Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBLIM:2026:6756

Arbeid, vernietiging opzegging; Toewijzing loondoorbetaling.

Rechtbank Limburg 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBLIM:2026:6756 text/xml public 2026-08-05T15:29:07 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-07-20 12213086 AZ VERZ 26-85 Uitspraak Beschikking NL Roermond Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6756 text/html public 2026-08-05T15:28:58 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:6756 Rechtbank Limburg , 20-07-2026 / 12213086 AZ VERZ 26-85
Arbeid, vernietiging opzegging; Toewijzing loondoorbetaling.

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer / rekestnummer: 12213086 AZ VERZ 26-85

Beschikking van 20 juli 2026

in de zaak van

[werknemer] ,

te [plaats 1] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: mr. M.B. Geertsma,

tegen
<nr>1</nr> [V.O.F.] ,
te [plaats 1] ,2. [vennoot 1], vennoot van verweerder sub 1,

te [plaats 1] ,3. [vennoot 2] B.V. vennoot van verweerder sub 1,

te [plaats 1] ,

verwerende partijen,

hierna samen te noemen: [werkgever] ,

gemachtigde: mr. C.L.J.A. Spiertz.

De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever.

De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat de opzegging niet (rechts)geldig is.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 1 mei 2026 binnengekomen verzoekschrift met producties 1 tot en met 15

- het verweerschrift met producties 1 tot en met 6 (waaronder een later ingekomen leesbaar exemplaar van productie 2)

- de mondelinge behandeling van 22 juni 2026

- de nader ingekomen producties 16 tot en met 20 van [werknemer]

- de spreekaantekeningen van mr. Geertsma
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
[werknemer] , geboren [datum] 1995, is sinds 1 november 2021 in dienst bij [werkgever] . De ouders van [werknemer] hebben meerdere horeca- ondernemingen waar [werknemer] werkzaamheden verricht.
2.2.
In de brief van 28 januari 2025 is vermeld:

“Vanaf 31-12 -2024 heb je de arbeidsovereenkomst met ons opgezegd. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 31-12 -2024. Wij zullen de eindafrekening opstellen en aan je toesturen, uiterlijk binnen 30 kalenderdagen na einde dienstverband.”

In de brief is opgenomen dat deze van [werkgever] is en gericht is aan [werknemer] .
2.3.
Vanaf 1 januari 2025 is [werknemer] werkzaamheden blijven uitvoeren voor [werkgever] . Hij ontvangt vanaf die datum maandelijks een vaste betaling van € 3.500,00 en hij krijgt de beschikking over een auto (Audi Q3) met tankpas.
2.4.
Op 3 maart 2026 heeft [werkgever] aan [werknemer] laten weten dat de beoogde overname van de ondernemingen door [werknemer] geen doorgang zou vinden.
2.5.
Op 27 maart 2026 heeft [werkgever] aan [werknemer] via de e-mail laten weten:

“Op 28 februari 2026 heb jij jouw laatste werkzaamheden in het kader van de door jou met [V.O.F.] gestoten overeenkomst van opdracht verricht.

Vervolgens is door ondergetekende als rechtsgeldig vertegenwoordiger van voornoemde vof de onderhavige overeenkomst van opdracht op 3 maart 2026 opgezegd.

Rekening houdend met een redelijke termijn zal [V.O.F.] jou een vergoeding ad € 3.500 betalen wegens gederfde inkomsten in maart 2026. Het bedrag is conform de aan de in voorgaande maanden verrichte werkzaamheden gekoppelde, overeengekomen vergoeding.(..)”
<nr>3</nr>Het verzoek en het verweer 3.1.
[werknemer] verzoekt de kantonrechter (samengevat):

Primair:

de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen;

[werkgever] te veroordelen tot betaling van loon vanaf 1 april 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging;

[werkgever] te veroordelen tot verstrekking van deugdelijke salarisspecificaties;

Subsidiair:

- [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging;

primair en subsidiair:

[werkgever] te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over voornoemde bedragen;

[werkgever] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met rente.

Bij wijze van voorlopige voorziening verzoekt [werknemer] [werkgever] te veroordelen tot betaling van het loon.
3.2.
Volgens [werknemer] is de opzegging niet rechtsgeldig. [werknemer] voert het volgende aan. Tussen partijen is sprake van een arbeidsovereenkomst. De door [werkgever] gedane opzegging is daarom niet rechtsgeldig. De arbeidsrelatie is vanaf januari 2025 niet veranderd. Het enige dat veranderd is, was de beloning voor de werkzaamheden.
3.3.
[werkgever] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [werkgever] voert ‑ samengevat ‑ aan de arbeidsovereenkomst op initiatief van [werknemer] is beëindigd per 1 januari 2025. [werknemer] is na deze datum als zelfstandig ZZP-er aan de slag gegaan binnen de [vennoot 2] van zijn ouders met als doel om deze over te nemen. De periode na 1 januari 2025 was bedoeld als een verkenningsfase om te beoordelen of [werknemer] geschikt was om het bedrijf over te nemen. De bestaande arbeidsovereenkomst is in dat kader in goed overleg tussen partijen beëindigd en mondeling door [werknemer] opgezegd.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst moet worden vernietigd en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van loon. De vraag die hiervoor beantwoord dient te worden is, hoe de overeenkomst tussen partijen na 1 januari 2025 gekwalificeerd dient te worden? Is er (nog steeds) sprake van een arbeidsovereenkomst, zoals [werknemer] betoogt, of een overeenkomst van opdracht zoals [werkgever] aanvoert.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
4.3.
Een arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Een overeenkomst van opdracht is een overeenkomst waarbij iemand zich verbindt werkzaamheden te verrichten voor een ander, maar niet op grond van een arbeidsovereenkomst. Het gaat daarbij om werkzaamheden die bestaan uit iets anders dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werk of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken. Als er sprake is van een overeenkomst van opdracht, kan er dus geen sprake zijn van een arbeidsovereenkomst (en andersom).
4.4.
Bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht, moeten twee fasen worden doorlopen. In de eerste fase moet worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen met elkaar hebben afgesproken. Dat moet worden gedaan volgens de Haviltexmaatstaf. Dat betekent dat niet alleen moet worden gekeken naar wat partijen letterlijk in hun overeenkomst hebben opgeschreven, maar ook naar wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In deze fase is er ruimte voor de bedoeling van de partijen en ook hun maatschappelijke positie kan een rol spelen.
4.5.
Daarna wordt in de tweede fase beoordeeld of die afspraken (rechten en verplichtingen) de kenmerken hebben van een arbeidsovereenkomst. Het maakt hierbij niet uit of partijen zelf de bedoeling hadden om onder de regels van een arbeidsovereenkomst te vallen. Als de afgesproken rechten en verplichtingen voldoen aan wat de wet zegt over een arbeidsovereenkomst, dan moet de overeenkomst ook als zodanig worden gezien. Of een overeenkomst echt als een arbeidsovereenkomst moet worden gezien, hangt af van alle omstandigheden samen. Daarbij kunnen onder meer de volgende negen gezichtspunten van belang zijn:

de aard en duur van de werkzaamheden;

de manier waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;

de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;

het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;

de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand gekomen is;

de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitbetaald;

de hoogte van deze beloningen;

de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt;

de vraag of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.
4.6.
Daarna moeten alle relevante feiten en omstandigheden samen worden bekeken en tegen elkaar worden afgewogen (holistische weging). Daarbij moeten ook aanwijzingen worden meegenomen die juist vóór of tegen een arbeidsovereenkomst pleiten

((contra-)indicatoren), die volgen uit de twee fasen. Als uit die brede afweging blijkt dat aan de vier vereisten is voldaan (arbeid, loon, gezagsverhouding, gedurende zekere tijd), dan wordt de overeenkomst gezien als een arbeidsovereenkomst.
4.7.
Hoewel de kantonrechter hiervoor uitgebreid uiteen heeft gezet welke toetsingsmaatstaf geldt voor de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst, is het in de gegeven omstandigheden niet nodig om in deze zaak hierop uitvoerig en concreet in te gaan.

Waarom? In deze zaak staat tussen partijen niet ter discussie dat over de periode vanaf

1 november 2021 tot 1 januari 2025 sprake is van een arbeidsovereenkomst. Partijen verschillen enkel van mening over de vraag welke kwalificatie hun overeenkomst heeft vanaf 1 januari 2025. De kantonrechter is van oordeel dat de rechten en plichten uit de arbeidsovereenkomst vóór en na 1 januari 2025 nagenoeg hetzelfde waren. De kantonrechter verliest hierbij niet uit het oog dat er verschillen zijn. Deze verschillen zien echter op het traject dat partijen op of omstreeks 1 januari 2025 met elkaar zijn aangegaan om een mogelijke overname van de [vennoot 2] door [werknemer] te onderzoeken en zijn niet van zodanige aard dat de kwalificatie van hun overeenkomst gewijzigd is. De kantonrechter legt dit hierna uit.
4.8.
[werkgever] heeft aangevoerd dat [werknemer] - gelet op het traject van mogelijke overname - meer verantwoordelijkheden heeft gekregen, een ander inkomen en een auto van de zaak. De vader van [werknemer] heeft ter zitting hierover verklaard dat hij – in het kader van de mogelijke overname van de [vennoot 2] - bewust vaker naar Spanje ging en [werknemer] meer vrijliet (zonder daarbij overigens het contact met [werknemer] te verliezen).

Dit maakt naar het oordeel van de kantonrechter echter niet dat er geen sprake meer is van een gezagsverhouding. Dat [werknemer] op enig moment meer verantwoordelijkheden kreeg en zijn werkzaamheden werden uitgebreid (bijvoorbeeld contracten tekenen) acht de kantonrechter een logische stap in het traject dat partijen zijn aangegaan. Dit geldt ook voor de door [werknemer] ontvangen hogere beloning en auto van de zaak.
4.9.
De e-mail van 4 maart 2026 van [werknemer] aan [werkgever] , waarnaar [werkgever] verwijst, kan niet leiden tot de door [werkgever] gewenste conclusie.

Uit deze e-mail blijkt volgens [werkgever] dat [werknemer] zich opstelt als zelfstandig ondernemer die in opdracht bepaalde managementtaken op zich had genomen, waarbij hij ook verplichtingen aanging namens [werkgever] . Daarnaast blijkt dat uit deze e-mail dat hij geen salaris meer ontving. [werkgever] heeft in haar verweerschrift onderstaande passage geciteerd uit de brief.

Zoals al overwogen leiden de door [werknemer] uitgevoerde werkzaamheden in het kader van voormeld traject niet tot de conclusie dat er geen sprake is meer is van een gezagsverhouding en dus geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Ook de omstandigheid dat [werknemer] zelf niet spreekt over loon maar over maandelijkse voorschotten op zijn winstaandeel, kan [werkgever] niet baten. Ook als [werknemer] zelf in de veronderstelling was dat hij geen werknemer meer was vanaf 1 januari 2025, betekent dit niet dat hij in juridische zin geen werknemer is. Dit volgt uit hiervoor vermelde uitspraken en toetsingskader. Dit geldt dus ook voor de verwijzing van [werkgever] naar de ChatGPT historie van [werknemer] .
4.10.
De conclusie is dat het tussen partijen afgesproken traject op of omstreeks januari 2025 dat meer verantwoordelijkheden voor [werknemer] , een hogere beloning en een auto van de zaak geen verandering heeft gebracht in hun rechtsverhouding.

De arbeidsovereenkomst is blijven voortduren. De door [werkgever] gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst in maart 2026 is dan ook niet rechtsgeldig.
4.11.
De vraag of de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2025 is opgezegd en door wie kan - gelet op het voorgaande - in het midden blijven. Ook als [werknemer] de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2025 zou hebben opgezegd, staat vast dat hij zijn werkzaamheden na die datum is blijven uitvoeren. Dit maakt dat van een einde van de arbeidsovereenkomst geen sprake kan zijn.
4.12.
Het verzoek van [werknemer] tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat de opzegging niet rechtsgeldig is.
4.13.
[werknemer] heeft recht op loon, omdat de opzegging wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van [werknemer] tot loonbetaling zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat [werkgever] te laat heeft betaald.

De vordering tot het verstrekken van loonstroken is gelet op het voorgaande eveneens toewijsbaar.
4.14.
Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [werknemer] .
4.15.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen vanwege hun familierelatie.
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter
5.1.
vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst,
5.2.
veroordeelt [werkgever] hoofdelijk tot betaling aan [werknemer] van het loon vanaf 1 april 2026 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt [werkgever] hoofdelijk tot het verstrekken van deugdelijke salarisspecificaties over de periode vanaf 1 januari 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd,
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026.

Artikel 7:610 BW.

Artikel 7:400 BW.

HR 6 november 2020: ECLI:NL:HR:2020:1746 (X/Gemeente Amsterdam) en later bevestigd in HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2020:443 (Deliveroo).

HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2020:443 (Deliveroo).

Artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.

Artikel delen