Verzoek vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing toegewezen.
Verzoek tot het vaststellen / wijzigen van een contactregeling aangehouden in afwachting van een onderzoek door de bijzondere curator.
Kindermishandeling door Falsificatie.
Rechtbank Limburg 9 July 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:6006
Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-06-2026
Datum publicatie
09-07-2026
Zaaknummer
C/03/352429 / JE RK 26-885
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
ECLI:NL:RBLIM:2026:6006text/xmlpublic2026-07-09T16:01:382026-06-24Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Limburg2026-06-16C/03/352429 / JE RK 26-885UitspraakBeschikkingNLRoermondCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6006text/htmlpublic2026-07-09T15:59:152026-07-09Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBLIM:2026:6006 Rechtbank Limburg , 16-06-2026 / C/03/352429 / JE RK 26-885 Verzoek vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing toegewezen.
Verzoek tot het vaststellen / wijzigen van een contactregeling aangehouden in afwachting van een onderzoek door de bijzondere curator.
Kindermishandeling door Falsificatie.
RECHTBANK LIMBURG Familie- en Jeugdrecht Locatie Roermond Zaaknummer: C/03/352429 / JE RK 26-885
Datum uitspraak: 16 juni 2026 Beschikking van de meervoudige kamer over de schriftelijke aanwijzing en vaststelling contactregeling in de zaak van
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
en
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
beiden wonende in [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
gezamenlijk te noemen de ouders,
advocaat mr. J. van Koesveld uit Utrecht, over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbende aan: de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Roermond,
advocaat mr. A.C.E. van den Hombergh uit Roermond. 1Het verloop van de procedure1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 mei 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Gelijktijdig zijn de zaken met zaaknummer C/03/351405 / JE RK 26-668 (verlenging machtiging uithuisplaatsing), C/03/350435 / JE RK 26-451 (verzoek vervanging GI en benoeming bijzondere curator), C/03/351636 / JE RK 26-722, C/03/351637 / JE RK 26-723, C/03/351638 / JE RK 26-724 en C/03/351639 JE / RK 26-725 (gedeeltelijke uitoefening gezag) behandeld. In die zaken wordt afzonderlijk beslist. 1.3. Tijdens de zitting waren aanwezig: de ouders, bijgestaan door hun advocaat; twee vertegenwoordigers van de GI, bijgestaan door hun advocaat. 1.4. De rechtbank heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover via een videoverbinding een gesprek gevoerd met mr. Raab in aanwezigheid van de griffier. Tijdens de zitting heeft mr. Raab samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.2. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 december 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 3 december 2026. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 december 2025 machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 17 maart 2026, met verwijzing naar de meervoudige kamer en onder aanhouding van de beslissing op de resterende verzochte termijn. Bij beschikking van 4 maart 2026 heeft de meervoudige kamer de resterende termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend tot 17 juni 2026. Bij beschikking van heden is een machtiging tot verlenging de uithuisplaatsing verleend tot 3 december 2026. 2.4.
[de minderjarige] verblijft in een gezinshuis. 2.5. De GI heeft in een schriftelijke aanwijzing, gedateerd 13 mei 2026 en volgens die aanwijzing verzonden op 12 mei 2026, de contacten tussen de met het gezag belaste ouders en [de minderjarige] beperkt, in die zin dat de GI de volgende contactregeling heeft vastgesteld: “De begeleide omgang tussen u als ouders en [de minderjarige] vindt plaats binnen kantoortijden (van maandag t/m vrijdag, tussen 8.30 uur en 17.00 uur). Dit maakt het mogelijk voor de omgangsbegeleiders om, indien nodig, laagdrempelig contact met BJz op te nemen voor overleg wanneer een situatie die zich voordoet tijdens de omgang hierom vraagt. De begeleide omgang zal worden teruggebracht naar eenmaal per maand, met een maximale duur van 1,5 uur. De broers en zus van [de minderjarige] worden in de gelegenheid gesteld om tijdens de omgang welke plaatsvindt eenmaal per maand aan te sluiten. Tijdens de omgangsmomenten is er de mogelijkheid om telefonisch een kort contactmoment in te bouwen met oma mz. U, ouders van [de minderjarige] zoeken geen contact met het gezinshuis en nemen hen niet mee in de mailing met BJz en/ of [zorgorganisatie] . Op deze manier behoudt het gezinshuis een neutrale positie voor [de minderjarige] . U, ouders van [de minderjarige] , houden zich aan de overige eerder gecommuniceerde omgangsafspraken, welke aan deze schriftelijke aanwijzing worden bijgevoegd. De regeling geldt voor de duur van de uithuisplaatsing.” 3Het verzoek3.1. De ouders verzoeken de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren en een contactregeling tussen de ouders en [de minderjarige] vast te stellen, die recht doet aan zijn recht en belang op familieleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, artikel 24 Handvest EU en de artikelen 3 en 9 IVRK. De ouders stellen daartoe dat de GI op 7 mei 2026 aan de ouders een vooraankondiging tot een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven. De schriftelijke aanwijzing zelf is gedateerd op 12 mei 2026 en moest dus al gereed zijn geweest voor de GI enige reactie van de ouders of hun advocaat had ontvangen. Dit is weinig zorgvuldig, maar wel tekenend voor de houding van de GI in de hele procedure tot nu toe. Daarnaast zijn de ouders van mening dat geen aanleiding bestaat om de contacten tussen [de minderjarige] en de ouders te marginaliseren op de door de GI voorgestelde wijze. De GI gaat uit van onjuiste en onvolledige feiten en haar mening dat de omgang schadelijk voor [de minderjarige] zou zijn, is niet terecht. Daarbij zijn de voorwaarden die aan de ouders op 5 maart 2026 zijn opgelegd onbegrijpelijk. De ouders vragen zich daarbij ook af waarom zij niet aanwezig mogen zijn bij eetmomenten van [de minderjarige] . De GI doet in dit verband een beroep op het advies van de vertrouwensarts van Veilig Thuis en op een algemeen protocol KMdF, maar een dergelijke absolute voorwaarde, op basis waarvan de ouders niet bij eetmomenten van [de minderjarige] aanwezig zouden mogen zijn, staat daar niet in. Er is ook nooit gesteld dan wel bewezen dat de ouders [de minderjarige] hebben vergiftigd. Maar dat is wel de onderliggende boodschap van deze schriftelijke aanwijzing. Daarmee geeft de GI een signaal af aan [de minderjarige] dat de ouders niet veilig zijn. Het is de GI die door haar handelen het contact en het onderwerp eten beladen maken.
De ouders verzoeken om een contactregeling op te leggen die wel recht doet aan het recht van [de minderjarige] op en belang bij reëel contact met zijn eigen familie. Het liefste willen de ouders [de minderjarige] natuurlijk gewoon thuis hebben, maar de hoop dat daar binnen een redelijke termijn aanleiding toe bestaat is bij hen vrijwel verdwenen. Als [de minderjarige] de weekenden bij hen zou kunnen zijn, zou dat in ieder geval een deel van het leed van [de minderjarige] , de ouders en broers en zus verlichten. 4Het standpunt van de GI4.1. De GI heeft naar voren gebracht dat tijdens de contactmomenten zichtbaar is dat de ouders proberen het contact ontspannen en positief te laten verlopen. Te zien is echter ook dat de ouders [de minderjarige] tijdens de contactmomenten belasten met volwassenenzaken. De GI heeft de ouders meermaals moeten aanspreken op het niet nakomen van de afspraken. De afspraken zijn meermaals aangescherpt. Daarbij is op een gegeven moment afgesproken dat het contact alleen nog maar op het kantoor van [zorgorganisatie] mocht plaatsvinden, omdat er momenten waren dat [zorgorganisatie] geen zicht had op wat er gezegd werd tussen [de minderjarige] en de ouders. [de minderjarige] wordt voortdurend belast met de strijd van de ouders. Ook wordt er tijdens het contact een emotioneel beroep gedaan op [de minderjarige] . De GI ziet dat een contactregeling van twee keer per maand drie uur enorm belastend is voor [de minderjarige] . Hij bevindt zich in twee werelden en dat is heel erg verwarrend voor hem. De begeleiding heeft ook aangegeven dat het niet meer lukt om drie uur scherp te blijven. Wanneer de ouders KMdF niet gaan erkennen en voorwaarden niet nakomen, blijft contact tussen de ouders en [de minderjarige] voor [de minderjarige] een groot risico. De GI denkt ook te zien dat de ouders het de laatste tijd moeilijk vinden om [de minderjarige] bij te sturen als hij moeilijke vragen stelt. De omgangsbegeleiders zijn daarbij erg zoekende in hoe zij zich ten opzichte van de gestelde voorwaarden moeten verhouden. Zij overwegen om te opdracht terug te geven omdat de ouders zich niet goed opstellen en zich heel erg focussen op de verslaglegging.
Om risico’s uit te sluiten, zijn in samenspraak met de vertrouwensarts van Veilig Thuis de eetmomenten afgeschaft. Er is geen concrete aanwijzing dat de ouders [de minderjarige] via eten ziek hebben gemaakt. Het thema eten was wel een groot onderdeel binnen de falsificatie. Het gaat er niet om of het eten door derden klaargemaakt wordt of niet, maar dat [de minderjarige] zelf met de ouders eet. Het is onduidelijk of de gewichtsafname in januari 2026 te linken is aan de ouders. Dat moet onderzocht worden, maar de risico’s moeten worden uitgesloten. 5De mening van [de minderjarige]5.1.
[de minderjarige] is heel erg boos op de GI en de rechters. Wat hem het meeste dwars zit, buiten het feit dat hij het liefste thuis wil wonen, is dat de frequentie van het contact tussen hem en de ouders en zijn broers en zus is teruggebracht naar één keer per vier weken anderhalf uur. Ook is hij heel boos dat hij niet meer met het gezin samen mag eten en dat dit hem is medegedeeld de dag voordat hij met het gezin zou gaan eten. Hij verheugde zich daar enorm op. [de minderjarige] zou graag de oude regeling terug willen hebben, en het liefste meer. Hij zou het daarbij fijn vinden als hij met het gezin ergens samen kan gaan eten.
[de minderjarige] vond het contact op het vorige kantoor fijner. Ook zou hij graag de drie honden een keer willen zien. 6De beoordeling Grondslag 6.1. Op grond van artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Dit kan alleen als dit noodzakelijk is in verband met die uithuisplaatsing en als er niet eerder door de rechter een contactregeling is vastgesteld. De beslissing van de GI geldt als een schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 1:263 BW. Artikel 1:264 BW en artikel 1:265 BW zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Ontvankelijkheid 6.2. De gezaghebbende ouder kan op grond van artikel 1:264 BW de kinderrechter verzoeken de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Het verzoek tot vervallenverklaring van de ouders is op 18 mei 2026 ontvangen door de rechtbank. Dit is binnen de termijn genoemd in artikel 1:264 BW, omdat de schriftelijke aanwijzing op 13 mei 2026 is gedateerd en volgens de inhoud daarvan op 12 mei 2026 is verzonden. De ouders zijn daarom ontvankelijk in hun verzoek. De bevoegdheid van de GI om een schriftelijke aanwijzing te geven 6.3. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2321) blijkt dat een GI, indien sprake is van een uithuisplaatsing, alleen dan gebruik kan maken van de in artikel 1:265f lid 1 BW gegeven bevoegdheid tot het beperken van de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige, indien niet eerder bij een rechterlijk uitspraak een contactregeling is vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat er bij beschikking van 3 december 2025 een contactregeling tussen [de minderjarige] en de ouders is vastgesteld. Daarom was de GI niet bevoegd tot het wijzigen van de contactregeling door het geven van een schriftelijke aanwijzing. De rechtbank zal daarom de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing geheel vervallen verklaren. Het vaststellen van een contactregeling? 6.4. De ouders hebben naast het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing een verzoek gedaan tot vaststelling van een contactregeling, inhoudende uitbreiding van de door de rechtbank bij beschikking van 3 december 2025 vastgestelde contactregeling. Omdat de GI niet bevoegd was een schriftelijke aanwijzing te geven, is artikel 1:265f BW niet van toepassing en kan het verzoek van de ouders over de contactregeling daarop niet zijn gegrond. De rechtbank begrijpt het verzoek van de ouders als een verzoek in de zin van artikel 1:265g lid 2 BW. Op grond van lid 1 van dit artikel kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een omgangsregeling vaststellen of wijzigen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de GI een op grond van het eerste lid van dat artikel gegeven beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Uit de standpunten van de GI en de ouders volgt dat de GI de door de rechtbank bepaalde contactregeling van 3 december 2025 inmiddels heeft beperkt overeenkomstig de schriftelijke aanwijzing. Daarmee is sprake van een wijziging van omstandigheden, zodat de rechtbank het verzoek van de ouders inhoudelijk zal beoordelen. De rechtbank zal daarom beslissen op het verzoek van de ouders tot wijziging van de bij beschikking van 3 december 2025 vastgestelde contactregeling. 6.5. De rechtbank stelt vast dat er een verschil van inzicht is tussen de GI en de ouders over welk contact tussen de ouders en [de minderjarige] in het belang van [de minderjarige] kan worden geacht. Waar de GI het voor [de minderjarige] van belang vindt dat de ouders erkennen dat er sprake is van KMdF voordat er gekeken kan worden naar uitbreiding van het contact en het daarbij onder de huidige omstandigheden zelfs noodzakelijk vindt dat het contact verder wordt ingeperkt, zijn de ouders van mening dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om van de ouders gescheiden te blijven en dat juist moet worden toegewerkt naar een thuisplaatsing, zodat [de minderjarige] met de ouders, en zijn broers en zus kan leren omgaan met zijn nieuwe leven en nieuwe gezondheid. Dit verschil van inzicht in wat in het belang is te achten van [de minderjarige] brengt veel strijd met zich mee tussen de GI en de ouders wat zeer belastend is voor [de minderjarige] . Daarbij komt dat ook [de minderjarige] meer contact met de ouders wenst te hebben.
De rechtbank acht het daarom aangewezen om de in het kader van het door de ouders aanhangig gemaakte verzoek tot vervanging van de GI (zaaknummer C/03/350435 / JE RK 26-451) benoemde bijzondere curator drs. [curator] , te verzoeken onderzoek te doen naar wat in het belang is van [de minderjarige] ten aanzien van het contact met de ouders en zijn broers en zus. In afwachting daarvan zal de rechtbank de definitieve beslissing over het verzoek tot wijziging van de contactregeling aanhouden voor de duur van vijf maanden. 6.6. Bekeken dient te worden hoe het contact voorlopig, in afwachting van de resultaten van het onderzoek van de bijzondere curator, dient te worden vormgegeven. Omdat de schriftelijke aanwijzing vervallen zal worden verklaard, blijft de regeling zoals bepaald bij beschikking van 3 december 2025 gelden. Deze regeling houdt in dat er tussen de ouders en [de minderjarige] minimaal drie uur per twee weken onder begeleiding van een professional en onder regie van de GI omgang zal plaatsvinden.
De rechtbank ziet gelet op de huidige situatie geen ruimte om een voorlopige uitbreiding van de contactregeling te bepalen in duur en frequentie. Tussen de GI en de ouders bestaat echter ook veel discussie over de randvoorwaarden van de contactregeling. Een groot discussiepunt daarbij zijn de eetmomenten van [de minderjarige] met de ouders die door de GI zijn afgeschaft. Dit is gebeurd naar aanleiding van een gesprek met de vertrouwensarts van Veilig Thuis op 3 februari 2026 vanwege een in januari 2026 gemeten terugval in het gewicht van [de minderjarige] . De vertrouwensarts heeft toen geadviseerd om de eetmomenten af te schaffen in verband met het uitsluiten van mogelijke risico’s vanwege de gestelde conclusie van KMdF. De rechtbank ziet dat het afschaffen van deze eetmomenten veel weerstand bij de ouders (en ook [de minderjarige] ) heeft opgeroepen. Dit lijkt samen met het terugschroeven van frequentie van de contactmomenten een nog verdere weerslag te hebben gehad op de houding van de ouders en de onderlinge strijd tussen de ouders en de GI. 6.7. De GI heeft naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk kunnen maken waarom in dit specifieke geval geen eetmomenten van [de minderjarige] met de ouders (en zijn broers en zus) zouden kunnen plaatsvinden, terwijl [de minderjarige] juist veel waarde hecht aan deze eetmomenten. De GI stelt te handelen op basis van de algemene richtlijnen van KMdF en het advies van de vertrouwensarts van Veilig Thuis, maar heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom een eetmoment in het specifieke geval van [de minderjarige] niet aan de orde zou kunnen zijn. Er is nooit gebleken dat de ouders [de minderjarige] ziek hebben gemaakt via eten. Daarbij heeft de GI ter zitting aangegeven dat er op dit moment geen concrete link is te leggen tussen de gewichtsafname van [de minderjarige] in januari 2026 en de ouders. Dit zou volgens de GI meerdere oorzaken kunnen hebben. Van een gewichtsverlies is na januari 2026 volgens de GI ook niet meer gebleken. De rechtbank ziet dan ook niet waarom een eetmoment niet, met voldoende veiligheidsmaatregelen zoals dat het eten wordt klaargemaakt door een derde en de aanwezigheid van een omgangsbegeleider, zou kunnen plaatsvinden. De rechtbank acht het afschaffen van het eetmoment, ook mede in het licht gezien van de grote wissel die dit trekt op het contact, een te ver strekkende beperking.
[de minderjarige] kan daarbij met een eetmoment ook ervaren dat de ouders ook kunnen genieten van het feit dat hij nu gewoon mee kan eten. Een eetmoment geeft de ouders ook minder het gevoel dat zij beknot worden in hun mogelijkheden zodat het contact op een voor [de minderjarige] minder belaste wijze zal kunnen plaatsvinden. 6.8. De rechtbank zal daarom bepalen dat de contactregeling tussen de ouders en [de minderjarige] , zoals die is vastgesteld in de beschikking van 3 december 2025, voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, blijft voortduren, zodat er minimaal drie uur per twee weken onder begeleiding van een professional en onder regie van de GI contact tussen de ouders en [de minderjarige] zal plaatsvinden, waarbij de rechtbank aanvullend bepaalt dat per twee contactmomenten er een met een eetmoment zal zijn. 6.9. De rechtbank verklaart de beslissing ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad, omdat zij het in het belang van [de minderjarige] vindt dat door een eventueel hoger beroep de uitvoering van de zorgregeling met de eetmomenten niet wordt onderbroken. 6.10. De behandeling van het de zaak zal worden voortgezet ter zitting van 5 november 2026 om 10.00 uur samen met de zaak onder zaaknummer C/03/350435 / JE RK 26-451 (verzoek wijziging GI). 6.11. Mr. Raab informeert [de minderjarige] namens de meervoudige kamer in een aparte e-mail over de genomen beslissingen. Deze e-mail heeft de volgende inhoud: “Beste [de minderjarige] , Net als vorige keer schrijf ik je om je te vertellen welke beslissingen wij (de twee andere rechters en ik) hebben genomen. Op de eerste plaats begrijpen wij dat je heel boos bent dat het eetmoment met je familie niet is doorgegaan en dat de gezinsvoogden het contact met je familie hebben beperkt. Wij zien op dit moment geen aanleiding het contact met je familie nog meer te beperken dan al was gebeurd. Wij hebben dan ook beslist dat het contact met je familie blijft zoals het eerder was, dus drie uur per twee weken, waarbij het ook mogelijk moet zijn samen een hapje te eten. Wij zien dat je heel erg in de knel zit omdat je in twee werelden leeft; van de ene kant is er je leven vroeger thuis waarbij je ziek en klein bent gehouden en anderzijds is er het leven van de gezonde [de minderjarige] in [hulpverlening]. Wij hebben voor jou een “bijzondere curator” benoemd. Dat is mevrouw [curator] en zij gaat kijken wat voor jou goed is. We willen haar verslag afwachten voordat we een beslissing nemen over het verzoek je gezinsvoogden te vervangen. Verder hebben we toestemming gegeven voor inschrijving bij school [school] , voor therapie bij [hulpverlener] en voor behandeling in het ziekenhuis [ziekenhuis] . Jij gaf al aan graag naar [school] te willen (al wil je liever naar een school in de buurt van thuis). Ook vind jij het goed naar het [ziekenhuis] te gaan, al gaf je aan dat je wilt dat je vader daarbij aanwezig is. Dat laatste is niet mogelijk omdat er bewust voor is gekozen dat jij je vader alleen onder begeleiding ziet tijdens de omgangsmomenten. Ook al vind je dat lastig, wij zijn ervan overtuigd dat dit beter voor je is. Wij vinden dat je nog niet naar huis kunt. Wij zijn er niet anders over gaan denken. Er is eigenlijk ook niets veranderd ten opzichte van de vorige keer. Je ouders gaan drie hogere rechters vragen om te beslissen of je terug naar huis kunt, maar die beslissing zal pas over enkele maanden komen. Wij wensen je veel sterkte. Met vriendelijke groet, ook namens de andere kinderrechters, Mr. Raab” 7De beslissing De rechtbank: 7.1. verklaart de schriftelijke aanwijzing van 13 mei 2026 geheel vervallen; 7.2. bepaalt dat de contactregeling tussen de ouders en [de minderjarige] , zoals die is vastgesteld in de beschikking van 3 december 2025, voorlopig, totdat daarover nader zal worden beslist, blijft voortduren, zodat er minimaal drie uur per twee weken onder begeleiding van een professional en onder regie van de GI contact tussen de ouders en [de minderjarige] zal plaatsvinden, waarbij aanvullend wordt bepaald dat er per twee contactmomenten één met eetmoment zal zijn; 7.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 7.4. verzoekt de bijzondere curator drs. [curator] haar onderzoek zoals gelast in het kader van het verzoek tot vervanging van de GI uit te breiden met de volgende vraag: - Welke contactregeling tussen de ouders en [de minderjarige] is qua vorm en frequentie in het belang van [de minderjarige] ? en uiterlijk op 16 september 2026 een schriftelijk verslag naar de rechtbank te sturen; 7.5. verzoekt de GI en de ouders uiterlijk twee weken voor de volgende mondelinge behandeling te reageren op het verslag van de bijzondere curator; 7.6. houdt iedere verdere beslissing aan voor de duur van vijf maanden; 7.7. bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voorgezet op 5 november 2026 om 10.00 uur samen met de zaak onder zaaknummer C/03/350435 / JE RK 26-451 (verzoek vervanging GI) in het gerechtsgebouw van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, aan Willem II Singel 67 in Roermond. Deze beschikking is gegeven door mr. Bregonje (voorzitter), mr. Raab en mr. Brandts, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Bouwens als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.