Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBLIM:2026:7404

Kort geding. Spoedeisend belang. Vordering in conventie tot uitsluitend gebruik huurwoning aan de vrouw, veroordeling van de man om de woning te verlaten onder afgifte van de sleutels en uitschrijving BRP op straffe van verbeurte van een dwangsom toegewezen, waarbij de machtiging om de uitvoering van de beslissing zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen ...

Rechtbank Limburg 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBLIM:2026:7404 text/xml public 2026-08-05T15:37:38 2026-07-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-07-14 C/03/352066 / KG ZA 26-166 Uitspraak Kort geding NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:7404 text/html public 2026-08-05T15:34:50 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:7404 Rechtbank Limburg , 14-07-2026 / C/03/352066 / KG ZA 26-166
Kort geding. Spoedeisend belang. Vordering in conventie tot uitsluitend gebruik huurwoning aan de vrouw, veroordeling van de man om de woning te verlaten onder afgifte van de sleutels en uitschrijving BRP op straffe van verbeurte van een dwangsom toegewezen, waarbij de machtiging om de uitvoering van de beslissing zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen is afgewezen. Vorderingen in reconventie afgewezen.
RECHTBANK Limburg
Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/352066 / KG ZA 26-166

Vonnis in kort geding van 14 juli 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

hierna te noemen: de vrouw

advocaat: mr. J.B.M. Rütten,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E.G.W. Hendriks.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met de producties 1 tot 3,

- de aanvullende producties 4 tot en met 8 van de vrouw,

- de conclusie van antwoord met de eis in reconventie, met de producties 1 tot en met 9, - de mondelinge behandeling van 30 juni 2026,

- de spreekaantekeningen van mr. Rütten.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Partijen hebben gedurende tien jaren een affectieve relatie gehad. De vrouw heeft een meerderjarig kind uit een vorige relatie en de man heeft een minderjarig kind uit een vorige relatie.
2.2.
Partijen zijn samen huurder van de woning aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).
2.3.
De vrouw is (met haar meerderjarig kind) in januari 2026 tijdelijk elders verbleven. In mei 2026 is de vrouw twee weken terug in de woning getrokken. Nadat de situatie opnieuw is geëscaleerd en de politie betrokken is geweest, verblijven de vrouw en haar zoon op dit moment tijdelijk elders.
2.4.
De man verblijft op dit moment nog in de woning.
<nr>3</nr>Het geschil
In conventie
3.1.
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het (tijdelijke) gebruik van de woning en de daartoe behorende inboedel aan [adres] te [woonplaats] onder bevel van afgifte van de aan de woning toebehorende sleutels aan de vrouw;

II. de man veroordeelt om de woning binnen één week, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, na betekening van dit vonnis te verlaten met achterlating van de zich daarin bevindende inboedel en de woning zonder toestemming van de vrouw niet meer te betreden, met machtiging van de vrouw om bij niet tijdig verlaten c.q. ontruiming van de woning deze zelf – op kosten van de man – te bewerkstelligen door middel van een deurwaarder desnoods met behulp van de sterke arm der wet;

III. de man veroordeelt om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, voor iedere dag, dan wel dagdeel, dat de man na betekening van het vonnis te laat de woning verlaat c.q. ontruimt zoals onder II gevorderd, met een maximum van

€ 10.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen maximumbedrag;

IV. de man veroordeelt in de kosten van deze procedure alsmede de nakosten.
3.2.
De man voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie
3.4.
De man vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. bepaalt dat de man bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het (tijdelijk) gebruik van de woning en de daartoe behorende inboedel aan [adres] te [woonplaats] onder bevel van afgifte van de aan de woning toebehorende sleutels aan de man;

II. de vrouw veroordeelt om de woning binnen één week, dan wel nader te bepalen termijn, na betekening van dit vonnis te verlaten met achterlating van de zich daarin bevindende inboedel en de woning zonder toestemming van de man niet meer te betreden, met machtiging van de man om bij niet tijdig verlaten c.q. ontruiming van de woning deze zelf— op kosten van de vrouw — te bewerkstelligen door middel van een deurwaarder desnoods met de hulp van de sterke arm der wet:

III. de vrouw veroordeelt om aan de man een dwangsom te betalen van € 500,00, althans een nader te bepalen bedrag, voor iedere dag, dan wel dagdeel, dat de vrouw na betekening van het vonnis te laat de woning verlaat c.q. ontruimt zoals onder II gevorderd, met een maximum van € 10.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen maximumbedrag;

IV. de vrouw veroordeelt om zich binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis zich uit te schrijven van het adres aan [adres] te [woonplaats] , onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de vrouw in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van

€ 10.000,00.

V. de vrouw veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsook in de nakosten.
3.5.
De vrouw voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.

Spoedeisend belang
4.2.
Voldoende aannemelijk is dat partijen niet meer samen in de woning kunnen verblijven en de huidige situatie onhoudbaar is. Dit wordt bevestigd door het incident waar de politie bij betrokken was. Het spoedeisend belang van de vorderingen is hiermee gegeven.

Uitsluitend gebruik van de huurwoning en verlaten gehuurde met afgifte sleutels
4.3.
Voor toewijzing van de vordering in kort geding is vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat de vordering in de nog te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in de bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
4.4.
Een vordering strekkende tot toekenning van het exclusieve huurrecht van de gezamenlijk gehuurde woning, waarbij de andere huurder de woning derhalve moet verlaten, kan ook in geval van contractuele medehuurders tevens samenwoners – zoals partijen – worden gegrond op artikel 7:267 lid 7 BW. Deze bepaling ziet weliswaar op samenwoners waarvan de niet-contractuele huurder op grond van voormeld artikel medehuurder is geworden, maar kan naar analogie worden toegepast wanneer contractuele medehuurders een geschil hebben over wie van hen het gehuurde moet verlaten en wie daarin mag blijven.
4.5.
Volgens de vrouw wegen haar belangen om in de woning te kunnen blijven zwaarder dan de belangen van de man om in de woning te verblijven. De vrouw voert aan dat er tijdens de relatie sprake is geweest van bedreigingen en mishandelingen van de man jegens de vrouw en dat het voor haar en haar zoon van belang is dat zij in een veilige omgeving kunnen wonen. De vrouw voert aan dat haar zoon weliswaar meerderjarig is, maar dat hij een opleiding volgt, financieel afhankelijk van haar is en niet langdurig bij zijn vader terecht kan. De vrouw stelt dat zij financieel in staat is om de maandlasten van de woning te voldoen en een vast contract heeft. Er zijn voor haar geen financiële beletselen om in de woning te blijven wonen. Daarbij heeft zij ook geen mogelijkheid om elders tijdelijk te gaan wonen. Dat de man tijdens de relatie de huur betaalde doet daar niets aan af, omdat partijen de afspraak hadden dat de vrouw de variabele lasten (deels) voldeed.
4.6.
De man voert aan dat zijn belangen om in de woning te blijven zwaarder wegen dan de belangen van de vrouw om in de woning te verblijven. De man vordert derhalve in reconventie dat het uitsluitend gebruik van de woning aan hem toekomt. Door de man wordt niet betwist dat de spanningen tussen partijen vaker hoog zijn opgelopen, maar wel dat dit alleen aan hem te wijten is. Verder betoogt de man dat de omgang met zijn minderjarige zoon sinds kort is uitgebreid en dat hij hem om de twee dagen ziet, waardoor het van belang is dat hij in de woning kan blijven wonen. Dit geldt eveneens voor de zorg die de man over de hond heeft. Daarbij heeft de man geen mogelijkheden om elders tijdelijk te gaan wonen. De man heeft altijd de vaste lasten van de woning betaald. Dat de huur van de man in mei en juni gestorneerd is, betekent niet dat hij de huur niet kan voldoen. Dat de man eerder heeft gesteld dat hij een andere woonruimte aangeboden heeft gekregen, is volgens hem onjuist en uit emotie gezegd. Bovendien stelt de man dat hij sinds 28 april 2026 als uitzendkracht wekelijks betaald krijgt en binnenkort uitzicht heeft op een vast contract.
4.7.
In de onderhavige procedure zal de vraag centraal staan wie van partijen het meeste belang heeft om voorlopig het exclusief gebruiksrecht van de woning toegewezen te krijgen in afwachting van een aanhangig te maken bodemprocedure. De voorzieningenrechter zal aan de hand van alle omstandigheden van het geval een belangenafweging dienen te maken.
4.8.
Daarvoor is allereerst van belang dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de man haar heeft bedreigd en dat sprake is geweest van huiselijk geweld jegens de vrouw. Dit volgt (onder meer) uit de door de vrouw overgelegde foto’s uit december 2024, waarop verschillende verwondingen zichtbaar zijn. Daarbij heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling – onweersproken – gesteld dat de verwonding op de eerste foto is veroorzaakt doordat de man een deur tegen haar heeft aangegooid. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verder erkend dat hij een aansteker naar de vrouw heeft gegooid en dat dit een snee in haar lip heeft veroorzaakt. Voorts volgt uit de berichtgeving dat de vrouw zich onveilig voelt bij de man, de man uit zijn slof is geschoten en de vrouw vreest dat de man zijn woorden waarmaakt. Zo geeft de vrouw (onder meer) het volgende aan: “[Ja maar kijk hoe ver jij gaat mij vernederen jp tot op me bot mij eruit zetten anderes gingen der dingen gebeuren wat zal der dadelijk echt gebeuren vreselijke dingen]” De man geeft in de berichten (onder meer) aan dat:“[ja heb dingen gezegd uit boosheid en emotie maar in werkelijkheid zou ik dat nooit doen, waren woorden, zeker fouten woordenkeuzes maar het waren woorden]”. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt hieruit dat de man zich jegens de vrouw dreigend heeft uitgelaten. Daartegenover blijkt uit de berichtgeving niet van enig verwijtbaar gedrag van de vrouw jegens de man. Dat de man heeft aangevoerd dat hij zelf slachtoffer is van huiselijk geweld en daarom een training bij Impuls heeft gevolgd, is mede gelet op het voorgaande voorshands onvoldoende aannemelijk.
4.9.
Voorts is niet gebleken dat een van partijen over alternatieve woonruimte beschikt, zodat de voorzieningenrechter aan deze omstandigheid geen (doorslaggevende) betekenis toekent. De vrouw heeft betwist dat zij met haar zoon langdurig bij haar moeder kan wonen, dat haar moeder altijd bij haar partner zou verblijven en dat zij de woning voor zichzelf en haar zoon zou hebben. De vrouw is de afgelopen maanden tijdelijk bij de schoonouders van haar zoon, haar zus, haar ex-man en haar moeder verbleven en kan hier nergens langdurig verblijven. Dit beeld wordt ook bevestigd in de berichten van de vrouw aan de man. Zo appte de vrouw op een gegeven moment na 19 maart jl. “[ik wilde dat ik en me zoon gewoon in het huis konden blijven en dat het niet zo uit zag zoals nu telkens moet ik eruit ik moet weg ik moet kijken waar we naar toe kunnen]” en verder ook nog: “[En had ik wel gewoon met me zoon een stabiele en rustig omgeving nu zit ik telkens zo ik ben 39jaar kijk hoe ik moet leven eerst zet die neger me op straat met een kind dan moet ik al rond slenteren dan had ik uiteindelijk me woning dan besloot ik om die op te geven voor samen te wonen nergens zit weer in de zelfde situatie als toen me zoon 4maanden was [de kantonrechter leest: rondslenteren] echt triest gewoon eigenlijk denk je je gaat voor uit kijk waar ik nu weer in zit in hetzelfde als jaren geleden top echt]”De man heeft tijdens de mondelinge behandeling betwist dat hij langdurig bij zijn vader en zijn broer kan wonen, waarbij de voorzieningenrechter opmerkt dat de berichten van de man – waarin hij aangeeft de huurovereenkomst te zullen opzeggen – zich moeilijk verdragen met de stelling dat hij geen alternatieve woonruimte heeft. De voorzieningenrechter acht het bovendien voldoende aannemelijk dat de man de gelegenheid heeft gehad om vervangende woonruimte (met een hele verdieping en kleine tuin) te betrekken, maar die mogelijkheid niet heeft benut. Dat komt in de gegeven omstandigheden voor zijn rekening en leidt er niet toe dat de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt.
4.10.
De voorzieningenrechter acht verder van belang dat de inkomenspositie van de vrouw, die al drie jaar een vast contract heeft, op dit moment stabieler is dan die van de man. De man werkt daarentegen sinds 28 april 2026 op uitzendbasis en kan naar eigen zeggen na minimaal 26 weken in aanmerking komen voor een contract bij de werkgever waar hij nu tewerk is gesteld. Op dit moment is daar nog geen sprake van. Bovendien heeft de vrouw onweersproken gesteld dat zij in staat is om de huur van de woning, inclusief alle overige vaste en variabele lasten, alleen te betalen. De man heeft eveneens gesteld daartoe in staat te zijn. Uit de overgelegde stukken volgt echter dat de huur over de maanden mei en juni 2026 is gestorneerd en drie dagen voor de mondelinge behandeling door hem is betaald. Nu de man tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd heeft verklaard dat hij sinds 28 april 2026 wekelijks betaald krijgt, weegt deze omstandigheid niet in zijn voordeel bij de belangenafweging.
4.11.
Voorts weegt de voorzieningenrechter mee dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij, indien haar vorderingen worden toegewezen, de verzorging van de hond voor haar rekening zal nemen. Deze verklaring vindt steun in de overgelegde berichten, waaruit volgt dat de vrouw, nadat de man had aangegeven de hond weg te zullen doen, heeft aangegeven dat de hond bij haar kan blijven. Dat de vrouw de verzorging van de hond in de afgelopen maanden niet op zich heeft genomen, is volgens haar een gevolg van de huidige situatie. Dit is dus ook geen aanleiding om de belangenafweging in het voordeel van de man uit te laten vallen.
4.12.
Ten aanzien van het door de man gestelde belang dat hij over de woning dient te beschikken om zijn minderjarige kind te kunnen ontvangen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De man heeft niet gesteld dat het kind voor onderdak afhankelijk is van de woning, omdat het kind bij de moeder woont. Voorts is niet betwist dat de omgang met het kind ten tijde van de samenwoning grotendeels plaatsvond bij de moeder van het kind en heeft de man tijdens de mondelinge behandeling verschillende activiteiten genoemd die hij met zijn kind buiten de woning heeft ondernomen. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk geworden dat er aan de omgang een einde komt indien zijn vorderingen worden afgewezen. Nu onvoldoende is gebleken dat de woning noodzakelijk is voor de uitoefening van de omgang met zijn kind – en voldoende aannemelijk is dat uit de voorgaande belangenafweging volgt dat de man bedreigingen jegens de vrouw heeft geuit, door zijn toedoen huiselijk geweld heeft plaatsgevonden en hij de mogelijkheid van alternatieve woonruimte heeft afgeslagen – komt aan dit belang van de man geen doorslaggevende betekenis toe.
4.13.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van deze afweging het meest waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure zal worden beslist dat de vrouw in de woning mag blijven. Dat betekent dat de man voorlopig de woning uit moet. De man moet zijn sleutels van de woning aan de vrouw afgeven en hij mag de woning voorlopig niet meer betreden. De gevorderde dwangsom, waartegen geen verweer is gevoerd, zal worden opgelegd.
4.14.
De machtiging om de uitvoering van de beslissing zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen zal worden afgewezen, nu de deurwaarder zo nodig zelf gerechtigd is die hulp in te schakelen bij een ontruiming (artikel 557 jo. 444 Rv).

Proceskosten
4.15.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter

in conventie
5.1.
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het (tijdelijke) gebruik van de woning en de daartoe behorende inboedel aan [adres] te [woonplaats] onder bevel van afgifte van de aan de woning toebehorende sleutels aan de vrouw;
5.2.
veroordeelt de man om de woning binnen één week na betekening van het vonnis te verlaten met achterlating van de zich daarin bevindende inboedel en de woning zonder toestemming van de vrouw niet meer te betreden;
5.3.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,00, voor iedere dag, dan wel dagdeel, dat de man na betekening van het vonnis te laat de woning verlaat c.q. ontruimt zoals onder 5.2 is bepaald, met een maximum van € 10.000,00,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af,

in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van de man af,

in conventie en in reconventie
5.7.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Drenth, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.

ECLI:NL:HR:2021:1964 r.o. 3.5.2.

Productie 7 van de vrouw.

Productie 5 van de vrouw.

Productie 1 van de man.

Productie 5 van de vrouw, pagina 8.

Productie 5 van de vrouw, pagina 7.

Productie 3 van de vrouw, pagina 1 en 2.

Productie 5 van de vrouw, pagina 4.

Artikel delen