Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBLIM:2026:6018

Verzoek vervanging gecertificeerde instelling aangehouden en benoeming bijzondere curator. De gecertificeerde instelling en de ouders verschillen van inzicht over wat in het belang is van de minderjarige. Kindermishandeling door Falsificatie

Rechtbank Limburg 9 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBLIM:2026:6018 text/xml public 2026-07-09T16:03:38 2026-06-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-06-16 C/03/350435 / JE RK 26-451 Uitspraak Rekestprocedure NL Roermond Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6018 text/html public 2026-07-09T16:03:06 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:6018 Rechtbank Limburg , 16-06-2026 / C/03/350435 / JE RK 26-451
Verzoek vervanging gecertificeerde instelling aangehouden en benoeming bijzondere curator.

De gecertificeerde instelling en de ouders verschillen van inzicht over wat in het belang is van de minderjarige.

Kindermishandeling door Falsificatie
RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/03/350435 / JE RK 26-451

Datum uitspraak: 16 juni 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over de vervanging van de gecertificeerde instelling en benoeming van een bijzondere curator

in de zaak van

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

en

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

beiden wonende in [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,

gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat mr. J. van Koesveld uit Utrecht,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [de minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Roermond,

advocaat mr. A.C.E. van den Hombergh uit Roermond.
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Gelijktijdig zijn de zaken met zaaknummer C/03/351405 / JE RK 26-668 (verlenging machtiging uithuisplaatsing), C/03/351636 / JE RK 26-722, C/03/351637 / JE RK 26-723, C/03/351638 / JE RK 26-724 en C/03/351639 JE / RK 26-725 (gedeeltelijke uitoefening gezag) en C/03/352429 JE RK / 26-885 (vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en vaststelling contactregeling) behandeld. In die zaken wordt afzonderlijk beslist.
1.3.
Tijdens de zitting waren aanwezig:

de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

twee vertegenwoordigers van de GI, bijgestaan door hun advocaat.
1.4.
De rechtbank heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover via een videoverbinding een gesprek gevoerd met mr. Raab in aanwezigheid van de griffier. Tijdens de zitting heeft mr. Raab samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 december 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 3 december 2026.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 december 2025 machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 17 maart 2026, met verwijzing naar de meervoudige kamer en onder aanhouding van de beslissing op de resterende verzochte termijn. Bij beschikking van 4 maart 2026 heeft de meervoudige kamer de resterende termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend tot 17 juni 2026. Bij beschikking van heden is een machtiging tot verlenging de uithuisplaatsing verleend tot 3 december 2026.
2.4.
[de minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De ouders verzoeken de rechtbank om de GI, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door een andere gecertificeerde instelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Ook verzoeken de ouders een bijzondere curator te benoemen voor [de minderjarige] en deze opdracht te geven onderzoek te doen naar wat in het belang van [de minderjarige] kan worden geacht in zijn situatie en zo nodig namens [de minderjarige] gebruik te maken van zijn zelfstandige rechtsingang.
3.2.
De ouders stellen daartoe dat de samenwerking tussen de ouders en GI niet goed verloopt en de verhoudingen meer en meer op scherp komen te staan.

Het primaire probleem van de ouders is de houding van de gezinsvoogden ten aanzien van hen als ouders en de wijze waarop zij aan de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing uitvoering geven. De ouders worden door de gezinsvoogden van begin af aan behandeld als schuldig aan Kindermishandeling door Falsificatie (KMdF). De GI eist min of meer dat de ouders hun schuld daarin toegeven. Voor de ouders is helder dat van uitbreiding van het contact of werken aan de thuiskomst van [de minderjarige] watde GI betreft geen sprake is tot de ouders hebben bekend. De ouders voelen zich gecriminaliseerd en ernstig beperkt in hun handelen. Als de ouders, in strijd met in ieder geval hun waarheid, zouden ‘bekennen’ [de minderjarige] te hebben mishandeld, stemt dat de GI wellicht tevreden, maar daarmee lopen zij een enorm risico strafrechtelijk te worden veroordeeld.

Naast deze gespannen relatie met de gezinsvoogden bemerken de ouders ook dat zij niet gehoord worden als zij aangegeven zorgen te hebben over de situatie van [de minderjarige] .

Inmiddels laat [de minderjarige] zelf steeds duidelijker merken het niet eens te zijn met wat er allemaal gebeurt en heeft hij aan de ouders aangegeven niet meer met de gezinsvoogden te willen praten. De ouders zijn van mening dat het noodzakelijk is dat een andere GI wordt benoemd zodat een meer objectieve blik op de situatie van [de minderjarige] en de ouders kan worden geworpen. De ouders willen graag op een constructieve manier met een gecertificeerde instelling overleggen en samenwerken om het primaire doel van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te bewerkstelligen en dat is terugkeer van [de minderjarige] naar zijn ouderlijk huis. Dat vergt echter een constructieve opstelling en meer open blik van beide partijen. De ouders zijn van mening dat dit vraagt om een andere instelling die met een frisse start en kritische blik, ook naar het eigen optreden, deze taak kan oppakken.
3.3.
Ter onderbouwing van het verzoek tot het benoemen van een bijzondere curator stellen de ouders dat [de minderjarige] inmiddels in het kader van verschillende procedures is gehoord door de rechtbank. Uit de verslagen van die gesprekken, maar ook uit hetgeen [de minderjarige] zelf met zijn ouders kan delen maken de ouders op dat [de minderjarige] zich niet gehoord voelt en in toenemende mate het idee krijgt dat zijn mening er niet toe doet. Hij is ongelukkig, mist zijn familie en raakt in verwarring over wat hij van de ouders te horen krijgt. Ook begrijpt hij niet waarom hij eerst wel, maar nu niet meer met zijn ouders een hapje mag gaan eten. De ouders menen dat er sprake is van tegenstrijdige belangen tussen de ouders en de GI. Tussen die twee uitersten moet [de minderjarige] balanceren. De spagaat waar [de minderjarige] in zit vinden de ouders niet in het belang van [de minderjarige] . Dat maakt het noodzakelijk dat [de minderjarige] een eigen spreekbuis krijgt. Een eigen advocaat die kritisch mag en moet zijn op de ouders en kritisch mag en moet zijn op de GI en het gezinshuis.
<nr>4</nr>Het standpunt van de GI 4.1.
Wat betreft het verzoek tot wijziging van de GI stelt de GI een patroon te zien bij de ouders. Wanneer er zorgen worden geuit en iemand een andere visie heeft dan de ouders gaan de ouders op zoek naar iemand anders. Dit was ook in het verleden te zien met de wisseling van artsen en ziekenhuizen.
4.2.
Ten aanzien van het verzoek tot benoeming van de bijzondere curator kan de GI zich voorstellen dat [de minderjarige] door iemand gehoord wil worden. De GI heeft daarom ingezet op een hulpverleningsorganisatie die psychologische hulpverlening biedt en waar [de minderjarige] zijn verhaal kan doen en een vertrouwenspersoon heeft. De focus moet liggen op herstel en wat het lastige thema KMdF voor [de minderjarige] betekent. De vraag is in hoeverre een bijzondere curator kennis heeft van deze zaken. Er zijn volgens de GI risico’s aan verbonden wanneer een bijzondere curator de stem van [de minderjarige] moet gaan vertolken, maar geen kennis heeft van KMdF.
<nr>5</nr>De mening van [de minderjarige] 5.1.
is heel erg boos op de GI en de rechters. Hij staat achter de benoeming van een bijzondere curator.
<nr>6</nr>De beoordeling 6.1.
Op grond van artikel 1:259 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, onder andere op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de gecertificeerde instelling die is belast met de ondertoezichtstelling vervangen door een andere gecertificeerde instelling.
6.2.
Het verzoek van de ouders tot benoeming van een bijzondere curator is gebaseerd op artikel 1:250 BW. Op grond van artikel 1:250 BW kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als - in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige - de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders of voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.
6.3.
Uit de stukken en tijdens de zitting is gebleken dat de visies van de ouders en de GI over wat in het belang is van [de minderjarige] haaks op elkaar staan. De ouders oefenen het gezag uit en de GI is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Beiden dienen te handelen in het belang van [de minderjarige] . De GI en de ouders handelen echter vanuit een ander perspectief. Enerzijds is er de GI (en de hulpverlening) die zich op het standpunt stelt dat de ouders eerst moeten toegeven dat er sprake is van KMdF, voordat er gekeken kan worden naar uitbreiding van het contact en een eventuele terugkeer van [de minderjarige] naar huis. Aan de andere kant staan de ouders die zich ernstig beperkt voelen in hun handelen en wensen dat [de minderjarige] thuis komt wonen of dat in ieder geval een constructieve uitbreiding van het contact kan worden bewerkstelligd. Daarnaast staan zij niet achter de plaatsing van [de minderjarige] bij [gezinshuis] en voelen zij zich niet gehoord door de GI. Ook kunnen zij zich niet vinden in de door de GI gestelde voorwaarden. Dit brengt onderling zoveel strijd met zich mee dat [de minderjarige] daardoor belast wordt. De rechtbank acht het daarom van belang om een bijzondere curator te benoemen. De bijzondere curator wordt niet benoemd om, zoals de vader ter zitting heeft gesteld, de onderste steen boven te krijgen, maar om de belangen van [de minderjarige] te behartigen.
6.4.
De rechtbank acht het in dit geval aangewezen om drs. [bijzondere curator] , orthopedagoog, te benoemen tot bijzondere curator. Aan haar zal worden verzocht onderzoek te doen naar de volgende vragen:

Waar is [de minderjarige] bij geholpen in de samenwerking tussen de GI en de ouders?

Wat kan volgens de bijzondere curator, gelet op dit belang van [de minderjarige] , van de ouders en de GI gevraagd worden om te komen tot een goede samenwerking?

Acht de bijzondere curator in het licht van het antwoord op de overige vragen de GI en de ouders nog in staat om in het belang van [de minderjarige] te handelen, gelet op de strijd tussen de GI en de ouders, waarbij het belang van [de minderjarige] de inzet is?
6.5.
Ook zal in het kader van het verzoek tot het vaststellen van een contactregeling bij aparte beschikking aan de bijzondere curator worden verzocht onderzoek te doen naar de vraag:

- Welke contactregeling tussen de ouders en [de minderjarige] is qua vorm en frequentie in het belang van [de minderjarige] ?
6.6.
Aan de bijzondere curator wordt verzocht om uiterlijk over drie maanden, zijnde 16 september 2026, een schriftelijk verslag aan de rechtbank toe te sturen. Aan de GI en de ouders wordt verzocht om uiterlijk twee weken voor de volgende mondelinge behandeling te reageren op het verslag van de bijzondere curator.
6.7.
De bijzondere curator heeft de rechtbank bericht dat zij voor het onderzoek een vergoeding vraagt van € 5.000,- exclusief BTW. De rechtbank komt deze vergoeding gelet op de complexiteit van de zaak niet onredelijk voor. De werkzaamheden zijn nodig om meer zicht te krijgen op de belangen van [de minderjarige] en daarom zal de rechtbank bepalen dat de vergoeding van de bijzondere curator ten laste komt van de Rijkskas.
6.8.
In afwachting van het onderzoek van de bijzondere curator zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden voor de duur van vijf maanden. De behandeling van het de zaak zal worden voortgezet ter zitting van 5 november 2026 om 10.00 uur samen met de zaak onder zaaknummer C/03/352429 / JE RK 26-885 (vaststelling contactregeling) .
6.9.
Mr. Raab informeert [de minderjarige] namens de meervoudige kamer in een aparte e-mail over de genomen beslissingen. Deze e-mail heeft de volgende inhoud:

“Beste [de minderjarige] ,

Net als vorige keer schrijf ik je om je te vertellen welke beslissingen wij (de twee andere rechters en ik) hebben genomen.

Op de eerste plaats begrijpen wij dat je heel boos bent dat het eetmoment met je familie niet is doorgegaan en dat de gezinsvoogden het contact met je familie hebben beperkt. Wij zien op dit moment geen aanleiding het contact met je familie nog meer te beperken dan al was gebeurd. Wij hebben dan ook beslist dat het contact met je familie blijft zoals het eerder was, dus drie uur per twee weken, waarbij het ook mogelijk moet zijn samen een hapje te eten.

Wij zien dat je heel erg in de knel zit omdat je in twee werelden leeft; van de ene kant is er je leven vroeger thuis waarbij je ziek en klein bent gehouden en anderzijds is er het leven van de gezonde [de minderjarige] in [gezinshuis] . Wij hebben voor jou een “bijzondere curator” benoemd. Dat is mevrouw [bijzondere curator] en zij gaat kijken wat voor jou goed is. We willen haar verslag afwachten voordat we een beslissing nemen over het verzoek je gezinsvoogden te vervangen.

Verder hebben we toestemming gegeven voor inschrijving bij school [school] , voor therapie bij [hulpverlener] en voor behandeling in het [ziekenhuis] . Jij gaf al aan graag naar [school] te willen (al wil je liever naar een school in de buurt van thuis). Ook vind jij het goed naar het [ziekenhuis] te gaan, al gaf je aan dat je wilt dat je vader daarbij aanwezig is. Dat laatste is niet mogelijk omdat er bewust voor is gekozen dat jij je vader alleen onder begeleiding ziet tijdens de omgangsmomenten. Ook al vind je dat lastig, wij zijn ervan overtuigd dat dit beter voor je is.

Wij vinden dat je nog niet naar huis kunt. Wij zijn er niet anders over gaan denken. Er is eigenlijk ook niets veranderd ten opzichte van de vorige keer. Je ouders gaan drie hogere rechters vragen om te beslissen of je terug naar huis kunt, maar die beslissing zal pas over enkele maanden komen.

Wij wensen je veel sterkte.

Met vriendelijke groet, ook namens de andere kinderrechters,

Mr. Raab”
<nr>7</nr>De beslissing
De rechtbank:
7.1.
benoemt tot bijzondere curator over [de minderjarige] :

drs. [bijzondere curator] , kantoorhoudend te Boxtel;
7.2.
verzoekt de bijzondere curator uiterlijk 16 september 2026 een schriftelijk verslag aan de rechtbank toe te sturen over de volgende vragen:

Waar is [de minderjarige] bij geholpen in de samenwerking tussen de GI en de ouders?

Wat kan volgens de bijzondere curator, gelet op dit belang van [de minderjarige] , van de ouders en de GI gevraagd worden om te komen tot een goede samenwerking?

Acht de bijzondere curator in het licht van het antwoord op de overige vragen de GI en de ouders nog in staat om in het belang van [de minderjarige] te handelen, gelet op de strijd tussen de GI en de ouders, waarbij het belang van [de minderjarige] de inzet is?
7.3.
verzoekt de GI en de ouders uiterlijk twee weken voor de volgende mondelinge behandeling te reageren op het verslag van de bijzondere curator;
7.4.
stelt de kosten van de bijzondere curator vast op € 5.000,- exclusief BTW;
7.5.
bepaalt dat de kosten van de bijzondere curator ten laste komen van de Rijkskas;
7.6.
houdt iedere verdere beslissing aan voor de duur van vijf maanden;
7.7.
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voorgezet op 5 november 2026 om 10.00 uur samen met de zaak onder zaaknummer C/03/352429 / JE RK 26-885 (vaststelling contactregeling) in het gerechtsgebouw van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, aan Willem II Singel 67 in Roermond.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bregonje (voorzitter), mr. Raab en mr. Brandts, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Bouwens als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Artikel delen