Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBLIM:2026:6009

Toewijzing verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing Kindermishandeling door Falsificatie

Rechtbank Limburg 9 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBLIM:2026:6009 text/xml public 2026-07-09T16:05:39 2026-06-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-06-16 C/03/351405 / JE RK 26-668 Uitspraak Beschikking NL Roermond Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6009 text/html public 2026-07-09T16:05:07 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:6009 Rechtbank Limburg , 16-06-2026 / C/03/351405 / JE RK 26-668
Toewijzing verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing

Kindermishandeling door Falsificatie
RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Roermond

Zaaknummer: C/03/351405 / JE RK 26-668

Datum uitspraak: 16 juni 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, gevestigd te Roermond,

hierna te noemen de GI,

advocaat mr. A.C.E. van den Hombergh uit Roermond,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [de minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

en

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

beiden wonend in [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,

gezamenlijk te noemen de ouders,

advocaat mr. J. van Koesveld uit Utrecht.
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 april 2026;

het verweerschrift van de ouders met bijlagen, ontvangen op 22 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Gelijktijdig zijn de zaken met zaaknummer C/03/350534 / JE RK 26-451 (wijziging GI en benoeming bijzondere curator), C/03/351636 / JE RK 26-722, C/03/351637 / JE RK 26-723, C/03/351638 / JE RK 26-724 en C/03/351639 JE RK 26-725 (gedeeltelijke uitoefening gezag) en C/03/352429 JE RK / 26-885 (vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en vaststelling contactregeling) behandeld. In die zaken wordt afzonderlijk beslist.
1.3.
Tijdens de zitting waren aanwezig:

de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

twee vertegenwoordigers van de GI, bijgestaan door hun advocaat.
1.4.
De rechtbank heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover via een videoverbinding een gesprek gevoerd met mr. Raab in aanwezigheid van de griffier. Tijdens de zitting heeft mr. Raab samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 december 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 3 december 2026.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 december 2025 machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 17 maart 2026, met verwijzing naar de meervoudige kamer en onder aanhouding van de beslissing op de resterende verzochte termijn. Bij beschikking van 4 maart 2026 heeft de meervoudige kamer de resterende verzochte termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend tot 17 juni 2026.
2.4.
[de minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Volgens de GI is er bij [de minderjarige] sprake van forse ontwikkelingsbedreigingen met betrekking tot zijn identiteitsontwikkeling, zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en zijn didactische ontwikkeling. Deze bedreigingen houden direct verband met de voortdurende strijd van de ouders tegen de GI, het ontbreken van erkenning door de ouders van het plegen van Kindermishandeling door Falsificatie (hierna KMdF) en het door hen ondermijnen van ingezette hulpverlening en medische zorg voor [de minderjarige] . Hierdoor kan er op dit moment niet veilig en verantwoord worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [de minderjarige] . Het psychische herstel van [de minderjarige] wordt door de houding en opstelling van de ouders belemmerd. De ouders lijken vooral de focus te leggen op de strijd en geven ook geen inzicht in de bij henzelf betrokken hulpverlening of de geschiedenis daarvan. Ook belasten zij [de minderjarige] tijdens de contacten. De GI heeft de afspraken moeten aanscherpen en de contacten zijn inmiddels teruggeschroefd. Het is noodzakelijk dat de ouders aan de slag gaan met de voorwaarden, waaraan de ouders moeten voldoen om te kunnen onderzoeken of een thuisplaatsing tot de mogelijkheden behoort. Daarbij is het erkennen van het plegen van KMdF een eerste onmisbare stap. Zonder deze erkenning blijft het voor de GI onmogelijk om samen met de ouders te werken aan het herstel van [de minderjarige] en te gaan spreken over het opbouwen van contact en een toekomstige thuisplaatsing. Daarbij dient volgens de GI rekening te worden gehouden met de aanvaardbare termijn.
<nr>4</nr>Het verweer van de ouders 4.1.
De ouders concluderen tot afwijzing van het verzoek van de GI. Zij weerspreken dat er sprake is van KMdF. De ouders hebben naar eer en geweten gehandeld met betrekking tot [de minderjarige] . De ouders zien uiteraard dat [de minderjarige] in enorm tempo heeft bereikt waar de ouders net zozeer voor aan het strijden zijn geweest. Het is een misvatting dat de ouders daar niet ontzettend blij en dankbaar voor zijn. Ook de ouders kunnen nu, achteraf, vaststellen dat dit een grote winst is voor [de minderjarige] en uiteraard voor henzelf, maar dat

rechtvaardigt nog niet dat reden bestaat om [de minderjarige] uit huis geplaatst te houden. Het probleem is dat de GI niets doet tot de ouders erkennen dat zij [de minderjarige] ziek hebben gehouden. Dat is een bizarre en gevaarlijke situatie. De GI zit vast in een tunnelvisie en is op geen enkele manier van plan om haar verantwoordelijkheid te nemen. Er is immers geen sprake van enige poging de terugkeer van [de minderjarige] naar huis voor te bereiden. Integendeel, de contacten met [de minderjarige] worden gemarginaliseerd en de ouders mogen geen enkele vrijheid meer hebben in het contact met [de minderjarige] . Daarmee bewijst de GI dat zij de uithuisplaatsing niet aanwendt voor het doel waar deze toe dient, maar wordt de uithuisplaatsing misbruikt om [de minderjarige] zozeer van de ouders te distantiëren dat daarmee alsnog kan worden bereikt dat de ouders wederom het gezag over [de minderjarige] kwijt zullen raken. De ouders zijn bereid om mee te werken aan onderzoek. Maar van de ouders kan niet verlangd worden niet te reageren als zij eerst blij worden gemaakt met uitbreiding van het contact met een eetmoment dat hen vervolgens zonder enige rechtens te respecteren reden weer wordt afgenomen. De gezinsvoogden moeten begrijpen wat dat met de ouders doet.

Zelfs als er al vanuit zou worden gegaan dat de ouders niet slechts voorzichtig zijn geweest met [de minderjarige] en, vanuit welke motieven dan ook, het herstel van [de minderjarige] hebben belemmerd, dan nog is het niet in het belang van [de minderjarige] om van de ouders gescheiden te blijven. Juist dan moet worden toegewerkt naar thuisplaatsing, zodat [de minderjarige] met de ouders, broers en zus kan leren omgaan met zijn nieuwe leven en zijn nieuwe gezondheid. Het gaat niet goed met [de minderjarige] . Hij is boos. Voor zover het beter met hem gaat, moet ook worden gezien dat hij vanaf zijn geboorte een vechter en overlever is. Die houding neemt hij ook nu in. Dat [de minderjarige] zelfs na een jaar zo duidelijk is in zijn wens om naar huis te gaan zegt veel over de gezonde hechting die [de minderjarige] met de ouders heeft. Een hechting die als gevolg van de huidige situatie systematisch wordt ondermijnd. Dat dient te worden gestopt voordat [de minderjarige] hier niet meer van kan herstellen.
<nr>5</nr>De mening van [de minderjarige] 5.1.
[de minderjarige] staat niet achter het verzoek van de GI. Hij wil het liefste terug naar huis. In het gezinshuis zelf gaat het wel goed. [de minderjarige] kan het goed vinden met de gezinshuisouder en de andere (met name de oudere) kinderen. [de minderjarige] vindt het vreselijk dat de frequentie van het contact tussen hem en de ouders en zijn broers en zus is teruggebracht en dat hij niet meer samen met hen mag eten.

[de minderjarige] vindt de dagbesteding waar hij zit niet leuk. Hij wil graag naar school. Hij staat ervoor open om naar [school] te gaan, maar hij zou het liefste in de buurt van de ouders naar school gaan. [de minderjarige] is inmiddels één keer naar therapie geweest. Hij vraagt zich echter af waarom hij therapie nodig heeft. [de minderjarige] is heel erg boos op de GI en de rechters.

6. De beoordeling
6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom.
6.2.
De GI heeft naar voren gebracht dat de kern van de problematiek is gelegen in de door de vertrouwensarts van Veilig Thuis getrokken conclusie van KMdF, die door de ouders nog steeds wordt weersproken. Bij beschikking van 4 maart 2026 heeft de rechtbank overwogen niet te kunnen concluderen dat de vertrouwensarts op ondeugdelijke gronden heeft vastgesteld dat er sprake is van KMdF. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel. Ook de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 april 2026, die ziet op het verzoek tot ondertoezichtstelling van de overige kinderen binnen het gezin, doet aan dat oordeel niet af. Integendeel, in die uitspraak heeft het hof overwogen dat, nog daargelaten of KMdF bij [de minderjarige] is vastgesteld, is gebleken dat er in ieder geval ernstige vermoedens zijn van KMdF bij [de minderjarige] , omdat de ouders hem mogelijk voor zieker hebben gehouden dan hij daadwerkelijk was. Daarbij komt dat ook nu is gebleken dat, hoewel de ouders in hun verweerschrift hebben aangegeven bereid te zijn mee te werken aan onderzoek, zij nog steeds niet hun volledige medewerking hebben verleend in die zin dat zij nog altijd geen inzicht hebben gegeven in de bij henzelf betrokken hulpverlening. Dit is echter nog altijd van belang voor het maken van een risico-inschatting in verband met het nodige onderzoek door de GI naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing van [de minderjarige] .
6.3.
Er is ook los van de conclusie van KMdF voor [de minderjarige] sprake van een groot spanningsveld tussen twee werelden. Enerzijds is er de wereld van thuis waarin [de minderjarige] altijd geleefd heeft met het beeld (ongeneeslijk) ziek te zijn. Dat heeft tot zijn elfde levensjaar aan een gezonde identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] in de weg gestaan. Hij is steeds ziek en klein gehouden, waardoor hij ook niet of in ieder geval onvoldoende toe is kunnen komen aan zijn ontwikkelingstaken op cognitief en sociaal-emotioneel gebied. Anderzijds is er de wereld van de hulpverlening en waarin [de minderjarige] gezond is en zich leeftijdsconform kan ontwikkelen. Deze werelden zijn voor [de minderjarige] moeilijk met elkaar in verbinding te brengen en leiden tot een forse belasting voor hem. [de minderjarige] blijft geconfronteerd worden met twee verhalen en visies – enerzijds van de ouders en anderzijds van de GI en de hulpverlening - waardoor zijn klempositie alleen maar wordt vergroot. De ouders hebben in dat kader weliswaar ter zitting aangegeven in te zien dat [de minderjarige] niet alleen hulpverlening nodig heeft voor wat hij heeft meegemaakt rondom zijn uithuisplaatsing, maar ook voor de problematiek die [de minderjarige] belast vanwege deze twee werelden. Zij handelen hier echter niet naar. Zo is na een gesprek van [hulpverlener] met de ouders op verzoek van de ouders het behandelplan van [hulpverlener] aangepast van hulp voor “waar [de minderjarige] vandaan komt, wat niet meer is en zijn twee leefwerelden” naar enkel hulp voor de traumatische gebeurtenissen die [de minderjarige] heeft meegemaakt in verband met de machtiging uithuisplaatsing, scheiding van het gezin en verblijf in het gezinshuis. Het lukt de ouders vanwege hun strijd ook niet om de belangen van [de minderjarige] voorop te stellen bij zaken die geen verband houden met de conclusie van KMdF dan wel die vanuit de huidige situatie in zijn belang worden geacht, zoals het onvoorwaardelijk geven van toestemming voor medische behandeling van [de minderjarige] en zijn aanmelding bij een school. Ook daarmee laten de ouders nog altijd niet blijken inzicht te hebben in wat [de minderjarige] nodig heeft.
6.4.
Ondanks de forse belasting die [de minderjarige] ervaart, maakt hij naar omstandigheden in het gezinshuis een positieve ontwikkeling door. Die ontwikkeling dient te worden bestendigd. De rechtbank is van oordeel dat dit thuis niet mogelijk is, zodat zijn verblijf in het gezinshuis moet worden voortgezet.
6.5.
De rechtbank zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling.
6.6.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als hoger beroep wordt ingesteld.
6.7.
Mr. Raab informeert [de minderjarige] namens de meervoudige kamer in een aparte e-mail over de genomen beslissingen. Deze e-mail heeft de volgende inhoud:

“Beste [de minderjarige] ,

Net als vorige keer schrijf ik je om je te vertellen welke beslissingen wij (de twee andere rechters en ik) hebben genomen.

Op de eerste plaats begrijpen wij dat je heel boos bent dat het eetmoment met je familie niet is doorgegaan en dat de gezinsvoogden het contact met je familie hebben beperkt. Wij zien op dit moment geen aanleiding het contact met je familie nog meer te beperken dan al was gebeurd. Wij hebben dan ook beslist dat het contact met je familie blijft zoals het eerder was, dus drie uur per twee weken, waarbij het ook mogelijk moet zijn samen een hapje te eten.

Wij zien dat je heel erg in de knel zit omdat je in twee werelden leeft; van de ene kant is er je leven vroeger thuis waarbij je ziek en klein bent gehouden en anderzijds is er het leven van de gezonde [de minderjarige] in [hulpverlener] . Wij hebben voor jou een “bijzondere curator” benoemd. Dat is mevrouw [bijzondere curator] en zij gaat kijken wat voor jou goed is. We willen haar verslag afwachten voordat we een beslissing nemen over het verzoek je gezinsvoogden te vervangen.

Verder hebben we toestemming gegeven voor inschrijving bij school [school] , voor therapie bij [hulpverlener] en voor behandeling in het [ziekenhuis] . Jij gaf al aan graag naar [school] te willen (al wil je liever naar een school in de buurt van thuis). Ook vind jij het goed naar het [ziekenhuis] te gaan, al gaf je aan dat je wilt dat je vader daarbij aanwezig is. Dat laatste is niet mogelijk omdat er bewust voor is gekozen dat jij je vader alleen onder begeleiding ziet tijdens de omgangsmomenten. Ook al vind je dat lastig, wij zijn ervan overtuigd dat dit beter voor je is.

Wij vinden dat je nog niet naar huis kunt. Wij zijn er niet anders over gaan denken. Er is eigenlijk ook niets veranderd ten opzichte van de vorige keer. Je ouders gaan drie hogere rechters vragen om te beslissen of je terug naar huis kunt, maar die beslissing zal pas over enkele maanden komen.

Wij wensen je veel sterkte.

Met vriendelijke groet, ook namens de andere kinderrechters,

Mr. Raab”
<nr>7</nr>De beslissing
De rechtbank:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 3 december 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Raab (voorzitter), mr. Bregonje en mr. Brandts, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Bouwens als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.

Artikel delen