader om te bepalen dat de kinderbijslag van [het kind] aan de vader toekomt met ingang van de datum van wijziging van de hoofdverblijfplaats. 4De (nadere) standpunten 4.1. De vader heeft zorgen over hoe [het kind] zich ontwikkelt als hij bij de moeder is. Bij de moeder is [het kind] vaker ziek en neemt zijn gewicht weer af. De vader meent dat dat niet alleen wordt veroorzaakt door zijn EoE. Hoewel hij de moeder het contact met [het kind] gunt, gunt hij [het kind] ook de groei die hij nu doormaakt. De vader ziet, net zoals de GI, dat [het kind] een stabielere periode heeft, goed eet, groeit en zich ontwikkelt nu hij meer bij de vader verblijft. Hij meent dat die groei moet worden gewaarborgd en dat hij [het kind] de stabiliteit kan bieden die daarvoor nodig is. De hoofdverblijfplaats van [het kind] moet daarom bij de vader zijn. Ook de zorgregeling moet zo worden bepaald dat de stabiliteit die er nu is kan worden gewaarborgd. De vader vindt het daarbij belangrijk dat de GI de regie houdt zodat zij kan beoordelen wat [het kind] aankan. Als en zo lang de GI het nodig vindt dat er begeleide omgang is, wenst de vader dat de omgang tussen [het kind] en de moeder wordt begeleid. De vader benadrukt dat [het kind] zelf bang is voor weer een nieuwe wisseling in de zorgregeling. [het kind] weet goed wat er speelt tussen de ouders. De vader ziet dat, sinds de moeder weer onbegeleid omgang met [het kind] heeft, [het kind] brutaler wordt. En hoewel de vader meent dat het logisch is dat [het kind] zich, nu hij zich beter voelt, gaat verzetten, meent hij ook dat dat meer van de moeder zal vragen en dat zij hulp nodig heeft om daarmee om te kunnen gaan. 4.2. De moeder wil dat de zorgregeling tussen haar en [het kind] wordt uitgebreid. Zij ziet geen aanleiding voor een beperking. Ook de moeder heeft zich veel zorgen gemaakt over [het kind] ’s gezondheid. [het kind] is pas in de zomer van 2024 gediagnosticeerd met EoE en dit is pas onder controle sinds er medio 2025 medicatie aan hem is voorgeschreven. En waar de moeder meent dat de vader [het kind] teveel pusht als het gaat om eten, beseft zij dat zij zelf vanuit haar eigen eetproblemen ook keuzes heeft gemaakt die niet altijd in [het kind] ’s belang zijn geweest. Zij heeft daarbij echter nooit gehandeld met de opzet om [het kind] ziek te maken. De hulpverleners hebben de moeder geholpen om het onderscheid te kunnen maken tussen haar eigen gevoel over het niet kunnen doorslikken van eten en [het kind] ’s worsteling daarmee. Zij beseft dat ze nog stappen kan zetten als het gaat om ritme, regelmaat en begrenzing. De moeder probeert zich echter vooral vast te houden aan de positieve dingen en wil (blijven) werken aan de dingen die niet goed gaan. Zij heeft daarvoor begeleiding vanuit GGNet en maakt gebruik van haar netwerk. Zo gaat zij met [het kind] bij haar ouders eten als zij zich onzeker voelt. De moeder meent dat [het kind] negatief wordt beïnvloed door de vader en zijn partner. Sinds de partner in beeld is communiceert de vader niet meer met de moeder. De moeder ziet dat [het kind] in een loyaliteitsconflict zit en worstelt met hoe hij met de moeder moet omgaan. [het kind] doet heftige uitspraken over de moeder, maar zegt op andere momenten ook dat hij van haar houdt. Ook doet [het kind] uitspraken die gebaseerd moeten zijn op informatie die bij de vader vandaan komt. De moeder is bang dat als de hoofdverblijfplaats van [het kind] wordt bepaald bij de vader, zij buiten spel komt te staan en dat de vader niet langer de noodzaak voelt om met haar samen te werken. De moeder heeft bovendien, anders dan de vader, een financieel belang bij het behouden van de inschrijving van [het kind] op haar adres. 5Het advies van de Raad5.1. De Raad benadrukt dat beide ouders [het kind] veel te bieden hebben en dat zij elkaar daarin aanvullen. Ook benoemt zij dat door de zorgen over [het kind] ’s gewicht en zijn eetproblemen de focus van de ouders volledig is komen te liggen op de noodzaak om hem te laten eten. Er is daardoor onvoldoende ruimte geweest voor ouders om met elkaar te communiceren en samen te gaan kijken hoe zij [het kind] kunnen laten profiteren van hun beider kwaliteiten. Nu [het kind] ’s gezondheid wat stabieler is zou er voor ouders ruimte moet komen om daar aandacht aan te geven. Omdat is gebleken dat de vader [het kind] meer structuur en duidelijkheid kan bieden dan de moeder en [het kind] dat nodig heeft voor zijn gezondheid, adviseert de Raad de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van [het kind] te bepalen bij de vader. Daarbij geeft zij ook het advies om de zorgregeling met de moeder uit te breiden. De Raad vindt het belangrijk dat er hulpverlening wordt ingezet om de moeder te verstevigen in haar rol. Daarbij moet zij, onder meer, worden geholpen om meer te kunnen aansluiten bij wat [het kind] nodig heeft, wat zij meeneemt vanuit haar eigen ervaringen met eten en hoe zij dat naast zich neer kan leggen. 6De nadere beoordelingHoofdverblijfplaats 6.1. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de rechtbank, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, op verzoek van de
ouders of één van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk
gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en
opvoedingstaken omvatten, alsmede de beslissing bij welke ouder het kind zijn
hoofdverblijfplaats heeft. 6.2. De rechtbank wijst het verzoek van de vader toe en bepaalt dat [het kind] met ingang van de datum van deze beschikking zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Uit het dossier en uit hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat er veel zorgen zijn (geweest) over [het kind] . Hoewel het inmiddels een stuk beter met hem gaat, blijft het nodig dat er voldoende aandacht is voor zijn gezondheid. Net als de Raad, ziet de rechtbank dat de vader [het kind] de duidelijkheid en structuur kan bieden die daarvoor nodig is. De moeder kan dat (nog) niet. Zij heeft, mede door haar eigen ervaringen met eten, moeite om [het kind] te verplichten om te eten en om hem te begrenzen. De rechtbank beslist daarom dat de situatie die nu bestaat, waarbij [het kind] voor het grootste deel van de tijd bij de vader verblijft, vooralsnog dient te worden gehandhaafd omdat dit in het belang van [het kind] is. De rechtbank komt hieronder in het kader van de zorgregeling hierop nog terug. Het is verder in het belang van [het kind] dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke werkelijkheid dat hij nu met name bij de vader verblijft. Dit maakt dat de rechtbank beslist dat de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de vader wordt bepaald. 6.3. De rechtbank begrijpt het financiële argument van de moeder, maar dat maakt haar beslissing niet anders. Leidend is immers wat met betrekking tot de hoofdverblijfplaats in het belang van [het kind] is en dat is dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijk situatie van [het kind] . Financiële belangen van de moeder bij een andere vaststelling van de hoofdverblijfplaats maken dat niet anders. Het is juist dat met het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de vader de vader ook het kindgebonden budget ontvangt. De rechtbank vindt dat evenwel redelijk omdat het zwaartepunt van de zorg voor [het kind] op dit moment ook bij de vader ligt en dat budget is bedoeld voor de verzorging van [het kind] . Op de momenten dat [het kind] bij de moeder is kan zij de alimentatie die zij van de vader ontvangt aanwenden voor de kosten van [het kind] ’s opvoeding en verzorging. Zorgregeling wijziging 6.4. Op grond van artikel 1:377e gelezen in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een beslissing inzake de
verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een door de ouders onderling getroffen
verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen als nadien de omstandigheden
zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige
gegevens is uitgegaan. 6.5. Gebleken is dat er geruime tijd geen uitvoering meer wordt gegeven aan de
zorgregeling die de ouders hebben vastgelegd in het door hen op 4 februari 2021 ondertekende ouderschapsplan. De rechtbank is van oordeel dat dit een relevante wijziging van omstandigheden is die een herbeoordeling van de zorgregeling rechtvaardigt. Daarmee kunnen de ouders worden ontvangen in hun verzoek om de zorgregeling te wijzigen. Zorgregeling inhoudelijk 6.6. Er zijn veel zorgen (geweest) over de gezondheid van [het kind] . De rechtbank ziet dat de ouders het daar beiden heel moeilijk mee hebben (gehad). De rechtbank ziet ook dat de ouders daarin verschillend hebben gehandeld en nog steeds verschillend handelen. Ieder vanuit hun eigen visie en binnen hun eigen mogelijkheden. De vader stelt duidelijke kaders en handelt doortastend. De moeder stelt zich afwachtender op en reageert meer op hetgeen [het kind] laat zien en aangeeft. De aanpak van de vader lijkt voor de gezondheid van [het kind] effectiever dan die van de moeder. Hierbij speelt mee dat, zoals de moeder tijdens de zitting heeft toegelicht, zij een voorgeschiedenis heeft met eetproblemen en dat dat een rol heeft gespeeld in hoe zij [het kind] opvoedt. Het is goed dat de moeder herkent en erkent dat zij hierdoor niet altijd de juiste keuzes heeft gemaakt voor [het kind] en dat zij hieraan heeft gewerkt en wil blijven werken. De rechtbank vindt ook dat de moeder daaraan moet blijven werken. De rechtbank is het dan ook met de Raad eens dat er hulpverlening moet worden ingezet om de moeder te helpen om meer te kunnen aansluiten bij wat [het kind] nodig heeft en om haar eigen ervaringen met eten naast zich neer te kunnen leggen. 6.7. De rechtbank vindt het mooi om te zien dat de ouders tijdens de zitting elkaars kwaliteiten konden benoemen. Ouders hebben daarbij beiden de wens uitgesproken om in de toekomst weer gezamenlijk voor [het kind] te kunnen zorgen. De rechtbank hoopt dat de ouders die wens kunnen waarmaken, dat zij de kwaliteiten van de ander blijven zien en zich ervan bewust zijn en blijven wat de ander [het kind] te bieden heeft. Ook meent zij dat het goed is dat ouders beseffen dat de situatie waarin zij zich bevinden veel van hen vraagt. Waar het in een relatie heel mooi is als de kwaliteiten van de ouders elkaar aanvullen, is dat bij gescheiden ouders lastiger omdat zij, in het belang van de opvoeding van hun kind, ook deels de kwaliteiten van de ander moeten (kunnen) inzetten. Voor de moeder betekent dit dat zij [het kind] meer structuur en begrenzing moet bieden dan zij van nature zou doen. De rechtbank ziet dat de structuur en de duidelijkheid die de vader van nature brengt beter aansluit bij wat [het kind] nodig heeft om te kunnen omgaan met de EoE. Zij meent daarom dat het zwaartepunt van de zorg voorlopig nog bij de vader moet liggen. De rechtbank is het echter ook met de Raad eens dat [het kind] ook regelmatig contact moet hebben met de moeder en dat de zorgregeling tussen [het kind] en de moeder moet worden opgebouwd. De rechtbank vindt dit ook in het belang van [het kind] ; ook de moeder heeft hem veel te bieden. De rechtbank weegt daarbij in positieve zin mee de opstelling van de moeder waarin zij op momenten in het belang van [het kind] haar eigen gevoel parkeert, terwijl zij ziet dat [het kind] worstelt. Dat zij, ondanks de zeer heftige uitspraken van [het kind] over haar, hem daar niet op aanspreekt, maar dat even laat zijn om hem daarna op te vangen. Ook weegt de rechtbank mee dat de moeder een steunend netwerk heeft waar zij ook actief gebruik van maakt. Zo eten [het kind] en de moeder op de zondag vaak samen met opa en oma (mz). 6.8. De rechtbank ziet, net als de Raad, geen reden om te bepalen dat de omgang tussen [het kind] en de moeder begeleid moet plaatsvinden zoals de vader oppert. Daarvoor geven de signalen die de vader noemt onvoldoende aanleiding. Dat [het kind] , sinds hij zijn moeder weer onbegeleid ziet, brutaler is vindt de rechtbank niet zorgelijk. Niet alleen is [het kind] ’s gezondheid vooruitgegaan en heeft hij nu energie om zich afzetten, maar ook is duidelijk dat sprake is van een (fors) loyaliteitsconflict bij [het kind] , zoals ook door alle betrokkenen wordt genoemd. De vader benadrukt dat [het kind] veel meekrijgt van de strijd tussen de ouders. Dat dat zo is blijkt ook uit de heftige uitspraken die hij doet tegen de moeder. Het is dan logisch dat het feit [het kind] zijn moeder meer ziet, invloed heeft op hoe hij zich gedraagt bij de vader en dat hij zich daar mogelijk ook afreageert. De rechtbank acht het wel noodzakelijk dat [het kind] hierin wordt begeleid door de GI en dat de moeder wordt ondersteund. De rechtbank vindt het daarvoor belangrijk dat de moeder haar behandeling bij GGNet voortzet, maar ook dat GI er zorg voor draagt dat de hulpverlening die de moeder nodig heeft in het contact met [het kind] spoedig wordt ingezet. 6.9. Gezien de zorgen en de vele ontwikkelingen in de afgelopen paar maanden vindt de rechtbank het op dit moment niet in het belang van [het kind] om de zorgregeling vast te stellen die de moeder verzoekt. De rechtbank zal de verzoeken over de zorgregeling daarom aanhouden en een (nieuwe) voorlopige zorgregeling vaststellen, inhoudende dat [het kind] bij de moeder verblijft op de woensdagmiddag van 12.00 tot 18.30 uur en de zondagmiddag van 12.00 tot 18.30 uur. Dit is een iets ruimere regeling dan de voorlopige zorgregeling zoals door de kinderrechter op 12 maart 2026 was bepaald. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het verblijf van [het kind] bij de moeder zorgvuldig moet worden opgebouwd. De voorlopige regeling kan de komende periode onder regie van de GI worden uitgebreid. Omdat de door de rechtbank bepaalde regeling zal doorlopen tijdens de vakanties en feestdagen, meent de rechtbank dat de GI de regeling moet kunnen aanpassen om de vader de mogelijkheid te kunnen bieden om met [het kind] op vakantie te gaan. 6.10. De rechtbank zal iedere verdere beslissing op de (definitieve) zorgregeling en de proceskosten aanhouden tot 15 oktober 2026 pro forma. De rechtbank verzoekt de advocaten van de ouders om de rechtbank en de Raad uiterlijk op de genoemde pro forma datum schriftelijk te informeren over de stand van zaken en de gewenste voortgang van de procedure, zo nodig onder vermelding van de verhinderdata. 6.11. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat als het onverhoopt niet lukt om uitvoering te geven aan de voorlopige zorgregeling of als er anderszins aanleiding is om de rechtbank en de Raad te willen informeren vóór de hiervoor genoemde pro forma datum, de ouders die datum niet hoeven af te wachten en de rechtbank en de Raad eerder kunnen informeren. Uitvoerbaar bij voorraad 6.12. De rechtbank verklaart haar beslissing over de hoofdverblijfplaats en de voorlopige zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing ook blijft gelden als iemand in hoger beroep gaat en zolang het gerechtshof niet anders beslist. 7De beslissing De rechtbank: 7.1. wijzigt de hoofdverblijfplaats van:
- [het kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats]
en bepaalt dat hij voortaan zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vader; 7.2. wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 22 maart 2021 en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan van 4 februari 2021 en stelt vast als voorlopige regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat [het kind] bij de moeder verblijft op: de woensdagmiddag van 12.00 tot 18.30 uur en de zondagmiddag van 12.00 tot 18.30 uur,
waarbij de regeling onder regie van de gecertificeerde instelling kan worden aangepast of uitgebreid met in acht name van hetgeen is opgemerkt onder overweging 6.8 en 6.9. 7.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; alvorens verder te beslissen 7.4. houdt iedere verdere beslissing over de zorgregeling en de proceskosten aan tot 15 oktober 2026 pro forma en verzoekt de advocaten van partijen om de rechtbank uiterlijk op de hiervoor genoemde pro forma datum schriftelijk te informeren over de stand van zaken en de gewenste voortgang van de procedure, zo nodig met vermelding van de verhinderdata. Deze beschikking is gegeven door mr. K. van der Lee, mr. G. Hilberink en mr. J.L.F. van den Tooren, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.A.L. Hilgeman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026. !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! In de zaken met zaakgegevens C/05/460930 / ZJ RK 25/1057 (verlenging ondertoezichtstelling), C/05/460324 / ZJ RK 25-1020 (machtiging uithuisplaatsing) en C/05/460326 / ZJ RK 25/1021 (wijziging zorgregeling). Eosinofiele oesofagitis, een chronische ontsteking van de slokdarm.