ECLI:NL:RBGEL:2026:7275text/xmlpublic2026-10-02T15:01:282026-09-23Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2026-09-25ARN 25/438 vUitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLArnhemBestuursrecht; BelastingrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7275text/htmlpublic2026-09-30T15:08:242026-10-02Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2026:7275 Rechtbank Gelderland , 25-09-2026 / ARN 25/438 v Verzet. Niet betalen griffierecht. Ongegrond.
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/438 V
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 september 2026 op het verzet van
[opposant]
, uit [woonplaats] , opposant, tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2025 in het geding tussen opposant en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Autoheffingen, de inspecteur. Inleiding Deze uitspraak op het verzet van opposant ziet op de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft het verzet op 16 september 2026 op zitting behandeld. Opposant was niet aanwezig. Opposant procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 13 augustus 2026 belanghebbende via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 16 september 2026. De rechtbank heeft op 13 augustus 2026 om 13:08 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 13 augustus 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden. Beoordeling door de rechtbank 1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 30 mei 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het beroep van opposant
3. Het beroep van opposant gaat over een aan hem over het tijdvak 24 juni 2024 tot en met 23 september 2024 opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegde boete. 4. Met de uitspraak op bezwaar van 3 januari 2025 heeft de inspecteur het tegen de boete ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van 30 mei 2025
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant het griffierecht niet heeft betaald en het niet betalen van het griffierecht niet verontschuldigbaar is. 6. Opposant heeft in zijn verzetschrift over de verschuldigdheid van griffierecht aangegeven: “Doordat ik destijds in ernstige persoonlijke problemen verkeerde, heb ik hierop niet gereageerd. Dat was onjuist van mijn kant. Op dit moment ben ik nog steeds niet in staat het griffierecht te betalen.” 7. In wat door opposant is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan is gedaan in de uitspraak van 30 mei 2025. Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 8. Opposant heeft erkend dat het griffierecht niet, laat staan tijdig is betaald. Zijn stelling dat hij destijds wegens ernstige persoonlijke problemen het griffierecht niet heeft voldaan, heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd, en hij heeft destijds ook geen beroep gedaan op betalingsonmacht. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling voorbij. De verzetsgrond slaagt niet. 9. Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een kennelijk niet-ontvankelijk beroep, zodat de rechtbank terecht is overgegaan tot sluiting van het onderzoek. Conclusie en gevolgen 10. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 30 mei 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 25 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. griffier rechter Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb. Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.