Ontruiming bedrijfsruimte na vaststellingsovereenkomst.
Rechtbank Limburg 5 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:6529
Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-07-2026
Datum publicatie
05-08-2026
Zaaknummer
12272958 CV EXPL 26-3198
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
ECLI:NL:RBLIM:2026:6529text/xmlpublic2026-08-05T10:37:002026-07-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Limburg2026-07-1312272958 CV EXPL 26-3198UitspraakKort gedingNLMaastrichtCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6529text/htmlpublic2026-08-05T10:36:172026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBLIM:2026:6529 Rechtbank Limburg , 13-07-2026 / 12272958 CV EXPL 26-3198 Ontruiming bedrijfsruimte na vaststellingsovereenkomst.
RECHTBANK LIMBURG Civiel recht
Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 12272958 CV EXPL 26-3198 Vonnis in kort geding van 13 juli 2026 in de zaak van
[verhuurder]
,
te [plaats 1] (België),
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: mr. C. Mohr, tegen
[huurder]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
procederend in persoon. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 19 juni 2026 met producties 1 tot en met 7;
- de spreekaantekeningen van mr. Mohr;- de mondelinge behandeling van 29 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2De feiten2.1.
[verhuurder] is eigenaar van een bedrijfsloods aan [adres] in [plaats 2] . Een gedeelte van de bedrijfsloods (hierna: het gehuurde) wordt door [huurder] gebruikt op basis van een huurovereenkomst. De huurovereenkomst is op 30 oktober 2006 gesloten tussen de ouders van [verhuurder] als verhuurders en [huurder] als huurder. 2.2. In de huurovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“12. Indien huurder nalatig blijft in de nakoming van een of meer verplichtingen, voortvloeiende uit deze overeenkomst, heeft verhuurder onverminderd het hierboven overigens bepaalde, het recht van huurder vergoeding te vorderen van kosten schaden of interesten, ook van buitengerechtelijke kosten, waaronder mede begrepen de kosten van rechtskundige bijstand, ingeroepen ter handhaving of uitoefening van de rechten van verhuurder.
13. Bij beeindiging van deze huurovereenkomst dient huurder het gehuurde geheel te ontruimen en bezemschoon op te leveren.
Wanneer verhuurder goederen moet doen of laten afvoeren zijn de kosten tot een maximum van 5000 euro voor rekening huurder.” 2.3. Op 14 december 2021 heeft [verhuurder] de bedrijfsloods krachtens notariële akte van levering in eigendom gekregen en de huurovereenkomst met [huurder] overgenomen. 2.4. Op 20 juni 2025 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst getekend ter beëindiging van de huurovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “Beëindiging huurovereenkomst
De huurovereenkomst gesloten tussen Verhuurder en Huurder d.d. 30 oktober 2006 betreffende het gebruik van een gedeelte van de loods aan [adres] te [plaats 2] , wordt met wederzijds goedvinden beëindigd per 1 juni 2026 (de “Einddatum”).
Oplevering
Huurder zal het gehuurde object uiterlijk op de Einddatum volledig ontruimd, vrij van gebruik en bezemschoon aan Verhuurder opleveren. Eventuele sleutels of toegangsmiddelen worden op die datum aan Verhuurder overgedragen.
(…)
Boete bij niet-ontruiming
Indien huurder het gehuurde niet uiterlijk op 1 juni 2026 volledig en bezemschoon heeft ontruimd en ter beschikking heeft gesteld aan verhuurder, is huurder aan verhuurder, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, een direct opeisbare boete van €250,00 per dag verschuldigd voor elke dag (of gedeelte daarvan) dat de ontruiming uitblijft. Deze boete geldt onverminderd het recht van verhuurder op volledige vergoeding van de daadwerkelijk geleden schade, waaronder mede begrepen eventuele huurderving, kosten voor juridische bijstand en kosten voor ontruiming of schoonmaak. Het maximum totaal aan boete bedraagt €5.000,00, tenzij de werkelijke schade van verhuurder hoger is, in welk geval verhuurder gerechtigd is tot aanvullende schadevergoeding.” 2.5. Het gehuurde is op 1 juni 2026 door [huurder] niet ontruimd opgeleverd en de sleutels zijn niet aan [verhuurder] overgedragen. 2.6.
[verhuurder] heeft [huurder] op 2 juni 2026 via Whatsapp gesommeerd het gehuurde te ontruimen en de sleutels af te geven. Op 5 juni 2026 heeft [verhuurder] [huurder] per brief hiertoe nogmaals gesommeerd. Deze brief werd aan een onjuist adres verzonden en is vervolgens op 8 juni 2026 via Whatsapp rechtstreeks aan [huurder] toegezonden. [huurder] heeft [verhuurder] op 6 juni 2026 en de gemachtigde van [verhuurder] op 10 juni 2026 geïnformeerd dat hij het er niet mee eens is en dat partijen zijn overeengekomen dat hij tot december 2026 in het gehuurde mag blijven. 2.7. Tot op heden is het gehuurde niet ontruimd opgeleverd en zijn de sleutels niet aan [verhuurder] afgegeven. 3Het geschil3.1.
[verhuurder] vordert samengevat - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd per 1 juni 2026;
II. [huurder] te veroordelen om het gehuurde binnen twee dagen, vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, na betekening van het vonnis volledig te ontruimen, te verlaten, bezemschoon op te leveren en alle sleutels aan [verhuurder] af te geven;
III. te bepalen dat [verhuurder] gerechtigd is de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van een gerechtsdeurwaarder en de sterke arm van politie en justitie, zulks geheel voor rekening en risico van [huurder] ;
IV. [huurder] te veroordelen tot betaling van de contractuele boete van € 250,00 per dag vanaf 1 juni 2026, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag waarop het gehuurde volledig is ontruimd, met een contractueel maximum van € 5.000,00;
V. [huurder] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de kosten van ontruiming, afvoer van goederen, opslag, transport en daarmee samenhangende schade ten bedrage van € 15.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
VI. [huurder] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.742,40 en p.m. uit hoofde van de reeds door [verhuurder] gemaakte daadwerkelijke kosten van rechtsbijstand en buitengerechtelijke werkzaamheden, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
VII. [huurder] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 12 van de huurovereenkomst;
VIII. [huurder] te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2.
[verhuurder] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is opgenomen dat de huurovereenkomst ten aanzien van het gehuurde met wederzijds goedvinden eindigt per 1 juni 2026 en [huurder] het gehuurde per die datum ontruimd moet opleveren en de sleutels moet overdragen. [huurder] heeft hier niet aan voldaan en houdt het gehuurde sindsdien zonder recht of titel onder zich. 3.3.
[huurder] voert verweer. Hij voert aan dat partijen na het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst een afwijkende mondelinge afspraak hebben gemaakt dat [huurder] het gehuurde pas in december 2026 hoeft te verlaten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Spoedeisend belang en toetsingskader 4.1. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt daarbij een spoedeisend belang heeft. Het spoedeisend belang van de vordering tot ontruiming vloeit voort uit de aard daarvan (gebruik van het gehuurde zonder recht of titel) en is ook niet betwist. Ten aanzien van de contractuele boete, het voorschot en de buitengerechtelijke kosten overweegt de kantonrechter dat om proceseconomische redenen ook op deze nevenvorderingen zal worden beslist. 4.2. Verder is voor de toewijzing van de vordering kort geding vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering in een nog te voeren gewone procedure zal worden toegewezen, zodat het gerechtvaardigd is hierop vooruit te lopen door het treffen van een voorlopige voorziening. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. Verklaring voor recht 4.3.
[verhuurder] vordert een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig per 1 juni 2026 is geëindigd. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een dergelijke declaratoire vordering niet in kort geding worden toegewezen nu dit geen voorlopige maatregel maar een oordeel met een definitief karakter betreft. De vordering wordt daarom afgewezen. Ontruiming van het gehuurde 4.4. Een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming is een maatregel die diep in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder ingrijpt. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, nu in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal ononmkeerbare gevolgen van ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. Hiermee rekening houdende oordeelt de kantonrechter als volgt. 4.5. Tussen partijen staat vast dat op 20 juni 2025 een vaststellingsovereenkomst is gesloten waarin is opgenomen dat de huurovereenkomst ten aanzien van het gehuurde per 1 juni 2026 eindigt en het gehuurde per die datum door [huurder] moet worden opgeleverd. [huurder] voert echter aan dat partijen nadien een mondelinge afspraak hebben gemaakt, inhoudende dat [huurder] , in het geval de vader van [verhuurder] in juni 2026 nog in leven is, pas in december 2026 uit het gehuurde hoeft. Dit verweer slaagt niet. In het licht van de betwisting daarvan door [verhuurder] heeft [huurder] in het geheel niet onderbouwd dat partijen deze afspraak hebben gemaakt. Dit lag wel op zijn weg, aangezien hij zich op het rechtsgevolg van deze stelling beroept. Nu niet vast is komen te staan dat partijen een afwijkende afspraak hebben gemaakt had [huurder] het gehuurde conform de vaststellingsovereenkomst op 1 juni 2026 moeten verlaten. [huurder] heeft hieraan niet voldaan en houdt het gehuurde zonder recht of titel onder zich. De vordering tot ontruiming van het gehuurde zal daarom worden toegewezen. 4.6. De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na betekening van het vonnis. Anders dan [verhuurder] is de kantonrechter van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is. Contractuele boete, voorschot en buitengerechtelijke kosten 4.7. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, maar zal in de afweging van de belangen van partijen mede hebben te betrekken de vraag naar, kort gezegd, het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. 4.8.
[verhuurder] vordert betaling van de direct opeisbare contractuele boete van € 250,00 per dag voor elke dag (of gedeelte daarvan) dat ontruiming van het gehuurde vanaf 1 juni 2026 uitblijft, met een maximum van € 5.000,00. Deze contractuele boete zijn partijen overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst. [huurder] heeft het gehuurde niet per 1 juni 2026 ontruimd opgeleverd en heeft tegen de verschuldigdheid van de boete geen verweer gevoerd. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een restitutierisico. De vordering zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter merkt op dat het contractuele maximum van € 5.000,00 is bereikt. 4.9. Verder vordert [verhuurder] op basis van artikel 13 van de huurovereenkomst een voorschot van € 15.000,00 aan kosten van ontruiming, afvoer van goederen, opslag, transport en daarmee samenhangende schade voor het geval [huurder] niet zelf aan de veroordeling tot ontruiming voldoet. Niet uitgesloten kan worden dat [huurder] , na veroordeling daartoe, vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming van het gehuurde zal voldoen, zodat onzeker is of dergelijke kosten überhaupt door [verhuurder] zullen moeten worden gemaakt. Daarnaast wordt de hoogte van het voorschot op geen enkele wijze door [verhuurder] onderbouwd. Hij stelt enkel dat de kosten nog niet exact kunnen worden vastgesteld maar voorlopig worden begroot op € 15.000,00. Ook staat niet vast dat sprake is van schade in het gehuurde welke door [verhuurder] hersteld moet worden. De vordering zal daarom worden afgewezen. 4.10. Onder VI. vordert [verhuurder] een bedrag van € 1.742,40 en p.m. aan daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en buitengerechtelijke werkzaamheden. [verhuurder] baseert deze vordering op artikel 12 van de huurovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat onduidelijk is of onder deze bepaling alle door [verhuurder] gemaakte kosten vallen. Ook is onduidelijk op welke werkzaamheden de factuur die [verhuurder] ter onderbouwing van deze kosten overlegt (productie 6 bij dagvaarding) ziet. Alleen een nader onderzoek naar de feiten kan daarover meer duidelijkheid geven. De aard van een kortgedingprocedure leent zich niet voor nadere bewijslevering. Voorgaande brengt met zich dat de vordering wordt afgewezen. 4.11.
[verhuurder] vordert onder VII. de buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 12 van de huurovereenkomst. Deze vordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal – mede gelet op de aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal – worden afgewezen. [verhuurder] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [verhuurder] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. 4.12. Tijdens de mondelinge behandeling kwam naar voren dat op en na 1 juni 2026 door [huurder] betalingen zijn gedaan aan [verhuurder] . De kantonrechter verstaat dat alle betalingen die op of na 1 juni 2026 door [huurder] aan [verhuurder] zijn gedaan, met inachtneming van artikel 6:44 BW, in mindering worden gebracht op het door [huurder] verschuldigde. Proceskosten 4.13.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 153,02 - griffierecht € 753,00 - salaris gemachtigde € 865,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.915,02 4.14. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gedeelte van de bedrijfsloods aan [adres] te [plaats 2] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurder] zijn, te verlaten, bezemschoon op te leveren en alle sleutels af te geven aan [verhuurder] , 5.2. veroordeelt [huurder] om aan [verhuurder] te betalen de contractuele boete van € 250,00 per dag vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag waarop het gehuurde volledig is ontruimd, met een contractueel maximum van € 5.000,00; 5.3. veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.915,02, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend, 5.4. veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.