Schadevergoeding op grond van artikel 44 Wzd. Verblijf in zorginstelling zonder geldige titel. Rechtbank wijst verzoek gedeeltelijk toe en matigt de hoogte van de schadevergoeding.
Rechtbank Gelderland 2 October 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:7129
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-09-2026
Datum publicatie
02-10-2026
Zaaknummer
C/05/470416
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
ECLI:NL:RBGEL:2026:7129text/xmlpublic2026-10-02T09:41:092026-09-16Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2026-09-01C/05/470416UitspraakBeschikkingNLArnhemCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7129text/htmlpublic2026-10-02T09:40:492026-10-02Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2026:7129 Rechtbank Gelderland , 01-09-2026 / C/05/470416 Schadevergoeding op grond van artikel 44 Wzd. Verblijf in zorginstelling zonder geldige titel. Rechtbank wijst verzoek gedeeltelijk toe en matigt de hoogte van de schadevergoeding.
beschikking RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats Arnhem Zaakgegevens: C/05/470416 / FA RK 26/2971 Datum uitspraak: 1 september 2026 Beschikking over schadevergoeding op grond van artikel 44 Wet zorg en dwang (Wzd) naar aanleiding van het ingediende verzoekschrift van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1939,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. M.J.M. Houben te Wessem, ter verkrijging van een beslissing over een verzoek om schadevergoeding door: de burgemeester van de gemeente Arnhem
wonende te Arnhem,
hierna te noemen: de burgemeester, en de zorgaanbieder Stichting Proteion
gevestigd in [plaats] ,
hierna te noemen: de zorgaanbieder. 1Procesverloop1.1. Het procesverloop blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 24 juli 2026; het schriftelijk standpunt namens Stichting Proteion van 6 augustus 2026. 1.2. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2026, in het gebouw van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem. 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling zijn gehoord: de advocaat van verzoeker;
[persoon 1] en [persoon 2] , de dochters van verzoeker;
[persoon 3] , als [functie] verbonden aan Stichting Proteion. 1.4. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is (een vertegenwoordiger van) de burgemeester van de gemeente Arnhem niet verschenen. Ook heeft de rechtbank geen verweerschrift ontvangen. 2Feiten2.1. Op 13 juli 2026 heeft de burgemeester van de gemeente Arnhem de inbewaringstelling afgegeven. Op basis van deze inbewaringstelling is verzoeker dezelfde avond opgenomen in een accommodatie van Stichting Proteion in [plaats] . Op 14 juli 2026 is partijen bekend geworden dat de inbewaringstelling niet door de bevoegde burgemeester is afgegeven en dat deze inbewaringstelling dus ongeldig was. 2.2. Op 14 juli 2026 is door het CIZ een aanvraag op grond van artikel 21 Wzd voor verzoeker gedaan, waarop op 22 juli 2026 positief is beslist. 2.3 Op 23 juli 2026 is verzoeker overgeplaatst naar [instelling] in [plaats] , een kleinschalig verpleeghuis voor ouderen met dementie. 3Verzoek3.1. Verzoeker heeft primair verzocht om de gemeente Arnhem en/of de zorgaanbieder te veroordelen tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding ter hoogte van € 1.000,-, dan wel een door de rechtbank naar billijkheid vast te stellen bedrag. Ook wordt verzocht dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze beschikking tot en met de dag van de betaling. Verzoeker heeft subsidiair verzocht om de gemeente Arnhem te veroordelen tot een schadevergoeding over de duur van de inbewaringstelling, te begroten op € 300,- en de zorgaanbieder te veroordelen tot acht dagen, te begroten op € 800,-. Tot slot is verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. Ter onderbouwing van het verzoek brengt verzoeker onder meer het volgende naar voren. De inbewaringstelling die op 13 juli 2026 is afgegeven voldoet niet aan de vereisten zoals vermeld in de Wzd. Op grond van artikel 29 lid 1 Wzd is de burgemeester waar de betrokkene zich bevindt bevoegd om een inbewaringstelling af te geven. Ten tijde van het medisch onderzoek bevond verzoeker zich in [plaats] dat behoort tot de [gemeente] . Dit betekent dat de burgemeester van de gemeente Arnhem niet bevoegd is om de beschikking tot inbewaringstelling te verlenen. Vervolgens is verzoeker vervoerd vanuit [plaats] naar Stichting Proteion in [plaats] . Verzoeker is hier vervolgens tien dagen opgenomen geweest. Verzoeker heeft dus op onrechtmatige wijze, zonder rechtsgeldige titel, verbleven op de accommodatie van Stichting Proteion in [plaats] . Vanuit de gemeente is geen initiatief genomen om een einde te maken aan de inbewaringstelling. Ook de zorgaanbieder heeft geen initiatief genomen. Op grond van artikel 48 Wzd had de zorgaanbieder ambtshalve ontslag moeten verlenen. Verzoeker heeft daarom recht op een schadevergoeding. Verzoeker heeft nadeel ondervonden. Immers, zijn vrijheid is ontnomen en hij werd tegen zijn zin in vervoerd naar Limburg. Hij kwam op een onbekende plek en was ver weg van zijn familie. Hij heeft een beperking van zijn bewegingsvrijheid moeten dulden en heeft stress ervaren in verband met de onzekerheid rondom zijn verblijf en opname. Verzoeker heeft immateriële schade geleden door de gedwongen opname en verblijf in de Wzd-accommodatie zonder rechtsgeldige titel en een onvrijwillig verblijf'. Verzoeker verwijst naar de oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken van het Landelijk Overleg Vakinhoud Familierecht (het LOVF) en maakt daarom aanspraak op € 100,- per dag. Nu verzoeker tien dagen bij Stichting Proteion heeft verbleven, wordt de schadevergoeding begroot op € 1000,-. 4Verweer van de zorgaanbieder4.1. De zorgaanbieder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot schadevergoeding van verzoeker. Verzoeker is op 13 juli 2026 opgenomen bij de zorgaanbieder met een inbewaringstelling. Vanaf het moment dat verzoeker werd opgenomen geldt er een zorgplicht die de zorgaanbieder in acht moet nemen. Te meer nu verzoeker een indicatie heeft waarbij er behoefte is aan zeer intensieve begeleiding bij een onderliggende dementie. Het is op dat moment niet verantwoord om verzoeker met ontslag te laten gaan, omdat zijn veiligheid op zijn locatie van herkomst niet gegarandeerd is. Op 14 juli 2026 wordt een aanvraag voor een artikel 21 (besluit tot opname bij geen verzet) bij het CIZ opgestart. Verzoeker vertoont geen verzet tegen de opname en er is geen sprake van acuut gevaar. In afwachting van het besluit van het CIZ hierover, kan verzoeker bij de zorgaanbieder verblijven. Er wordt ingezet op plaatsing in de eigen regio van verzoeker bij een organisatie die aan zijn zorgbehoefte kan voldoen, in tegenstelling tot de plek waar verzoeker tot dan toe in de eigen regio verbleef. Tijdens het verblijf heeft verzoeker één keer aanstalten gemaakt om naar buiten te gaan en één keer aangegeven dat hij terug naar zijn eigen regio wilde. Aangezien acties in gang waren gezet om dit te realiseren, met instemming van de naasten, is op dat moment niet meer overgegaan tot het aanvragen van een inbewaringstelling. 4.2. De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat het niet aan haar te verwijten is dat er een niet rechtsgeldige inbewaringstelling is uitgeschreven. De zorgaanbieder kon niet vermoeden dat deze inbewaringstelling door een vormfout zou komen te vervallen. De zorgaanbieder heeft op het moment dat verzoeker aanwezig was op de afdeling een zorgplicht richting hem. De zorgaanbieder heeft geen ontslag verleend, omdat dit gezien de situatie onverantwoord zou zijn geweest. Bij de zorginstelling van herkomst kan niet de zorg worden geboden die verzoeker nodig heeft. Verzoeker heeft onvoldoende verzet laten zien om te concluderen dat hij het oneens was met de opname. Verzoeker werd ook niet extra in zijn vrijheid beperkt. Verzoeker mocht onder begeleiding naar buiten. De begeleiding was nodig, omdat het niet verantwoord was om verzoeker alleen erop uit te laten gaan. De zorgaanbieder stelt zich bovendien op het standpunt dat op 22 juli 2026 een artikel 21 Wzd is afgegeven, waardoor betrokkene zeven dagen in plaats van acht dagen zonder verblijfstitel op de afdeling heeft verbleven. 5Beoordeling Het wettelijk kader 5.1. Uit artikel 44 lid lid 1 Wzd volgt dat indien de wet niet in acht is genomen door de gemeente of de zorgaanbieder, de cliënt de rechter kan verzoeken tot schadevergoeding. De rechter kent in dat geval een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe. 5.2. Op grond van artikel 24 lid 1 Wzd is onvrijwillige opname en verblijf of voortzetting van het verblijf van een betrokkene alleen mogelijk met een rechterlijke machtiging in een geregistreerde accommodatie. Krachtens artikel 24 lid 2 onder a Wzd is de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf onvrijwillig indien een betrokkene van twaalf jaar of ouder of zijn vertegenwoordiger zich daartegen verzet. 5.3. Op grond van artikel 29 lid 1 Wzd is onvrijwillige opname in een geregistreerde accommodatie van een persoon zonder rechterlijke machtiging, in afwijking van artikel 24 lid 1, mogelijk met een beschikking tot inbewaringstelling van de burgemeester van de gemeente waarin de betreffende persoon zich bevindt. Het verzoek tot schadevergoeding 5.4 De rechtbank dient te beoordelen of verweerster als zorgaanbieder in dit geval de wet niet in acht heeft genomen, omdat verzoeker van 13 juli tot en met 23 juli 2026 zonder recht of titel in de zorginstelling Proteion heeft verbleven waardoor sprake was van onrechtmatige vrijheidsbeneming. De rechtbank stelt vast dat dit deels het geval is geweest en maakt daarbij onderscheid tussen de twee hierna genoemde periodes. Periode 13 juli tot en met 16 juli 2026 (inbewaringstelling) 5.4. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker tijdens de looptijd van de inbewaringstelling zonder geldige titel bij de accommodatie opgenomen is geweest en overweegt daartoe het volgende. 5.5. Op 13 juli 2026 is een inbewaringstelling door de burgemeester van de gemeente Arnhem afgegeven, terwijl verzoeker zich op dat moment bevond in zijn woonplaats [plaats] , in de [gemeente] . De inbewaringstelling is daarmee door een onbevoegde burgemeester afgegeven. Dit betekent dat er in deze periode geen geldige titel aanwezig was om verzoeker op te nemen in de accommodatie. De zorgaanbieder heeft tijdens de zitting nog naar voren gebracht dat zodra van dit gebrek kennis was genomen op 14 juli 2026 de inbewaringstelling er door hem “is afgehaald”, maar daarvan blijkt niet uit de onderliggende stukken. Niet is komen vast te staan dat de inbewaringstelling eerder is beëindigd door de zorgaanbieder. Dat betekent dat verzoeker drie dagen, zonder geldige titel bij de accommodatie opgenomen is geweest. Nu deze onrechtmatigheid is toe te schrijven aan een gedraging van de burgemeester van de gemeente Arnhem is deze aan verzoeker een schadevergoeding verschuldigd over deze periode. Periode 17 juli tot en met 23 juli 2026 5.6. Ten aanzien van het aansluitend verblijf van verzoeker in de accommodatie na afloop van de (ongeldige) inbewaringstelling overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan door verzoeker is gesteld is de rechtbank van oordeel dat er in deze periode geen sprake is geweest van een onvrijwillig verblijf in de accommodatie en daarmee het ontbreken van een rechtsgeldige titel. 5.7. Daarbij dient de rechtbank vast te stellen of sprake is geweest van verzet aan de kant van verzoeker. De rechtbank overweegt dat verzet in de zin van de Wzd moet worden aangenomen als het gedrag van verzoeker duidelijk afwijkt van het bekende gedragspatroon en het bij de stoornis passende gedrag. Daaruit volgt dat de momenten van afwijzing binnen een grillig gedragspatroon, zoals bijvoorbeeld bij dementie het geval kan zijn, niet onmiddellijk hoeven te worden aangemerkt als zorg waartegen verzoeker zich verzet. Wordt het verzet echter met een zekere consistentie geuit, dan zal de zorgverlener het verzet serieus moeten nemen. De zorgaanbieder heeft toegelicht dat verzoeker al direct op de dag na aankomst (14 juli 2026) rustig was en geen verzet toonde. Verzoeker heeft nog wel een keer aanstalten gemaakt om naar buiten te gaan, maar daar bleef het bij. Dit gedrag van verzoeker was voor de zorgaanbieder ook de reden om in overleg met het CIZ een artikel 21 Wzd aanvraag te doen en niet door te gaan met een gedwongen kader. Ook het feit dat deze aanvraag een week later is verleend levert steun op voor het standpunt van de zorgaanbieder dat er geen sprake was van verzet in de zin van de Wzd. Weliswaar hebben de dochters van verzoeker tijdens de zitting aangegeven dat verzoeker tijdens bezoekmomenten aan hen heeft aangegeven naar huis toe te willen, maar dat vindt de rechtbank onvoldoende om te spreken van consistent verzet. 5.8. Voorzover namens verzoeker nog is betoogd dat hij feitelijk opgesloten heeft gezeten wat op zichzelf al duidt op een onrechtmatig verblijf kan de rechtbank dit standpunt niet volgen. De zorgaanbieder heeft toegelicht dat zodra bekend werd dat verzoeker op grond van een ongeldige inbewaringstelling opgenomen was, hij vanaf 14 juli 2026 al zoveel mogelijk vrijheden heeft gekregen als passend voor hem was op dat moment. Zo mocht verzoeker naar buiten, maar omdat de omgeving hem vreemd was en gezien zijn ziektebeeld bood de zorgaanbieder in dat geval begeleiding aan. De rechtbank kan dit volgen. 5.9. De rechtbank is daarom van oordeel dat het verblijf vanaf 17 juli 2026 tot en met 23 juli 2026 niet onrechtmatig is geweest. Om die reden zal de rechtbank over deze periode geen schadevergoeding aan verzoeker toekennen. De hoogte van de schadevergoeding 5.10. Uit artikel 44 lid 2 Wzd volgt dat de rechter een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toekent. 5.11. Namens verzoeker is met betrekking tot de hoogte van de vast te stellen schadevergoeding verwezen naar de oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken van het Landelijk Overleg Vakinhoud Familierecht (het LOVF), te weten een vergoeding van € 100,- per dag voor een opname zonder geldige titel. 5.12. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de hoogte van de schadevergoeding te matigen. 5.13. De rechtbank houdt bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding rekening met de ernst van de normschending en met wat de gevolgen hiervan voor verzoeker zijn geweest. De vergoeding van de schade wordt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 25,- per dag. Mede bepalend voor de hoogte van de schadevergoeding is het feit dat verzoeker passende zorg heeft ontvangen en dat hij in dezelfde positie zou hebben verkeerd in het geval dat de burgemeester van [gemeente] de inbewaringstelling had afgegeven. Namens de zorgaanbieder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat er op het moment van afgifte van de inbewaringstelling eerst wordt gezocht naar een plek in de eigen regio van verzoeker. Omdat er op het moment van afgifte geen plek in zijn eigen regio beschikbaar was moest buiten de regio worden gezocht. De zorgaanbieder had op dat moment wel een plek. Tijdens zijn verblijf heeft verzoeker de passende zorg en intensieve begeleiding verkregen die noodzakelijk was gelet op zijn dementie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een bedrag van € 25,- per dag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid passend is in deze situatie. 5.14. Op grond van het voorgaande kent de rechtbank aan verzoeker een vergoeding van de schade toe van 3 dagen x € 25,- = € 75,-. 5.15. Verzoeker heeft verzocht de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De gemeente heeft zich hiertegen niet verzet. De rechtbank zal dat deel van het verzoek daarom toewijzen. 6Beslissing6.1. wijst het verzoek tot schadevergoeding gedeeltelijk toe; 6.2. veroordeelt de burgemeester van de gemeente Arnhem tot betaling van een bedrag van € 75,- aan [verzoeker] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze beschikking tot en met de dag van betaling; 6.3. verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad; 6.4. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. S.S. van Nijen, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026, in aanwezigheid van mr. L.A. Lutje Schipholt, griffier. !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! Tegen deze beslissing staat hoger beroep open op grond van artikel 358 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! Kamerstukken II 2008/09, 31996, nr. 3, p. 9-11.