Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBLIM:2026:6897

Kort geding. Loonvordering toegewezen. Onterecht opgelegde loonstop.

Rechtbank Limburg 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBLIM:2026:6897 text/xml public 2026-08-05T15:33:07 2026-07-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-07-16 K/4701/12278761 CV EXPL 26-3311 Uitspraak Kort geding NL Maastricht Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6897 text/html public 2026-08-05T15:32:40 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:6897 Rechtbank Limburg , 16-07-2026 / K/4701/12278761 CV EXPL 26-3311
Kort geding. Loonvordering toegewezen. Onterecht opgelegde loonstop.

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 12278761 CV EXPL 26-3311

Vonnis in kort geding van 16 juli 2026

in de zaak van

[werknemer] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: mr. M. Rahnama'i,

tegen

[werkgever] B.V. H.O.D.N. [bedrijf],

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [werkgever] ,

gemachtigde: mr. S.J.M. Berger.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding van 24 juni 2026 met producties 1 tot en met 12;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9;

- de pleitnotitie van mr. Berger;- de mondelinge behandeling van 2 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
[werknemer] , geboren op [datum] 1991, is op 6 maart 2019 in dienst getreden bij [werkgever] in de functie van schoonmaakster voor de duur van zes maanden. Na afloop is de arbeidsovereenkomst verlengd voor onbepaalde tijd. [werknemer] was laatstelijk werkzaam in de functie van voorwerkster tegen een brutosalaris van € 2.625,70 per maand. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat het loon per maand, uiterlijk binnen één week na afloop van het loontijdvak, wordt betaald.
2.2.
[werknemer] heeft zich op 25 september 2025 ziekgemeld.
2.3.
Partijen hebben een eerdere procedure gevoerd bij deze rechtbank. Die procedure is op 1 december 2025 beëindigd omdat partijen een regeling hebben getroffen. Die regeling hield onder andere in dat [werkgever] weer loon zou betalen aan [werknemer] en dat [werknemer] door de bedrijfsarts van [werkgever] zou worden opgeroepen in verband met de ziekmelding.
2.4.
[werknemer] is op 8 december 2025 bij de arbodienst van [werkgever] geweest waar zij gezien is door de heer [persoon 1] , praktijkondersteuner. [persoon 1] heeft het volgende teruggekoppeld aan [werkgever] (productie 3 bij dagvaarding):

“Ik ben op de hoogte gesteld van de huidige situatie. Ik heb vernomen dat er reeds een uitspraak van de rechter heeft plaatsgevonden.

Naar aanleiding van de conclusie van de rechter luidt het advies vanuit ArboPro als volgt:

Contactherstellend gesprek plannen: voorkeur met [persoon 2] . Het advies is om dit te doen in de vorm van een koffiegesprek op de werkplek.

Bespreek de knelpunten. Er speelden vóór de uitval enkele werkgerelateerde zaken (waarvan akte).

Vervolgstappen (na gesprek):

o Bij een constructieve oplossing: Werk hervatten in de eigen functie.

o Als alternatief: Er kan ook worden besloten om de re-integratie voort te zetten buiten de functie van voorvrouw in de interieurverzorging. Dit is onderling te bepalen.

Indien wordt besloten dat dit de situatie is, is dit voor ArboPro geen reden om de verzuimstatus te prolongeren.

De aanvliegroute in de huidige situatie lijkt primair vanuit een niet-medische hoek te komen. Dossier sluiten nadat het gesprek heeft plaatsgevonden met het verzoek

aan werkgever dit te melden bij ArboPro.”
2.5.
[werknemer] was het niet eens met de terugkoppeling van [persoon 1] en heeft op 15 december 2025 een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Dat deskundigenoordeel is op 6 februari 2026 verschenen. In het arbeidsdeskundig rapport is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

Visie verzekeringsarts de heer [persoon 4] (citaat)

“Op basis van de gegevens uit anamnese, dagverhaal, onderzoek psyche, heteroanamnese echtgenoot en de beschikbare dossiergegevens is het consistent en plausibel dat cliënt momenteel lijdt aan een ernstige psychische stoornis. Ze voldoet aan de diagnostische criteria, er is een voorgeschiedenis van forse stresserende momenten in de arbeidssituatie en in de privésituatie en er is een acute behandelindicatie. Voorts is er sprake van disfunctioneren op persoonlijk en sociaal vlak hetgeen onder andere duidelijk tot uitdrukking komt in een vestoord dag-/nachtritme door ernstige slaapproblematiek, gebrekkige emotionele coping en sociale vermijden. Het disfunctioneren hangt direct en causaal samen met de ernstige psychische stoornis.

Om die reden is er momenteel sprake van een uitzonderingssituatie met geen benutbare mogelijkheden zoals omschreven in het Schattingsbesluit.

Met betrekking tot de re-integratie-inspanningen van de werknemer het volgende: de bedrijfsarts stuurt aan op zo snel mogelijk hervatten in eigen werk. Hierbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat er sprake is van psychiatrische problematiek. Volgens de bedrijfsarts speelt er alleen een arbeidsconflict.”

Hieromtrent heeft de verzekeringsarts contact opgenomen met de heer [persoon 1] .

Conclusie

De cliënt is per geschildatum niet geschikt te achten voor het uitvoeren van de bedongen arbeid obv ziekte. Er is sprake van geen duurzaam benutbare mogelijkheden (GBM).

Omdat er sprake is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden, is cliënt momenteel voor alle werkzaamheden en mogelijke integratie niet belastbaar.
2.6.
[werknemer] is op 4 maart 2026 bij de arbodienst van [werkgever] geweest waar zij gezien is door mevrouw [bedrijfsarts] , arts. [bedrijfsarts] heeft, voor zover van belang, het volgende teruggekoppeld aan [werkgever] (productie 9 bij dagvaarding):

“Medewerkster is momenteel niet belastbaar voor eigen of vervangende werkzaamheden. Mijn advies is dat werkgever en werkneemster eerst in gesprek gaan, samen met een onafhankelijke derde, over de werkgerelateerde factoren die een rol spelen bij het verzuim om tot een gezamenlijke oplossing te komen.”
2.7.
[werknemer] is op 22 april 2026 wederom bij de arbodienst van [werkgever] geweest waar zij gezien is door [bedrijfsarts] . [bedrijfsarts] heeft, voor zover van belang, het volgende teruggekoppeld aan [werkgever] (productie 9 bij dagvaarding):

“Medewerkster is momenteel niet belastbaar voor eigen of vervangende werkzaamheden. Ik begreep dat de gesprekken tussen werkgever, werkneemster en een onafhankelijke derde nog niet hebben plaats gevonden. Ik adviseer deze alsnog op te starten om zodoende de werkgerelateerde factoren die een rol spelen bij het verzuim te spreken en om tot een gezamenlijke oplossing te komen. Gesprekken kunnen per direct worden opgepakt.”
2.8.
[werkgever] wilde naar aanleiding van de adviezen van de bedrijfsarts gesprekken voeren met [werknemer] onder leiding van de heer [persoon 5] . De gemachtigde van [werknemer] heeft meteen aangegeven dat [werknemer] daartoe niet in staat was. [werkgever] heeft volgehouden de gesprekken op te starten onder dreiging van loonsancties. Dit is voor [werknemer] aanleiding geweest om uiteindelijk deel te nemen aan een eerste individuele (kennismakings)gesprek met [persoon 5] op 30 april 2026.
2.9.
[werknemer] heeft op 4 mei 2026 een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Dat deskundigenoordeel is op 3 juni 2026 verschenen. In de verzekeringsgeneeskundige rapportage is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Bij verzekeringsgeneeskundige toetsing is er sprake van een vermindering van benutbare mogelijkheden ten aanzien van het kunnen verrichten van arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek.

Op het moment is de situatie als volgt.

Op basis van de gegevens uit de anamnese, observatie tijdens spreekuur en de beschikbare dossiergegevens wordt duidelijk dat er sprake is van een arbeidsconflict. De cliënt wilde samen met de werkgever een geregistreerde mediator uitzoeken. De werkgever heeft dat afgewezen. De werkgever wil een mediator inschakelen die een bekende is van de werkgever aldus cliënt. Deze zou niet geregistreerd zijn. Cliënt heeft daarop gezegd dat ze dat niet wil. Verder zou de werkgever ook niet hebben toegestaan dat cliënt iemand meeneemt naar de gesprekken. Ik heb met cliënt besproken bovenstaande te zullen overleggen met de bedrijfsarts en daarna een uitspraak te doen.

Overleg [bedrijfsarts] d.d. 3-6-2026: Ik heb aan de bedrijfsarts voorgelegd dat de werkgever een niet geregistreerde mediator wilde inzetten en cliënte de mogelijkheid wilde ontzeggen iemand mee te nemen naar het gesprek. De bedrijfsarts was hier niet helemaal van op de hoogte en vroeg of ze kon overleggen met haar supervisor en tevens casemanager dhr. [persoon 6] . Die heb ik vervolgens gesproken. Na enig overleg werden we het eens dat een handelwijze waarbij cliënten niet zelf een begeleider mag meenemen naar een gesprek met de werkgever niet juist en niet volgens de regelgeving is. Ik heb toen medegedeeld dat ik obv deze gegevens cliënte ihkv het deskundigenoordeel in het gelijk zal stellen.

Samenvattend: cliënt deed een aanvraag voor een deskundigen oordeel omdat de werkgever de loonbetaling stopo zette omdat cliënte onvoldoende zou meewerken aan oplossing van het arbeidsconflict. De werkgever heeft echter zelf barrières opgeworpen die dit proces hebben gefrustreerd. Het belangrijkste was nog wel dan aan cliënte de mogelijkheid werd ontzegd zelf iemand mee te nemen naar de gesprekken om haar te ondersteunen. E.e.a. werd overlegd met de ARBO-dienst ihkv hoor en wederhoor.

Mijns inziens heeft cliënte voldoende meegewerkt aan de re-integratie.
<nr>6</nr>Conclusie DE werknemer heeft voldoende gedaan om weer aan het werk te gaan, zie verder de beschouwing voor de gedetailleerde argumentatie.” 2.10.
[werknemer] heeft niet verder deelgenomen aan de gesprekken met [persoon 5] . Naar aanleiding daarvan heeft [werkgever] per 19 mei 2026 een loonstop opgelegd.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
[werknemer] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [werkgever] tot betaling van:

het salaris over de periode 19 mei tot en met 31 mei 2026, te vermeerderen met emolumenten (waaronder vakantiegeld, verlofrechten en ATV-dagen) en de (ongematigde) wettelijke verhoging voor zover die verschuldigd is conform artikel 7:625 BW, althans met een (maximum)percentage wettelijke verhoging door de kantonrechter in goede justitie te bepalen;

het salaris van € 2.492,82 per maand, met ingang van 1 juni 2026, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, zulks vermeerderd met emolumenten (waaronder vakantiegeld en verlofrechten), de (ongematigde) wettelijke verhoging voor zover die is verschuldigd conform artikel 7:625 BW, althans met een (maximum)percentage wettelijke verhoging door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, en de wettelijke rente;

de proceskosten inclusief de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[werknemer] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De loonbetaling is per 19 mei 2026 door [werkgever] stopgezet. Deze loonstop is onrechtmatig omdat een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt.
3.3.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.4.
[werkgever] voert aan dat de loonstop terecht is opgelegd omdat [werknemer] structureel onvoldoende heeft meegewerkt aan het voeren van gesprekken die gericht zijn op de re-integratie.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling
Spoedeisend belang en toetsingskader
4.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Het spoedeisend belang volgt in dit geval uit de aard van de vordering en is ook niet betwist.
4.2.
De kantonrechter beoordeelt in dit kort geding of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Die beoordeling geschiedt op basis van hetgeen in deze procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt. Daarbij stelt de kantonrechter voorop dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. Daarbij moet niet alleen onderzocht worden of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van deze belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.

De loonstop is onterecht opgelegd door [werkgever]
4.3.
De kern van het geschil betreft de vraag of de door [werkgever] per 19 mei 2026 opgelegde loonstop terecht is opgelegd. De kantonrechter komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal hierna uitleggen waarom.
4.4.
Ingevolge artikel 7:629 lid 1 BW behoudt een werknemer zijn recht op loon tijdens ziekte. Uitzonderingen op dit beginsel zijn weergegeven in artikel 7:629 lid 3 BW. Hierin zijn een aantal redenen genoemd die het de werkgever toestaan om loonbetaling te stoppen. [werkgever] baseert de door haar ingestelde loonstop op artikel 7:629 lid 3 onder d BW. Hierin is bepaald dat de werknemer geen recht op loon heeft voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid te verrichten.
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat artikel 7:629 lid 3 onder d BW is geschreven voor een andere situatie dan hier aan de orde is. Er is namelijk geen sprake van weigering door [werknemer] om mee te werken aan redelijke voorschriften of maatregelen die haar in staat stellen passende arbeid te verrichten. Door [werkgever] zijn geen probleemanalyses of een Plan van Aanpak overgelegd. Nergens blijkt uit of onderzocht is of hervatting in de eigen functie (op termijn) tot de mogelijkheden behoorde, zodat de stap naar passende arbeid niet is uitgelegd en ook niet te volgen is.
4.6.
Wat daar verder ook van zij, de kantonrechter is voorshands van oordeel dat [werkgever] niet van [werknemer] kon verwachten dat die met haar in gesprek ging. De kantonrechter overweegt daarover het volgende. [werkgever] voert aan dat zij enkel de adviezen van de bedrijfsarts heeft opgevolgd. De kantonrechter is echter van oordeel dat op de adviezen van de bedrijfsarts in dit dossier het een en ander is aan te merken. Op 8 december 2026 is, zonder dat [werknemer] überhaupt door een bedrijfsarts is gezien, door de arbodienst van [werkgever] geoordeeld dat géén sprake was van medische beperkingen maar enkel van een arbeidsconflict. Dit oordeel staat haaks op het daaropvolgende deskundigenoordeel van het UWV. De verzekeringsarts van het UWV heeft namelijk geoordeeld dat er sprake is van psychische problematiek en er geen duurzaam benutbare mogelijkheden waren. Gelet op het oordeel van het UWV kon het advies van de arbodienst dan ook geen standhouden. Vervolgens heeft de bedrijfsarts in de twee daaropvolgende adviezen, in lijn met het deskundigenoordeel van het UWV, geoordeeld dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden waren. Met dat oordeel valt niet te rijmen dat de bedrijfsarts tegelijkertijd wel heeft geadviseerd dat [werkgever] in gesprek diende te gaan met [werknemer] . Er waren op dat moment geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Er is pas sprake van re-integratie zodra die mogelijkheden er wel zijn. Pas vanaf dat moment kunnen van een werknemer ook pas re-integratie inspanningen worden verwacht, waaronder – eventueel – gesprekken met de werkgever om een arbeidsconflict op te lossen dat aan re-integratie in de weg staat.

Zolang die duurzame benutbare mogelijkheden er niet zijn, kan dit niet worden verwacht en kon [werknemer] dus ook niet tot dergelijke gesprekken worden verplicht.

Dat maakt de adviezen van de bedrijfsarts innerlijk tegenstrijdig en dus onbegrijpelijk. Dat had [werkgever] ook moeten opvallen, zeker nu zij er door de gemachtigde van [werknemer] meermalen op werd gewezen dat [werknemer] niet in staat was tot het voeren van gesprekken.
4.7.
[werkgever] heeft nog gewezen op de laatste alinea op pagina 3 van het deskundigenoordeel, waarin staat:

“Indien er naast de uitval door ziekte en/of gebrek in de verstandhouding tussen werkgever en werknemer knelpunten zijn, wordt vanuit de Wet verbetering poortwachter verwacht dat deze al dan niet via tussenkomst van een derde worden opgelost.”

De kantonrechter merkt hierover op dat dit een algemene opmerking betreft, die in meerdere deskundigenoordelen wordt opgenomen. Bovendien staat één regel boven deze passage dat er wel sprake moet zijn van arbeidsmogelijkheden. Dat was in deze casus niet het geval.
4.8.
Gelet op dit alles was de eis van [werkgever] dat [werknemer] ondanks alle bezwaren moest deelnemen aan gesprekken met [persoon 5] niet terecht. Dit betrof geen redelijk voorschrift, nog afgezien van de vraag of dit überhaupt diende om [werknemer] in staat te stellen passende arbeid te verrichten. Hieruit volgt dat de wettelijke basis voor de loonstop ontbrak en deze dus onterecht door [werkgever] is opgelegd, zodat [werkgever] gehouden is het salaris aan [werknemer] te betalen vanaf 19 mei 2026.
4.9.
Al hetgeen [werkgever] nog heeft aangevoerd over het tweede deskundigenoordeel van het UWV, kan buiten bespreking blijven, nu dit oordeel niet is meegenomen bij de (voorlopige) beoordeling van de rechtmatigheid van de loonstop.
4.10.
[werknemer] vordert betaling van het salaris van € 2.492,82 per maand. Uit de overgelegde loonstroken en hetgeen ter mondelinge behandeling is aangevoerd volgt dat het salaris van [werknemer] laatstelijk € 2.625,70 per maand bedroeg. [werknemer] heeft ter mondelinge behandeling de kantonrechter verzocht haar petitum verbeterd te lezen. [werkgever] heeft aangegeven hier geen bezwaren tegen te hebben, zodat de kantonrechter bij toewijzing van betaling van het salaris zal uitgaan van een salaris van € 2.625,70 per maand.

Emolumenten
4.11.
[werknemer] vordert vermeerdering van het salaris met emolumenten, waaronder vakantiegeld, verlofrechten en ATV-dagen. Ten aanzien van het vakantiegeld overweegt de kantonrechter als volgt. Als onbetwist staat vast dat het verschuldigde loon dient te worden vermeerderd met vakantiegeld van 8%. De vordering tot betaling van vakantiegeld over de periode van 19 tot en met 31 mei zal echter worden afgewezen omdat ter mondelinge behandeling onbetwist gesteld is dat het vakantiegeld tot en met mei 2026 reeds is uitbetaald door [werkgever] . De vordering tot betaling van vakantiegeld vanaf 1 juni 2026 zal worden afgewezen omdat het vakantiegeld over juni 2026 en de daaropvolgende maanden nog niet verschuldigd is, nu betaling van het vakantiegeld jaarlijks in mei plaatsvindt.
4.12.
Ten aanzien van gevorderde verlofrechten, ATV-dagen en eventuele andere emolumenten is de kantonrechter van oordeel dat hierover onvoldoende door [werknemer] is gesteld zodat deze zullen worden afgewezen.

Wettelijke verhoging
4.13.
[werknemer] vordert betaling van de (ongematigde) wettelijke verhoging voor zover die is verschuldigd conform artikel 7:625 BW (of een door de kantonrechter vast te stellen percentage) over het salaris van de periode 19 mei tot en met 31 mei 2026 alsmede over het salaris vanaf 1 juni 2026. Het verweer van [werkgever] dat er aanleiding bestaat om de wettelijke verhoging te matigen, zo nodig tot nihil, omdat zij gehandeld heeft op basis van de adviezen van de bedrijfsarts waardoor van ernstig verwijtbaar handelen geen sprake is, slaagt niet. Gelet op hetgeen onder 4.7. is overwogen ten aanzien van de adviezen van de bedrijfsarts ziet de kantonrechter geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen. [werkgever] heeft er zelf voor gekozen om, ondanks de innerlijke tegenstrijdigheden in deze adviezen en de bezwaren van de gemachtigde van [werknemer] , de loonstop door te zetten. De vordering zal daarom worden toegewezen.

Wettelijke rente
4.14.
[werknemer] vordert wettelijke rente over het salaris vanaf 1 juni 2026. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de verzuimdata tot de dag van volledige betaling.

Proceskosten
4.15.
[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



155,60

- griffierecht



265,00

- salaris gemachtigde



865,00

- nakosten



144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



1.429,60
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] het salaris over de periode 19 mei tot en met 31 mei 2026 te betalen, vermeerderd met de (ongematigde) wettelijke verhoging voor zover die verschuldigd is conform artikel 7:625 BW,
5.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] met ingang van 1 juni 2026 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd het salaris van € 2.625,70 per maand te betalen, zulks vermeerderd met de (ongematigde) wettelijke verhoging voor zover die verschuldigd is conform artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf de respectieve verzuimdata tot de dag van betaling,
5.3.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.429,60, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

Zie eerste zin hoofdstuk 4 Werkwijzer Poortwachter.

Zie onder 5.9 Werkwijzer Poortwachter

Artikel delen