Kort geding, verstek. Eiseres heeft haar vorderingen ingetrokken en vordert enkel de werkelijk door haar gemaakte proceskosten.
Rechtbank Limburg 5 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:6960
Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-07-2026
Datum publicatie
05-08-2026
Zaaknummer
C/03/353707 / KG ZA 26-259
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
ECLI:NL:RBLIM:2026:6960text/xmlpublic2026-08-05T10:33:002026-07-14Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Limburg2026-07-14C/03/353707 / KG ZA 26-259UitspraakKort gedingVerstekNLRoermondCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6960text/htmlpublic2026-08-05T10:32:152026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBLIM:2026:6960 Rechtbank Limburg , 14-07-2026 / C/03/353707 / KG ZA 26-259 Kort geding, verstek. Eiseres heeft haar vorderingen ingetrokken en vordert enkel de werkelijk door haar gemaakte proceskosten.
RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: C/03/353707 / KG ZA 26-259 Vonnis in kort geding van 14 juli 2026 in de zaak van
[de eisende partij] , H.O.D.N. [bedrijf],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eisende partij] ,
advocaat: mr. O.D. Nijenhuis, tegen
[de gedaagde partij]
,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde partij] ,
niet verschenen. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de akte vermindering van eis en de aanvullende productie 18 aan de zijde van [de eisende partij]- de mondelinge behandeling van 30 juni 2026- de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagde. 2De feiten2.1.
[de eisende partij] exploiteert een onderneming onder de handelsnaam ‘ [bedrijf] ’. 2.2.
[de gedaagde partij] is de voormalige partner van [de eisende partij] en heeft in het verleden werkzaamheden verricht ten behoeve van de onderneming van [de eisende partij] , waaronder het bouwen en beheren van de website. 2.3.
[de gedaagde partij] heeft op enig moment de feitelijke controle over de domeinnaam, website, hostingomgeving en zakelijke e-mailomgeving van [de eisende partij] naar zich toe getrokken, [de eisende partij] de toegang daartoe ontzegd en vervolgens de website van [de eisende partij] offline gehaald. 2.4.
[de gedaagde partij] heeft in de avond van 28 juni 2026 [de eisende partij] weer de toegang verschaft tot haar mailbox en de website weer online gezet. Op 29 juni 2026 heeft [de gedaagde partij] ook de domeinnaam overgedragen aan [de eisende partij] . 3Het geschil3.1.
[de eisende partij] vorderde (oorspronkelijk) dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [de gedaagde partij] beveelt om de [domeinnaam] aan [de eisende partij] over te dragen en hiervoor alle vereiste medewerking te verlenen onder bepaling dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van de vereiste medewerking;
II. [de gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van een dwangsom aan [de eisende partij] van € 1.000,- voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat [de gedaagde partij] in gebreke blijft aan het bevel onder I, met een maximum van € 100.000,-;
III. [de gedaagde partij] primair veroordeelt in de werkelijke kosten van de procedure, dan wel op grond van onrechtmatige daad, dan wel op grond van artikel 1019h Rv en subsidiair [de gedaagde partij] veroordeelt in de kosten van dit geding, en bepaalt dat, wanneer [de gedaagde partij] deze kosten niet binnen twee weken na betekening van het vonnis, heeft voldaan, deze kosten verhoogd zullen worden met de wettelijke rente. 4De beoordeling4.1. De hiervoor onder I. en II. weergegeven vorderingen van [de eisende partij] zijn bij bericht van 29 juni 2026 door mr. O.D. Nijenhuis ingetrokken. Bij voornoemd bericht heeft mr. Nijenhuis tevens laten weten dat [de eisende partij] haar verzoek tot integrale proceskostenveroordeling handhaaft zoals opgenomen in haar dagvaarding 4.2. De intrekking van vorderingen is volgens vaste rechtspraak in beginsel op te vatten als een vermindering van eis (tot nihil) als bedoeld in artikel 129 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). In deze zaak zijn geen omstandigheden gesteld en/of gebleken waaruit volgt dat hier een uitzondering op dit beginsel geldt.
Indien de gedaagde, na het aanhangig maken van de zaak, erin toestemt te voldoen aan hetgeen wordt gevorderd, maar partijen geen overeenstemming bereiken over de proceskosten, kan de eiser een beslissing omtrent de proceskosten verkrijgen door ter terechtzitting te verschijnen en zijn vorderingen te verminderen door intrekking van de hoofdvordering, zodat alleen de vordering tot veroordeling van de gedaagde in de proceskosten ter beoordeling overblijft. Doet deze situatie zich voor, dan kan de gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. 4.3.
[de eisende partij] vordert vergoeding van de volledige door haar gemaakt proceskosten, op grond van de artikelen 6:96 en 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wegens de noodzaak van deze procedure als rechtstreeks gevolg van het onrechtmatig handelen van [de gedaagde partij] , althans wegens misbruik van recht als bedoeld in artikel 3:13 BW, dan wel op grond van artikel 1019h Rv. [de eisende partij] heeft hiertoe een factuur en specificatie van de kosten van mr. Nijenhuis overgelegd (prod. 17 bij dagvaarding). 4.4. De voorzieningenrechter overweegt dat deze zaak betrekking heeft op het intellectueel eigendomsrecht. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de domeinnaam ‘ [domeinnaam] ’ onlosmakelijk is verbonden met de bedrijfsvoering van de onderneming van [de eisende partij] , vanaf het eerste moment uitsluitend heeft gefunctioneerd als digitale infrastructuur van de onderneming van [de eisende partij] en specifiek gebruikt wordt ter aanduiding van de handelsnaam ‘ [bedrijf] ’. Voor zaken betreffende het intellectuele eigendom bestaat een bijzondere wettelijke regeling voor vergoeding van de (buitengerechtelijke en gerechtelijke) kosten. De betreffende wettelijke regeling is neergelegd in artikel 1019h Rv. Dit artikel is de implementatie van artikel 14 van Richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten (de Handhavingsrichtlijn). Hierin is bepaald dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat in procedures inzake de handhaving van intellectuele eigendomsrechten de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt door de verliezende partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. De vraag wat onder redelijke en evenredige kosten moet worden verstaan, dient te worden beantwoord aan de hand van de daarvoor door de rechtbanken opgestelde ‘Indicatietarieven in IE-zaken’. Deze tarieven doen geen afbreuk aan de regel dat in beginsel redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten worden vergoed; zij geven een indicatie van het maximale bedrag aan proceskosten dat in het algemeen als redelijk en evenredig kan worden aangemerkt. In deze indicatietarieven is een onderverdeling gemaakt in vier categorieën van zeer eenvoudig, niet bewerkelijk tot complex. Voor zeer eenvoudige en niet bewerkelijke zaken geldt het gewone liquidatietarief als ook toegepast in ‘reguliere’ procedures. Voor de overige drie categorieën zijn maximale bedragen begroot. 4.5. De kantonrechter oordeelt dat deze zaak moet worden aangemerkt als een eenvoudige zaak. Daarvoor is redengevend dat de zaak een zeer beperkt en niet betwist feitencomplex heeft. 4.6. Nu sprake is van een eenvoudige IE-zaak, geldt een indicatietarief van maximaal € 7.200. [de eisende partij] heeft, onder overlegging van de factuur en urenspecificatie (prod. 17 bij dagvaarding), gesteld dat de door haar advocaat verrichte werkzaamheden een bedrag van € 2.722,50 belopen. De voorzieningenrechter acht deze kosten voldoende onderbouwd en redelijk, mede nu zij ruimschoots binnen het voor eenvoudige IE-zaken geldende indicatietarief blijven. De voorzieningenrechter zal dit bedrag daarom toewijzen. Voor zover [de eisende partij] heeft aangevoerd dat daarnaast nog rekening dient te worden gehouden met aanvullende werkzaamheden, zoals het voor- en nabespreken van de mondelinge behandeling, het opstellen van een pleitnota dan wel spreekaantekeningen, de reistijd van de advocaat en de duur van de mondelinge behandeling, wordt de vordering afgewezen. [de eisende partij] heeft deze aanvullende kosten niet nader gespecificeerd of begroot. Bovendien is [de gedaagde partij] niet ter zitting verschenen, waardoor de mondelinge behandeling slechts van beperkte duur is geweest, en is geen pleitnota of zijn geen spreekaantekeningen opgesteld. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de advocaatkosten op een hoger bedrag te begroten. De voorzieningenrechter zal derhalve een bedrag van € 2.722,50 aan advocaatkosten toewijzen. 4.7. Gelet op het voorgaande worden de totale kosten aan de zijde van [de eisende partij] begroot op: - kosten van de dagvaarding € 153,02 - griffierecht € 341,00 - salaris advocaat € 2.722,50 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.405,52 4.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt [de gedaagde partij] in de proceskosten van € 3.405,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.2. veroordeelt [de gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026. ECLI:NL:HR:2016:1087, Hoge Raad, 15/03154, r.o. 3.5.3. ECLI:NL:HR:2016:1087, Hoge Raad, 15/03154, r.o. 3.6.