Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBGEL:2026:7210

Doorschuifregeling aanmerkelijk belang. Gemengd gebruik. Keuzevermogen voor de inkomstembelasting. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbenden aannemelijk hebben gemaakt dat een tot het vermogen van de vennootschap behorende onroerende zaak in gemengd gebruik is, en – ware sprake van een IB-onderneming – als keuzevermogen zou hebben te gelden. Gelet op de parlementaire geschiedenis bij de b...

Rechtbank Gelderland 30 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2026:7210 text/xml public 2026-09-30T13:35:13 2026-09-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-09-25 ARN 25/2053 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7210 text/html public 2026-09-30T13:28:53 2026-09-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:7210 Rechtbank Gelderland , 25-09-2026 / ARN 25/2053
Doorschuifregeling aanmerkelijk belang. Gemengd gebruik. Keuzevermogen voor de inkomstembelasting. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbenden aannemelijk hebben gemaakt dat een tot het vermogen van de vennootschap behorende onroerende zaak in gemengd gebruik is, en – ware sprake van een IB-onderneming – als keuzevermogen zou hebben te gelden. Gelet op de parlementaire geschiedenis bij de bedrijfsopvolgingsregeling voor de Successiewet en het standpunt van de kennisgroepen aanmerkelijk belang en Successiewet mag de onroerende zaak in dat geval ook voor de toepassing van de doorschuifregeling tot het ondernemingsvermogen worden gerekend. Beroep gegrond.

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/2053
<?linebreak?>uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 september 2026
in de zaak tussen
<?linebreak?> [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 maart 2025.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.041, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 400.141 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.216.

Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 1.213 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking)

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld, tegelijk met het beroep van de erven [erflaatster] (zaaknummer ARN 25/2055). Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, vergezeld door [persoon 1] (accountant), en namens de inspecteur [persoon 2] en [persoon 3] .
Feiten
1. Belanghebbende was tot 6 november 2020 in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd met [erflaatster] (erflaatster). Op die datum is erflaatster overleden. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden onder meer certificaten van aandelen in [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ).

2. Per overlijdensdatum hield belanghebbende een belang van 88,8 % in [bedrijf 1] , bestaande uit 270 certificaten van preferente aandelen en 130 certificaten van gewone aandelen A.

3. [bedrijf 1] houdt alle aandelen in [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ).

4. De activiteiten van [bedrijf 1] bestaan uit de in- en verkoop en exploitatie van vliegtuigen, gebouwen, machines en installaties ten behoeve van het luchtverkeer. De activiteiten van [bedrijf 2] bestaan uit het ontplooien van activiteiten op het gebied van de luchtvaart, geven van bedrijfseconomische adviezen, deelnemen en beleggen van vermogen in registergoederen en het sluiten van lijfrenteovereenkomsten.

5. Tot de bezittingen van [bedrijf 2] behoort een onroerende zaak gelegen aan [adres] in [plaats] (de hangar), en een staartwielvliegtuig met registratienummer [nummer] . Verder volgt uit de overgelegde stukken dat een ander vliegtuig, met registratienummer [nummer] , in de loop van het jaar 2020 is verkocht.

6. Op 21 oktober 2021 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.041, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 362.198 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van

€ 1.216. Het totale gemeenschappelijke, in verband met het overlijden van erflaatster aangegeven, vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang na toepassing van de zogenoemde doorschuiffaciliteit bedraagt € 368.443.

7. Met dagtekening 18 november 2022 heeft de inspecteur een aanslag IB/PVV 2020 op naam van belanghebbende vastgesteld overeenkomstig diens aangifte.

8. Na het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV 2020 op naam van belanghebbende, zijn vragen gerezen over het in de aangifte van belanghebbende en de aangifte van erflaatster aangegeven vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang. Vervolgens heeft correspondentie plaatsgevonden tussen de gemachtigde en de inspecteur.

9. Met dagtekening 27 januari 2024 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV 2020 op naam van belanghebbende vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.041, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van

€ 400.141 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.216. De inspecteur heeft het totale gemeenschappelijke vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang na toepassing van de doorschuiffaciliteit bepaald op € 444.330. Belanghebbende heeft bij brief ontvangen door de inspecteur op 5 februari 2024 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag.

10. Tot de op het geding betrekking hebbende stukken behoren onder meer:

de jaarrekening 2020/2021 van [bedrijf 1] ;

de jaarrekening 2020/2021 van [bedrijf 2] . Uit de toelichting bij de resultaatrekening 2019/2020 en 2020/2021 van [bedrijf 2] volgt dat de ‘overige bedrijfsopbrengsten’ uit de volgende posten en bedragen bestaan:

“ 2020/2021 2019/2020

8. Overige bedrijfsopbrengsten € €

Verhuur onroerend goed 74.171 75.837

Verhuur vliegtuig 15.943 21.980

Overige opbrengsten 2.994 2.224

93.108 100.041”

een huurovereenkomst tussen [bedrijf 2] als verhuurder en [bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 3] ) als huurder met datum 29 augustus 2006. Die overeenkomst heeft de hangar als voorwerp;

een brief van [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) van januari 2021 houdende verlenging van de hiervoor genoemde huurovereenkomst. In die brief is onder meer het volgende vermeld:

“Loenen, januari 2021

Geachte heer [persoon 4] ,

Bij deze bevestigen wij u de gemaakte afspraak voor wat betreft de verlenging huur hangaar en kantoren op vliegveld [plaats] , [adres]

Ingangsdatum : 01 april 2021

Huurtermijn: Wordt verlengd tot 1 juli 2025 (verlengingsdatum pachtovereenkomst.).

Huurprijs: € 3.000,= per maand exclusief BTW.

(alle bijkomende kosten blijven voor rekening [bedrijf 3] )

De huur dient maandelijks vooraf te worden voldaan (middels automatische overboeking)

op rekeningnummer (…), ten name van [bedrijf 2] , Loenen,

per kwartaal ontvangt u vooruit de factuur. (zoals nu ook al gebeurt)

Onderhoud binnen, inclusief hangaar deuren zijn voor rekening [bedrijf 3] . Onderhoud aan de buitenkant is voor rekening [bedrijf 2] .

[bedrijf 2] heeft twee stallingsplaatsen voor vliegtuigen en een voor een auto (bus).

Een kantoorruimte blijft beschikbaar, als voorheen, voor [bedrijf 2] .

(…)”
Beoordeling door de rechtbank
11. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

12. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de hangar voor de toepassing van de doorschuiffaciliteit van de aanmerkelijk belangregeling als ondernemingsvermogen (standpunt belanghebbende) of als beleggingsvermogen (standpunt inspecteur) dient te worden aangemerkt.

13. Tussen partijen is in confesso dat ter beslechting van het geschil van onderstaande geconsolideerde balans van [bedrijf 1] uitgegaan dient te worden. De rechtbank sluit zich daarbij aan.
Materiele vaste activa: Vermogen € 1.163.419
[adres] [plaats] € 185.959

[adres] [plaats] € 94.000

[adres] [plaats] € 93.000

[adres] [plaats] € 93.000 Kortlopende schulden: € 33.000

[adres] [plaats] € 291.000

[adres] [plaats] € 155.000

Vliegtuig € 32.400

Vervoermiddelen € 2.450

VPB-latentie € 40.871 -/-

Financiële vaste activa:

Lening u/g [belanghebbende] € 90.756

Vorderingen:

Rekening-courant [belanghebbende] € 15.419

Debiteuren € 10.890

Liquide middelen € 173.416

Totaal € 1.196.419 Totaal € 1.196.419

Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard in te stemmen met de berekeningen van de inspecteur van het totale gemeenschappelijke vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang. Voor het geval het gelijk aan belanghebbend is bedraagt dit

€ 340.117, en als het gelijk aan de inspecteur is, bedraagt dit € 423.350. De rechtbank sluit zich bij die berekeningen aan.

14. Belanghebbende is van mening dat de hangar tot het ondernemingsvermogen behoort. Hij beroept zich op het zogenoemde ‘Pottenbakkersarrest’ waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat indien een ondernemer een tot het ondernemingsvermogen behorend gebouw niet langer gebruikt ten behoeve van de onderneming en het gebouw geheel of nagenoeg geheel bestemt tot verhuur, het de ondernemer vrij staat dit gebouw ook in de volgende jaren tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Voorheen was sprake van eigen gebruik van de hangar, thans is sprake van gemengd gebruik. Ten tijde van het overlijden van erflaatster werden er twee vliegtuigen gestald in de hangar en werd de aldaar aanwezige kantoorruimte benut voor ondernemingsactiviteiten. Hiermee is een aanzienlijk deel van de vloeroppervlakte van de hangar gemoeid. Ongeveer 20% van de omzet

(€ 18.937 (€ 15.943 en € 2.994)) is ondernemingsgerelateerd. Bovendien dient de verhuur van de hangar te worden gezien in termen van meer dan normaal vermogensbeheer. Er wordt op grond van arbeidsinspanningen een aanzienlijk overrendement behaald.

15. De inspecteur is van mening dat de hangar per overlijdensdatum tot het beleggingsvermogen behoort. Deze wordt (nagenoeg geheel) aan derden verhuurd. Het vliegtuig beslaat niet meer dan 10% van de oppervlakte van de hangar en de opbrengsten uit ondernemingsactiviteiten bedragen slechts 3% van de totale opbrengsten. Dat is te weinig om van gemengd gebruik (keuzevermogen voor de inkomstenbelasting) te spreken. Het Pottenbakkersarrest is niet van toepassing, gelet op een later arrest van de Hoge Raad van

18 augustus 2023. De inspecteur wijst de stelling van belanghebbende dat sprake is van overrendement op de verhuur van de hangar van de hand. Hij wijst erop dat de hangar abusievelijk veel te laag is gewaardeerd en het verhuurrendement in wezen veel lager is dan door belanghebbende gepresenteerd.

16. Artikel 4.16, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet IB 2001 (wettekst 2020) bepaalt onder meer dat onder vervreemding van aandelen of winstbewijzen mede wordt verstaan de overgang onder algemene titel alsmede de overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel.

17. Artikel 4.17a van de wet IB 2001 bepaalt - zakelijk en voor zover relevant samengevat – dat de overgang krachtens erfrecht onder algemene titel of onder bijzondere titel op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet als vervreemding wordt aangemerkt, indien de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben een onderneming drijft. Indien dat het geval is wordt niet als vervreemding aangemerkt het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben. Deze regeling staat bekend als de ‘doorschuifregeling’ of ‘doorschuiffaciliteit’.

18. In de Parlementaire Geschiedenis van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) voor de Successiewet 1956 heeft de Staatssecretaris onder meer het volgende opgemerkt:

“(…)

Ten aanzien van een ruimer begrip voor het ondernemingsvermogen in de vennootschapsbelasting dan voor de inkomstenbelasting, kan ik hier wel aangeven dat aangezien een BV geen keuzevermogen kan hebben, vermogen van de BV dat vanwege het gemengde gebruik voor een IB-ondernemer keuzevermogen zou zijn geweest, steeds wordt meegenomen als ondernemingsvermogen.

(…)”

19. In zijn arrest van 18 augustus 2023 heeft de Hoge Raad bepaald dat het Pottenbakkersarrest niet relevant is voor de toepassing van de BOR:

“(…)
5.3
De Hoge Raad heeft in het Pottenbakkersarrest geoordeeld:

“3.4. Indien een ondernemer het gebruik ten behoeve van de onderneming van een tot zijn ondernemingsvermogen behorend gebouw beëindigt, en het gebouw geheel of nagenoeg geheel bestemt tot verhuur, staat het hem vrij dit gebouw ook in volgende jaren tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen.”
5.4
Het middel betoogt dat het Pottenbakkersarrest bezien moet worden in het licht van de vraag die in dat arrest aan de orde was, namelijk het moment waarop in de winstsfeer moet worden afgerekend. De BOR heeft een heel andere achtergrond, namelijk voorkomen dat bij bedrijfsopvolging de heffing van erfbelasting een gevaar vormt voor de continuïteit van de onderneming. Daarbij is de wetgever ervan uitgegaan dat een als belegging te kwalificeren vermogensbestanddeel niet in deze faciliteit behoeft te delen omdat beleggingen makkelijker te gelde gemaakt kunnen worden zonder dat de continuïteit van de onderneming in het gedrang komt, aldus het middel.
5.5
Het middel slaagt. De wetgever heeft de BOR in het leven geroepen onder meer omdat de heffing van erf- en schenkbelasting bij verkrijging van ondernemingsvermogen liquiditeitsproblemen kan oproepen, met name ook door de heffing ter zake van (niet liquide) goodwill, waardoor de continuïteit van ondernemingen in gevaar kan komen. De wetgever heeft hierbij in het bijzonder het oog gehad op het belang van onbelemmerde voortzetting van de activiteiten van familiebedrijven binnen de kring van de ondernemer. Die voortzetting zou een bijdrage kunnen leveren aan behoud en groei van de werkgelegenheid, behoud van economische diversiteit en aan stabiliteit. Indien voor de betaling van erf- of schenkbelasting vermogensbestanddelen die niet worden gebruikt voor de uitoefening van de onderneming zouden moeten worden verkocht, brengt dit geen risico’s met zich mee voor de continuïteit van de organisatie van arbeid en kapitaal die de onderneming vormt. Die vermogensbestanddelen maken immers geen deel uit van dit organisatorische verband. Gelet op deze strekking van de BOR moeten tot het in het kader van een bedrijfsopvolging verkregen ondernemingsvermogen, als bedoeld in artikel 35b, lid 1, SW, alleen worden gerekend vermogensbestanddelen die ten tijde van de verkrijging voor ondernemingsdoeleinden worden aangehouden. Daarbij is niet van belang of een vermogensbestanddeel voor de winstberekening tot het ondernemingsvermogen zou mogen worden gerekend. Aan de in het Pottenbakkersarrest omschreven rechtsregel komt voor de toepassing van de BOR geen betekenis toe.

(…)”

20. In reactie op bovengenoemd arrest hebben de Kennisgroepen aanmerkelijk belang en Successiewet laten weten dat volgens hen de in het arrest uitgezette lijn niet alleen geldt voor de BOR, maar ook voor de doorschuiffaciliteit van de aanmerkelijk belangregeling. Daarbij hebben die kennisgroepen tevens aangegeven dat het arrest geen gevolgen heeft voor de etikettering van keuzevermogen waarbij sprake is van gemengd gebruik.

21. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de hangar gemengd wordt gebruikt. Redengevend voor dit oordeel is het volgende. Belanghebbende heeft ter zitting onweersproken verklaard dat hij en zijn dochter

[persoon 5] gedurende drie, respectievelijk één dag(en) per week werkzaamheden verrichten vanuit het bij de hangar behorende kantoor. Daarnaast geld dat in ieder geval een deel van 2020 sprake was van het stallen van niet één, maar van twee vliegtuigen. Ook al zou het tweede vliegtuig (met registratienummer [nummer] ) zijn verkocht vóór overlijdensdatum van erflaatster, dan betekent dit nog niet dat enkel om die reden en met onmiddellijke ingang geen sprake meer kan zijn van gemengd gebruik van de hangar. Verder geldt dat met de verhuur van het (resterende) vliegtuig substantiële opbrengsten worden behaald (zie punt 10.b.). Die opbrengsten rekent de rechtbank tot de ondernemingsactiviteiten, omdat niet in geschil is dat het vliegtuig tot het ondernemingsvermogen behoort. Dit alles bij elkaar genomen acht de rechtbank voldoende om het predicaat ‘gemengd gebruik’ van de hangar te rechtvaardigen. De hangar mag gelet op de hiervoor weergegeven passage uit de parlementaire geschiedenis en het eveneens hiervoor weergegeven standpunt van de Kennisgroepen aanmerkelijk belang en Succesiewet voor de toepassing van de doorschuiffaciliteit bij gevolg tot het ondernemingsvermogen worden gerekend. Het gelijk is dus aan belanghebbende.

22. Het voorgaande betekent dat het vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang na toepassing van de doorschuiffaciliteit € 340.117 bedraagt. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 aan belanghebbende en de aanslag IB/PVV 2020 aan de erven [erflaatster] is uitgegaan van een totaal gemeenschappelijk vervreemdingsvoordeel van € 444.330. Dit betekent een vermindering van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 104.213 (€ 444.330 minus € 340.117). Belanghebbende en de erven [erflaatster] hebben desgevraagd aangegeven dat een vermindering van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang geheel aan belanghebbende dient te worden toegerekend. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 op naam van belanghebbende in lijn met het vorenstaande verminderen en de aanslag IB/PVV 2020 op naam van de erven [erflaatster] in stand laten.

23. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, dient de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig te worden verminderd.
Conclusie en gevolgen
24. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank de uitspraak op bezwaar van de inspecteur zal vernietigen. De navorderingsaanslag IB/PVV 2020 op naam van belanghebbende zal de rechtbank verminderen naar een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.041, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 295.928 (€ 400.141 minus € 104.213) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.216

25. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Een verzoek voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase kan niet voor het eerst in beroep worden gedaan. Omdat het beroep van belanghebbende en het beroep van de erven [erflaatster] op dezelfde materie ziet, en de zaken in bezwaar en in beroep tegelijk zijn behandeld, zal de rechtbank de toe te kennen kostenvergoeding matigen in die zin dat in elk van de procedures de helft van de kostenvergoeding wordt toegekend, dus € 934. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

26. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.041, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 295.928, en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.216;

vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 934 aan proceskosten aan belanghebbende;

bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, voorzitter, en mr. W. Loof en

mr. L.L. van Benthem, leden, in aanwezigheid van mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.

Uitgesproken op 25 september 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffier

voorzitter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Zoals die van rechtswege gold vóór 1 januari 2018.

Zie artikel 4:17a van de Wet IB 2001.

Hoge Raad 29 augustus 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2251.

ECLI:NL:HR:2023:1054.

Kammerstukken II, 2008-2009, 31.930, nr. 9, blz 96.

Kennisgroepstandpunt Belastingdienst 26 juli 2024, KG:003:2024:12.

Zie de uitspraak in de zaak met nummer ARN 25/2025.

Zie artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel delen