Boetebeding in convenant beëindiging samenleving. Toepassing van de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Rechtbank Gelderland 1 October 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:7223
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-09-2026
Datum publicatie
01-10-2026
Zaaknummer
C/05/464854
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBGEL:2026:7223text/xmlpublic2026-10-01T13:45:382026-09-22Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2026-09-16C/05/464854UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLArnhemCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7223text/htmlpublic2026-10-01T13:42:542026-10-01Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2026:7223 Rechtbank Gelderland , 16-09-2026 / C/05/464854 Boetebeding in convenant beëindiging samenleving. Toepassing van de eisen van redelijkheid en billijkheid.
RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/464854 / HA ZA 26-140 Vonnis van 16 september 2026 in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. B.N. Wolters, tegen
[gedaagde] (VOORHEEN: [naam] ),
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. K.W.A. Wools. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 juni 2026,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 augustus 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De zaak in het kort2.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, die in 2017 is beëindigd. Zij hebben toen een convenant getekend, waarin een beding is opgenomen dat zij geen negatieve berichten over elkaar op onder meer social media zullen plaatsen. Daarbij is vermeld dat bij overtreding van dat beding een boete is verschuldigd. [gedaagde] heeft op Moederdag 11 mei 2025 een bericht op Facebook geplaatst dat volgens [eiser] in strijd is met het beding. In deze procedure vordert [eiser] daarom dat [gedaagde] hem een boete betaalt van € 50.000,00. 2.2. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] de boete in dit geval niet hoeft te betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom. 3De feiten3.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit twee kinderen zijn geboren, die op dit moment nog minderjarig zijn. In 2017 is deze relatie geëindigd. [eiser] en [gedaagde] hebben, onder begeleiding van een mediator, afspraken gemaakt over de zorg- en opvoedingstaken voor de kinderen en de afwikkeling van de samenleving. Deze afspraken zijn vastgelegd in een ouderschapsplan en een convenant beëindiging samenleving, dat op 21 november 2017 door hen is ondertekend. 3.2. In het convenant is het volgende beding opgenomen: “Artikel 7: Social media 7.1 Partijen zullen zich onthouden van negatieve berichtgeving over elkaar op social media of via andere bronnen die (al dan niet via internet) openbaar zijn. Daaronder valt ook het verspreiden van foto’s of filmpjes van de ander. Bij overtreding van dit verbod is een direct opeisbare boete verschuldigd van € 10.000 per overtreding en € 1000 per dag dat deze overtreding daarna voortduurt met een maximum van € 100.000 per uitlating.” 3.3. Op Moederdag 11 mei 2025 heeft [gedaagde] op Facebook het onderstaande bericht gedeeld. Na het bericht volgt een foto van de kinderen van partijen. Het bericht is door 54 mensen geliket. Het bericht luidt als volgt: “Moederdag 2025 weer een jaar zonder mijn jongens. Ik weet dat ik dit beter niet zo kan doen maar toch doe ik het. Iedereen mag weten wat er aan de andere kant gebeurd. De vraag was mag ik dit jaar een keer de jongens op Moederdag dan ruilen we met Vaderdag. Twee maanden geleden gevraagd om te ruilen. Maar haat is groter nog steeds na 8 jaar. En nu zelfs van 2 pers. Ze is zelf ook moeder maar gunt een andere moeder niks! Sterker nog vorig jaar gooide ze zelfs mijn Moederdag cadeau weg. Wat zelf geknutseld was <emoticon> de jongens willen vandaag graag bij hun moeder zijn. Maar dat word geen gehoor aan gegegeven. Ze moeten bij een andere moeder Moederdag vieren wat geen moeder voor hun is. Want voor kinderen is er maar één vader en moeder en dat veranderd nooit. Jullie kunnen ze proberen weg te houden op speciale dagen. Maar vergeet niet er komt en moment dat ze zelf een mening krijgen en dingen gaan zien. En dan gaat alles anders worden. Dan krijgen ze misschien wel spijt voor alles wat mij en de jongens nu ontnomen word. Sommige mensen hebben geen gevoel alleen maar haat en jaloezie. Want anders denk je als een vader en moeder en gun je de moeder van je kinderen op speciale dagen samen te zijn met haar kinderen. <emoticon>. Mis jullie vandaag mijn jongens <twee afbeeldingen van hartjes> gelukkig een lief berichtje wat de pijn een beetje verzacht. Morgen weer lekker samen dat pakken ze gelukkig niet af… Hou van jullie en ben blij dat ik jullie moeder mag zijn <afbeelding van een hartje en een emoticon>. <foto van de kinderen>”. 3.4. Een week later, dus op 18 mei 2025, is [eiser] bekend geworden met het bericht. 3.5. Op 19 juni 2025 heeft de advocaat van [eiser] een brief aan [gedaagde] gestuurd. Daarin wordt [gedaagde] verzocht om per omgaande het bericht van Facebook te verwijderen én om binnen drie weken een boete van € 50.000,00 te betalen. Dit boetebedrag bestaat uit het bedrag van € 10.000,00 voor de overtreding, vermeerderd met € 1.000,00 voor elk van de veertig dagen dat het bericht op Facebook heeft gestaan. 3.6.
[gedaagde] heeft op 20 juni 2025 het bericht van Facebook verwijderd. De boete heeft zij onbetaald gelaten. 4Het geschil4.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een boete van € 50.000,00, vermeerderd met rente en kosten. Aan deze vordering legt hij ten grondslag dat het bericht van [gedaagde] kwalificeert als negatieve berichtgeving in de zin van het beding. 4.2.
[gedaagde] voert verweer. Zij stelt zich primair op het standpunt dat het bericht niet negatief is en dat zij artikel 7 van het convenant niet heeft overtreden. Subsidiair meent zij dat het beding geen gelding heeft omdat het beding niet ter sprake is gekomen in de mediation. Meer subsidiair voert [gedaagde] aan dat [eiser] misbruik maakt van recht door zich te beroepen op het beding en dat het beroep op het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Uiterst subsidiair beroept [gedaagde] zich op matiging van de boete tot nihil. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat zij een convenant hebben ondertekend en dat in dit convenant voormeld beding is opgenomen. Ook is niet in geschil dat [gedaagde] op Moederdag 11 mei 2025 het hiervoor onder 3.3 weergegeven bericht op Facebook heeft geplaatst. Partijen twisten echter over de uitleg en toepassing van het beding. 5.2. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de verstandhouding tussen de partijen in 2017 nog zodanig was dat zij in overleg met een mediator de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun relatie en de omgang met de kinderen konden regelen. Deze mediator heeft voor [eiser] en [gedaagde] een concept-convenant opgesteld en met ze besproken. Partijen hebben ter zitting toegelicht dat het beding door de mediator al in het concept van het convenant was opgenomen en dat zij hier dus niet specifiek om hebben gevraagd. Ook de hoogte van het boetebedrag was al in het concept opgenomen. Daarmee staat vast dat de mediator op eigen initiatief het beding in het convenant heeft opgenomen. Anders dan [gedaagde] aanvoert, betekent dit echter nog niet dat het beding niet is overeengekomen. Beide partijen hebben met het convenant, inclusief het beding, ingestemd en dit ondertekend, nadat zij over de betekenis ervan waren voorgelicht. Het beding is dus overeengekomen en geldig. 5.3. Tussen partijen is in geschil wat moet worden verstaan onder ‘negatieve berichtgeving’ en of het beding door [gedaagde] is overtreden. Gelet op de wijze van totstandkoming van het beding, kunnen daaruit geen aanwijzingen voor de bedoelingen van partijen voor de opname van dit beding in het convenant worden geput. Partijen hebben desgevraagd ter zitting verklaard dat zij voorafgaand aan het tot stand komen van het convenant geen negatieve uitlatingen over elkaar hebben gedaan, zodat er geen duidelijk aanwijsbare reden was om een dergelijk beding op te nemen. Gelet op de hoogte van de boete, moet het naar het oordeel van de rechtbank wel gaan om objectief gezien negatieve berichtgeving. Dat betekent echter niet dat de berichtgeving als smaad of laster moet kwalificeren, zoals [gedaagde] betoogt. 5.4. Het bericht is door [gedaagde] op Moederdag op Facebook gezet. In dit bericht is vooral teleurstelling te lezen van [gedaagde] over het gegeven dat de kinderen op Moederdag niet bij haar konden zijn omdat [eiser] niet wilde ruilen met Vaderdag. Het bericht is weliswaar niet positief over [eiser] en zijn partner, maar het bericht is niet in zodanige bewoordingen gesteld dat dit zonder meer grievend moet worden geacht voor [eiser] en zijn partner. 5.5. De vraag is of het plaatsen van dit bericht op Facebook, rechtvaardigt dat [gedaagde] een boete moet betalen aan [eiser] . De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. 5.6. De rechtbank stelt vast dat er geen directe aanleiding was om het beding in het convenant op te nemen. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat zij tot aan het bewuste bericht van 11 mei 2025 ook geen negatieve berichtgeving over elkaar op social media hebben geplaatst. Voor partijen was ook niet duidelijk wat nu concreet wel en niet was toegestaan. Zij hadden geen feitelijke voorstelling van wat onder ‘negatieve berichtgeving’ moest worden verstaan. Het is bovendien onduidelijk gebleven waarom de boete zo hoog moest zijn. Verder is gebleken dat [eiser] reeds op 18 mei 2025, een week na Moederdag, het bericht heeft ontdekt, maar pas een ruime maand later, via zijn advocaat, een brief naar [gedaagde] heeft gestuurd met het verzoek om het bericht te verwijderen en daarin aanspraak heeft gemaakt op de boete. Dit wekt de indruk dat het [eiser] niet zo zeer te doen was om de het bericht als zodanig, maar om het punitieve karakter van de boete. Zijn verklaring ter zitting dat het na acht jaar waarin hij veel voor zijn kiezen heeft gekregen ‘lekker voor haar’ zou zijn als de boete wordt verbeurd, versterkt die indruk. Vaststaat dat [gedaagde] onmiddellijk na ontvangst van de brief het bericht van Facebook heeft verwijderd. Tijdens de zitting heeft [eiser] verder verklaard dat hij niet door derden is aangesproken op het bericht, dat hij wel denkt dat mensen door het bericht op een bepaalde negatieve manier naar hem kijken, maar dat hij daar zelf geen last van heeft gehad, omdat hij zich niet zoveel aantrekt van wat anderen van hem vinden. Daaruit leidt de rechtbank af dat het feit dat het bericht op Facebook heeft gestaan, geen daadwerkelijke negatieve gevolgen voor [eiser] heeft gehad. Anderzijds zou oplegging van een dergelijke draconisch hoge boete het leven van [gedaagde] op zijn kop zetten en ook de kinderen hard raken. 5.7. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden in onderling verband bezien, en mede gelet op de inhoud van het bericht, is de rechtbank van oordeel dat het beroep van [eiser] op het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat betekent dat [gedaagde] geen boete is verschuldigd aan [eiser] . 5.8. De slotsom is dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] zal afwijzen. De overige verweren hoeven niet te worden besproken. 5.9. Gelet op de gewezen relatie van partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om [eiser] in de proceskosten te veroordelen, nu het plaatsen van het bericht op Facebook niet alleen onhandig is, zoals [gedaagde] zelf heeft verklaard, maar ook onwenselijk, mede gelet op de zorgen die er bestaan ten aanzien van de kinderen, zoals volgt uit het conceptrapport van de Raad voor de Kinderbescherming. 6De beslissing De rechtbank 6.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 6.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op
16 september 2026. !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!