Onrechtmatige daad; verduistering bedrijfsgoederen; vordering afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
Rechtbank Gelderland 1 October 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:7172
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-09-2026
Datum publicatie
01-10-2026
Zaaknummer
C/05/449107
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBGEL:2026:7172text/xmlpublic2026-10-01T11:50:382026-09-17Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2026-09-16C/05/449107UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLZutphenCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7172text/htmlpublic2026-10-01T11:45:512026-10-01Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2026:7172 Rechtbank Gelderland , 16-09-2026 / C/05/449107 Onrechtmatige daad; verduistering bedrijfsgoederen; vordering afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/449107 / HZ ZA 25-70 Vonnis van 16 september 2026 in de zaak van
[eiser] , voorheen h.o.d.n. [bedrijf 1] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.X.J. Zuidema, tegen
[gedaagde] , voorheen h.o.d.n. [bedrijf 2]
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.L. van der Aa. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 juni 2025,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
- de conclusie van repliek van [eiser] ,
- de conclusie van dupliek van [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten2.1.
[eiser] dreef tot 4 juni 2020 een eenmanszaak handelend onder de naam [bedrijf 1] . [gedaagde] dreef tot 1 juli 2019 een eenmanszaak handelend onder de naam [bedrijf 2] . Laatstgenoemde eenmanszaak is per 1 juli 2019 ondergebracht in de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V. waarvan [gedaagde] de UBO is. 2.2. Partijen hebben via hun eenmanszaken enige tijd samengewerkt. In het kader van deze samenwerking kocht [eiser] via zijn eenmanszaak kozijnen en deuren in bij [bedrijf 3] en verkocht deze met een marge door aan, onder meer, de eenmanszaak van [gedaagde] . De door [eiser] ingekochte kozijnen en deuren werden afgeleverd en opgeslagen in een loods van [gedaagde] , die deze voor een deel kosteloos ter beschikking stelde aan [eiser] . [gedaagde] gebruikte de loods zelf ook. 2.3. Op enig moment laat [gedaagde] ( [bedrijf 2] ) bepaalde facturen van [eiser] ( [bedrijf 1] ) onbetaald en laat [eiser] bepaalde facturen van [bedrijf 3] onbetaald. 2.4. Op 27 maart 2019 heeft [eiser] voor € 211.026,46 aan kozijnen gecrediteerd aan [gedaagde] . 2.5. Op 16 mei 2019 heeft [bedrijf 3] met medeweten en goedkeuren van [eiser] kozijnen teruggehaald uit de loods. Tijdens het inladen van de kozijnen door [bedrijf 3] heeft uiteindelijk een medewerker van [bedrijf 2] haar een halt toegeroepen. Diezelfde dag is [gedaagde] gestopt met de terbeschikkingstelling van de loods aan [eiser] . 2.6.
[eiser] heeft op 6 juni 2019 aangifte gedaan van verduistering door [gedaagde] van een in de loods aanwezig voorraad kozijnen, bedrijfseigendommen, privé-eigendommen en leaseauto’s op naam van [eiser] . 3Het geschil3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ook ten aanzien van de proceskosten: I. te verklaren voor recht dat [gedaagde] uit hoofde van onrechtmatige daad danwel wanprestatie aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade; II. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te vergoeden de door hem geleden schade bestaande uit de waarde van de verdwenen voorraden, de verdwenen inventaris en roerende zaken, alsmede verlies van inkomen uit onderneming, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag ter hoogte van € 4.600,23 ter zake van openstaande facturen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der aanzegging d.d. 7 februari 2023, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; IV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag ter hoogte van € 2.460,24 ter zake van de ontvreemde auto’s, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der aanzegging d.d. 7 februari 2023, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; V. [gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag ter hoogte van € 2.774,24 ter zake van de geldlening, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der aanzegging d.d. 7 februari 2023, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; VI. [gedaagde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke kosten ad € 3.069,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; VII. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de redelijke termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling De kern van de zaak 4.1. De kern van de zaak betreft de vraag of [gedaagde] een voorraad kozijnen en andere eigendommen van [eiser] heeft verduisterd. [eiser] stelt dat hij een voorraad kozijnen, inventaris en andere roerende zaken opgeslagen had in de door [gedaagde] ter beschikking gestelde loods. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hem op 16 mei 2019 de toegang tot de loods ontzegd en zijn eigendommen verduisterd door deze over te brengen naar een voor hem onbekende locatie. Hiermee heeft [gedaagde] een onrechtmatige daad gepleegd en bovendien inbreuk gemaakt op de tussen partijen gesloten mondelinge overeenkomst voor de terbeschikkingstelling van de loods, aldus [eiser] . [eiser] vordert daarom een schadevergoeding, nader op te maken bij staat, voor de verduisterde goederen en het verlies aan inkomsten uit onderneming die daar volgens hem het gevolg van is geweest. Verder vordert hij betaling van meerdere onbetaald gebleven facturen, terugbetaling van een lening en betaling van kosten voor leaseauto’s die op zijn naam staan, maar die door [gedaagde] zijn gebruikt. 4.2.
[gedaagde] betwist dat er nog goederen in eigendom van [eiser] in de loods aanwezig waren, behoudens enkele goederen die hij nadien aan hem ter beschikking heeft gesteld. Van een onrechtmatige daad of wanprestatie is daarom volgens hem geen sprake. [gedaagde] betwist bovendien de verschuldigdheid van de facturen en de kosten met betrekking tot de leaseauto’s, alsmede het bestaan van een geldleningsovereenkomst. De onrechtmatige daad en wanprestatie 4.3.
[eiser] vordert onder I een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is uit hoofde van een onrechtmatige daad, dan wel een wanprestatie, voor de door hem geleden schade. Onder II vordert [eiser] vergoeding van zijn schade, nader op te maken bij staat, bestaande uit de uit de loods verdwenen voorraad, inventaris en (andere) roerende zaken en het verlies aan inkomen uit onderneming ten gevolge van de verduistering van deze goederen door [gedaagde] . [eiser] onderbouwt zijn beroep op onrechtmatige daad en wanprestatie, kort gezegd, met de stelling dat [gedaagde] hem de toegang tot de loods heeft ontzegd en de nog daarin aanwezige goederen van hem heeft verduisterd. Hierna zal daarom beoordeeld worden of vaststaat dat [gedaagde] goederen van [eiser] heeft verduisterd. Voorraad kozijnen 4.4.
[eiser] stelt dat er een voorraad kozijnen van hem aanwezig was in de loods toen hem de toegang tot de loods werd ontzegd en dat [gedaagde] deze kozijnen vervolgens heeft verplaatst naar een voor hem onbekende locatie. [gedaagde] betwist dat er nog kozijnen van [eiser] aanwezig waren in de loods. Hij betoogt dat [bedrijf 3] op 16 mei 2019 de kozijnen van [eiser] heeft teruggenomen, dat daarna slechts kozijnen van hemzelf aanwezig waren in de loods en dat hij deze kozijnen heeft overgebracht naar een andere loods. 4.5. Ter onderbouwing van zijn stelling dat er nog een voorraad kozijnen van hem aanwezig was in de loods, heeft [eiser] het volgende aangevoerd. [eiser] stelt dat hij kozijnen en deuren inkocht bij [bedrijf 3] en deze liet afleveren in de loods. [bedrijf 3] hanteerde daarbij een betalingstermijn van 60 dagen. [eiser] verkocht deze geleverde kozijnen vervolgens door aan [gedaagde] en een derde, DHK Kozijnen, met een gebruikelijke winstmarge van 25% en een betalingstermijn van 14 dagen. Na betaling ontvangen te hebben, betaalde [eiser] [bedrijf 3] en leverde hij de door hem verkochte kozijnen ex artikel 3:115 sub b BW aan, onder meer, [gedaagde] . 4.6. Uit de inkoopfacturen van [eiser] bij [bedrijf 3] volgt dat hij in de periode van 20 november 2018 tot en met 26 april 2019 voor € 300.745,89 aan kozijnen en deuren geleverd heeft gekregen. In diezelfde periode heeft [eiser] voor € 399.545,61 aan verkoopfacturen opgemaakt. Hiervan is voor een bedrag van € 56.201,40 aan kozijnen gekocht en betaald door DKH Kozijnen en voor een bedrag van € 122.087,51 aan kozijnen gekocht en betaald door [gedaagde] . Derhalve resteert medio mei 2019 een voorraad ten bedrage van € 221.256,70 (€ 399.545,61 - € 56.201,40 - € 122.087,51) aan verkoopfacturen die niet is betaald en dus eigendom is gebleven van [eiser] . 4.7.
[eiser] stelt voorts dat hij nog een bedrag van € 177.917,07 aan (inkoop)facturen had openstaan bij [bedrijf 3] toen zij kozijnen en deuren kwam ophalen uit de loods op 16 mei 2019. Volgens [eiser] is dat naar alle waarschijnlijkheid de waarde van de voorraad die [bedrijf 3] heeft opgehaald en aan hem heeft gecrediteerd. Hieruit volgt volgens [eiser] dat een aan hem in eigendom toebehorende voorraad ter waarde van € 43.339,64 (€ 221.256,70 - € 177.917,07) is achtergebleven in de loods toen hem de toegang werd ontzegd door [gedaagde] . 4.8. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn onderbouwing. Zelf als [eiser] wordt gevolgd in zijn stellingen – [gedaagde] betwist deze, volgens hem heeft [bedrijf 3] een grotere waarde aan kozijnen weggehaald en heeft hij voor een groter bedrag aan facturen voldaan aan [eiser] – dan leidt dit niet tot de conclusie dat er nog kozijnen van hem zijn achtergebleven in de loods. Immers, [eiser] zet de waarde van de nog openstaande inkoopfacturen bij [bedrijf 3] (inkoopwaarde van de kozijnen) af tegen de waarde van zijn voorraad die hij heeft berekend aan de hand van niet betaalde verkoopfacturen (verkoopwaarde van de kozijnen). Volgens zijn eigen stellingen, hanteerde [eiser] een marge van 25% bij de verkoop van de kozijnen en deuren. Zodoende vertegenwoordigen de nog openstaande inkoopfacturen bij [bedrijf 3] ten bedrage van € 177.917,07 een verkoopwaarde van € 222.396,34 (€ 177.917,07 x 1,25). Als dit afgezet wordt tegen de door [eiser] berekende voorraad in verkoopwaarde van € 221.256,70, dan leidt dit juist tot de conclusie dat [bedrijf 3] voor meer waarde aan kozijnen en deuren heeft weggenomen dan nog in eigendom toebehoorde aan [eiser] . Daarmee heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd – nog daargelaten de betwistingen van [gedaagde] – dat er nog een voorraad kozijnen van hem in de loods is achtergebleven. De vordering tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade (zoals gevorderd onder II) is daarom voor wat betreft de voorraad kozijnen niet toewijsbaar. Inventaris en andere roerende zaken 4.9.
[eiser] stelt dat in de loods verder voor € 10.854,99 (€ 8.683,99 na aftrek van een afschrijvingspercentage van 20%) aan inventaris en andere roerende zaken opgeslagen was in de loods. [eiser] heeft als productie 11 een lijst overgelegd van de goederen die het volgens hem betreft. Ten aanzien van de in productie 11 genoemde steekkar, computerschermen, telefooncentrale, koffiemachine en kantoormeubilair betwist [gedaagde] dat [eiser] eigenaar is. Volgens [eiser] zijn deze goederen door Graphics Group voor hem aangeschaft. [gedaagde] heeft echter als productie 3 bij conclusie van antwoord een e-mailbericht namens Graphics Group overgelegd waarin zij bevestigt dat deze goederen zijn overgenomen door [bedrijf 2] en dus in eigendom toebehoren aan [gedaagde] . In dit licht heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat hij de eigenaar is van deze goederen, zodat zijn vordering onder II voor wat betreft deze goederen niet toewijsbaar is. 4.10.
[gedaagde] heeft ten aanzien van de in productie 11 genoemde banden en accuboormachine erkend dat deze in eigendom toebehoren aan [eiser] en aangevoerd – onderbouwd met een e-mailbericht – dat hij reeds buiten rechte [eiser] heeft aangeboden dat hij deze goederen kan ophalen. Daarmee is van verduistering of schade aan de zijde van [eiser] geen sprake. Voor wat betreft de overige in productie 11 opgesomde goederen betwist [gedaagde] dat deze in de loods opgeslagen waren. Door [eiser] zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit afgeleid kan worden dat deze goederen aanwezig waren in de loods op het moment dat hem de toegang ontzegd werd. Dit had, gelet op de betwisting van [gedaagde] , wel op zijn weg gelegen. Een en ander leidt ertoe dat de vordering ook ten aanzien van de overige inventaris en andere roerende zaken afgewezen zal worden. Verlies aan inkomen uit onderneming 4.11.
[eiser] heeft onder II tot slot vergoeding van schade wegens gederfde inkomsten uit zijn onderneming ( [bedrijf 1] ) gevorderd. [eiser] stelt dat hij door de verduistering van zijn bedrijfsvoorraad en andere bedrijfseigendommen door [gedaagde] , zijn onderneming heeft moeten stoppen, hetgeen tot gederfde inkomsten heeft geleid. Nu hiervoor geoordeeld is dat niet vast staat dat [gedaagde] goederen van [eiser] heeft verduisterd, kan dit deel van de vordering evenmin toegewezen worden. Slotsom onrechtmatige daad en wanprestatie 4.12. Met het oordeel dat niet vast staat dat [gedaagde] goederen van [eiser] heeft verduisterd, is geen sprake van een onrechtmatige daad. Het beroep op wanprestatie heeft [eiser] , naast zijn stelling dat [gedaagde] goederen heeft verduisterd, verder gegrond op de stelling dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat [gedaagde] een opzegtermijn had moeten hanteren bij het beëindigen van de terbeschikkingstelling van de loods (artikel 6:248 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Ook dit beroep baat [eiser] niet. Uitgangspunt is dat een duurovereenkomst, zoals de onderhavige, opzegbaar is. Weliswaar kunnen de redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en inhoud van overeenkomst en de omstandigheden van het geval met zich brengen dat bij de opzegging een opzegtermijn gehanteerd moet worden, maar [eiser] heeft in dit kader slechts aangevoerd dat dit van [gedaagde] verwacht mocht worden opdat [eiser] zijn in de loods aanwezige eigendommen kon veiligstellen. Zoals hiervoor geoordeeld, staat niet vast dat er nog goederen van [eiser] aanwezig waren in de loods. Daarmee heeft [eiser] te weinig feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat [gedaagde] op grond van de redelijkheid en billijkheid een opzegtermijn in acht had moeten nemen. Het beroep op wanprestatie slaagt daarom evenmin, zodat de onder I gevorderde verklaring voor recht afgewezen zal worden. Openstaande facturen 4.13.
[eiser] vordert verder betaling van € 4.600,23 aan onbetaald gebleven facturen ter zake leveringen van kozijnen en deuren aan [gedaagde] . [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van deze facturen en heeft er in dit kader op gewezen dat noch pakbonnen of ander bewijs van levering, noch bewijs van aan de facturen ten grondslag liggende orders door [eiser] zijn overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] erkend dat hij niet beschikt over onderliggende bewijsstukken. Gelet op de betwisting van [gedaagde] en het ontbreken van enige onderliggende (bewijs)stukken, zal deze vordering als onvoldoende onderbouwd afgewezen worden. Kosten ontvreemde auto’s 4.14.
[eiser] vordert voorts op grond van artikel 6:162 BW vergoeding van de kosten die hij heeft moeten maken voor twee leaseauto’s op zijn naam, die door [gedaagde] onrechtmatig werden gebruikt. Het betreft een verkeersboete van € 109,00 en een bedrag van € 420,00 voor een Ford en een restbedrag van twee maanden van € 1.032,23, reinigingskosten van € 133,02 en een naheffing en onderhoud van € 755,99 voor een Mercedes Benz. [gedaagde] heeft echter onweersproken aangevoerd dat hij de auto’s met medeweten en goedkeuren van [eiser] gebruikte. [eiser] heeft weliswaar aangevoerd dat [gedaagde] de auto’s nog enkele maanden na het beëindigen van de samenwerking tussen partijen heeft gebruikt, maar niet is gebleken dat [eiser] [gedaagde] heeft aangesproken of heeft gesommeerd om het gebruik van de auto’s te beëindigen. Zonder nadere motivering – die ontbreekt – valt daarom niet in te zien dat sprake was van onrechtmatig gebruik door [gedaagde] en dus van een onrechtmatige daad. Bovendien heeft [gedaagde] erop gewezen dat voor elk van de posten, behoudens de boete, een factuur ontbreekt en dat van de boete geen betalingsbewijs is overgelegd. De omvang van de vordering is daarmee evenmin voldoende onderbouwd, zodat de vordering afgewezen zal worden. Geldlening 4.15.
[eiser] vordert tot slot terugbetaling van een geldlening van € 2.774,27. Hij stelt dat hij op 27 maart 2019 dit bedrag aan [gedaagde] heeft geleend, omdat [gedaagde] een van zijn personeelsleden niet kon betalen. [gedaagde] betwist de geldlening. Volgens [gedaagde] was de betreffende medewerker op dat moment niet bij hem in dienst, maar was het een opdrachtnemer van [eiser] . [gedaagde] erkent dat de medewerker uiteindelijk wel bij hem in dienst is getreden, maar hij betwist dat partijen een lening zijn overeengekomen met betrekking tot de door [eiser] verrichte betaling. Hoewel [eiser] een betalingsbewijs heeft overgelegd waaruit volgt dat hij het gevorderde bedrag heeft overgemaakt aan de medewerker, is daarmee niet onderbouwd dat de medewerker toen in dienst was bij [gedaagde] en evenmin dat partijen een lening ten aanzien van deze betaling zijn overeengekomen. De vordering zal daarom als onvoldoende onderbouwd afgewezen worden. Buitengerechtelijke kosten 4.16.
[eiser] vordert vergoeden van buitengerechtelijke kosten van € 3.069,06. Nu alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen, ontbreekt een grondslag voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten, nog daargelaten dat deze kosten niet zijn onderbouwd door [eiser] . Deze vordering zal daarom afgewezen worden. Proceskosten 4.17.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 1.374,00 - salaris advocaat € 1.632,50 (2,5 punten × € 653,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.184,50 5De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 3.184,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026. Het vonnis is bij afwezigheid van mr. D. Vergunst ondertekend door de rolrechter mr. K.H.A. Heenk !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!