Rijlespakket. De opdrachtnemer moet bij (tussentijdse) beëindiging het door de opdrachtgever betaalde bedrag terugbetalen. Opdrachtnemer heeft niet onderbouwd aangegeven wat een redelijk loon is.
Rechtbank Limburg 29 September 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:1909
Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-02-2026
Datum publicatie
29-09-2026
Zaaknummer
12010139 CV EXPL 25-6073
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
ECLI:NL:RBLIM:2026:1909text/xmlpublic2026-09-29T13:58:452026-02-25Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBLIM:2026:1871Rechtbank Limburg2026-03-1112010139 CV EXPL 25-6073UitspraakBodemzaakNLRoermondCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1909text/htmlpublic2026-03-23T15:42:172026-09-29Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBLIM:2026:1909 Rechtbank Limburg , 11-03-2026 / 12010139 CV EXPL 25-6073 Rijlespakket. De opdrachtnemer moet bij (tussentijdse) beëindiging het door de opdrachtgever betaalde bedrag terugbetalen. Opdrachtnemer heeft niet onderbouwd aangegeven wat een redelijk loon is.
RECHTBANK LIMBURG Civiel recht
Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 12010139 CV EXPL 25-6073 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. G. Debije, tegen
[naam] , h.o.d.n. [gedaagde] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten2.1. Tussen [eiser] en [gedaagde] is op 26 februari 2023 een overeenkomst gesloten met betrekking tot het afnemen van autorijlessen. Daarvoor stuurt [gedaagde] een aantal facturen met een totaalbedrag van € 1.205,50. [eiser] heeft betaald. 2.2. De overeenkomst is mondeling gesloten. [gedaagde] heeft [eiser] geadviseerd om eerst het theorie-examen te halen. 2.3. Op 21 augustus 2025 laat [eiser] weten dat hij door een ongeluk geen gebruik kan maken van de rijlessen. Hij vraagt om terugbetaling van het betaalde bedrag exclusief het bedrag dat nodig was voor de theorielessen. 2.4.
[eiser] sommeert [gedaagde] om een bedrag van € 1.146,50 terug te betalen. Dit is het bedrag van het rijlessenpakket verminderd met de kosten van de theoriebox. 2.5.
[gedaagde] heeft op 6 oktober 2025 een bedrag van € 846,50 terugbetaald. 3Het geschil3.1.
[eiser] vordert - samengevat na vermindering van eis - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 471,98, vermeerderd met rente en kosten. De vordering bestaat uit het nog niet terugbetaalde bedrag van € 300,00 en € 171,98 aan incassokosten. 3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling4.1. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] een bedrag van € 300,00 moet terugbetalen aan [eiser] voor het niet afgenomen deel van het lespakket. De gevorderde incassokosten zullen worden afgewezen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarop hij dit oordeel baseert. 4.2. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] zich heeft verbonden om een pakket van tien rijlessen, een tussentijdse toets, een praktijkexamen en een theorie-box te verzorgen voor [eiser] . [eiser] heeft zich verplicht om als tegenprestatie daartoe een bedrag van € 1.205,00 aan [gedaagde] te betalen. Dit is inclusief inschrijfkosten, de kosten van het garantiefonds en theoriebox. [eiser] heeft betaald aan [gedaagde] . Ten slotte is tussen partijen niet in geschil dat [eiser] op 21 augustus 2025 te kennen geeft geen (verder) gebruik te kunnen maken van de diensten van [gedaagde] . Dit kwalificeert als een opzegging van de overeenkomst van opdracht, zodat de overeenkomst per die datum is geëindigd. Zijn de algemene voorwaarden van toepassing? 4.3. Partijen verschillen van mening over de vraag of de algemene voorwaarden van [gedaagde] van toepassing zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit in het midden blijven omdat de vordering van [eiser] noch het verweer van [gedaagde] om niets meer te hoeven betalen niet is gebaseerd op de algemene voorwaarden.
[eiser] stelt weliswaar dat het in die algemene voorwaarden opgenomen forumkeuzebeding geen werking heeft, maar daarbij miskent [eiser] de werking van artikel 108, lid 2 Rv. Heeft [gedaagde] recht op een redelijk loon? 4.4. De overeenkomst ziet op verschillende diensten en door [gedaagde] te verrichten werkzaamheden. De tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst voldoet daarmee aan de wettelijke omschrijving van de overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW, waarbij [gedaagde] de opdrachtnemer is en [eiser] de opdrachtgever. 4.5. In de artikelen 7:400 e.v. BW is opgenomen dat de opdrachtgever de overeenkomst op elk moment mag opzeggen zonder dat hij aan de opdrachtnemer een schadevergoeding verschuldigd is. Van deze artikelen kan niet worden afgeweken ten nadele van een natuurlijk persoon. Het gaat dus om zogeheten ‘dwingend recht’. De opdrachtgever is bij opzegging slechts gehouden tot vergoeding van de onkosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht, voor zover deze niet in het loon zijn inbegrepen. Als de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht, dan heeft de opdrachtnemer recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. 4.6. Op [gedaagde] rust de stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van wat een redelijk loon is. In dat kader kan [gedaagde] in haar stellingen betrekken de in de wet genoemde omstandigheden, te weten welke werkzaamheden zij reeds heeft verricht, welk voordeel [eiser] heeft genoten en op grond waarvan de overeenkomst is geëindigd. 4.7.
[gedaagde] heeft dat niet althans onvoldoende onderbouwd gedaan. Zij stelt weliswaar dat zij franchisenemer is van [bedrijf] en de inschrijfkosten, de kosten van het garantiefonds, de kosten van de theoriebox aan [bedrijf] heeft moeten betalen, maar zij onderbouwt dit niet. Verder geeft [gedaagde] aan dat zij niets meer aan [eiser] hoeft terug te betalen omdat het overgebleven bedrag een redelijke compensatie vormt voor de verstreken tijd, de gemaakte administratieve handelingen, het feit dat de lesovereenkomst nooit is geactiveerd door het uitblijven van het theorie-examen en de ondersteuning die zij heeft geboden. Ook dit verweer is op geen enkele wijze onderbouwd, zodat hieraan wordt voorbijgegaan. 4.8. Omdat niet vastgesteld kan worden wat een redelijk loon is, passeert de kantonrechter het verweer van [gedaagde] . Dit houdt in dat de stellingen van [eiser] als niet weersproken vast staan en dat [gedaagde] het gevorderde bedrag van € 300,00 moet betalen. De buitengerechtelijke incassokosten 4.9.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen. 4.10.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 149,09 - griffierecht € 226,00 - salaris gemachtigde € 288,00 (2 punten × € 144,00) - nakosten € 72,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 735,09 5De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 november 2026, tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 735,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. Artikel 7:408 lid 1 BW Artikel 7:408 lid 3 BW Artikel 7:413 BW Artikel 7:406 lid 1 BW Artikel 7:411 BW