Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBLIM:2026:8064

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor culpoze brandstichting, mishandeling (twee maal) en eendaadse samenloop van medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving tot 348 dagen jeugddetentie (met aftrek) en oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel). Gedeeltelijke gegrond verklaring, afwijzing en niet-ontvankel...

Rechtbank Limburg 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBLIM:2026:8064 text/xml public 2026-08-05T16:51:37 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-08-04 03/029177-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Maastricht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:8064 text/html public 2026-08-05T16:50:34 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:8064 Rechtbank Limburg , 04-08-2026 / 03/029177-25
Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor culpoze brandstichting, mishandeling (twee maal) en eendaadse samenloop van medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving tot 348 dagen jeugddetentie (met aftrek) en oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel).

Gedeeltelijke gegrond verklaring, afwijzing en niet-ontvankelijke verklaring van twee benadeelde partijen, gedeeltelijke toewijzing en afwijzing van derde benadeelde partij.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht, jeugdstrafrecht

Parketnummers: 03/029177-25, 03/160536-24 (ttz.gev.), 03/073621-25 (ttz.gev.) en 03/297233-25 (ttz.gev.)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,

thans gedetineerd in [detentieplaats] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Maastricht.
<nr>1</nr>Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 21 juli 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Tevens zijn gehoord de moeder van de verdachte, een vertegenwoordiger van de jeugdreclassering, zijnde [naam 1] , twee vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming, zijnde [naam 2] en [naam 3] , en (digitaal aanwezig) de forensisch GZ-psycholoog [naam 5] en kinder- en jeugdpsychiater [naam 6] . De voogd van de verdachte, [voogd] , was eveneens ter terechtzitting aanwezig.

De slachtoffers [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij [benadeelde 2] is ter terechtzitting gehoord [naam 4] . De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 3] zijn niet ter terechtzitting verschenen. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.

Aan mr. N. Godding – kantoorgenoot van de raadsvrouw van de verdachte – is, in het kader van haar opleiding, bijzondere toegang verleend om de terechtzitting bij te wonen.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

parketnummer 03/029177-25:opzettelijk brand heeft gesticht, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was (primair); dan wel dat hij grovelijk onvoorzichtig heeft gehandeld en dat door dit handelen brand is ontstaan, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was (subsidiair);

parketnummer 03/160536-24:

[benadeelde 2] heeft mishandeld;

parketnummer 03/073621-25:

[benadeelde 1] heeft mishandeld;

parketnummer 03/297233-25:

feit 1 samen met een ander heeft geprobeerd [naam 7] van het leven te beroven (primair), samen met een ander heeft geprobeerd [naam 7] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair) dan wel samen met een ander [naam 7] heeft mishandeld (meer subsidiair);

feit 2: samen met een ander [naam 7] opzettelijk wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden.
<nr>3</nr>De beoordeling van het bewijs 3.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle (primair) aan de verdachte tenlastegelegde feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Enkel ten aanzien van de onder parketnummer 03/029177-25 primair tenlastegelegde opzettelijke brandstichting heeft de verdediging vrijspraak bepleit, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet had op het stichten van die brand.
3.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder parketnummer 03/029177-25 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. Het onder dit parketnummer subsidiair tenlastegelegde alsmede alle overige (primair) tenlastegelegde feiten acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van de vrijspraak en de bewezenverklaringen overweegt de rechtbank als volgt.

De vrijspraak van parketnummer 03/029177-25 primair: Uit het dossier blijkt dat op enig moment het brandalarm afging op de afdeling waar de verdachte verbleef. De jeugdzorgwerker die de deur van de kamer van de verdachte opende, zag de vlammen op het matras en naast het hoofd van de verdachte. De verdachte lag bewegingsloos op het matras. De rechtbank is van oordeel dat, op grond van de wettige bewijsmiddelen, niet kan worden geconcludeerd dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er, door zijn handelen, brand zou ontstaan in zijn kamer. Daarmee kan de primair tenlastegelegde ‘opzet’-variant niet worden bewezen en dient de verdachte hiervan te worden vrijgesproken. Wel heeft de verdachte grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam gehandeld, zoals subsidiair is tenlastegelegd.

De bewezenverklaringen: Nu de verdachte de overige (primair) aan hem tenlastegelegde feiten heeft bekend en er door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het onder parketnummer 03/029177-25 subsidiair tenlastegelegde feit bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] ;

- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict;

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 2026.

De rechtbank acht het onder parketnummer 03/150536-24 tenlastegelegde bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] ;

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 2026.

De rechtbank acht het onder parketnummer 03/073621-25 tenlastegelegde bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] ;

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 2026.

De rechtbank acht het onder parketnummer 03/297233-25 feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van aangifte van [naam 7] ;

- het proces-verbaal van bevindingen;

- het proces-verbaal van bevindingen;

- het proces-verbaal van bevindingen;

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 2026.
3.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

parketnummer 03/029177-25 subsidiair: op 7 januari 2025 te Cadier en Keer, gemeente Eijsden-Margraten, in [adres] grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam een brandende aansteker in aanraking heeft gebracht met een hoeslaken, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest dat een hoeslaken, een matras, een kussen en een muur zijn verbrand en daardoor gemeen gevaar voor de inboedel van die kamer ontstond;

parketnummer 03/160536-24: op 16 september 2023 te Cadier en Keer, gemeente Eijsden-Margraten, [benadeelde 2] heeft mishandeld door [benadeelde 2] tegen het hoofd te slaan;

parketnummer 03/073621-25: op 25 februari 2025 te Cadier en Keer, gemeente Eijsden-Margraten, [benadeelde 1] heeft mishandeld door [benadeelde 1] tegen het hoofd te slaan;

parketnummer 03/297233-25 feit 1 primair: op 5 november 2025 te Venlo tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [naam 7] , van het leven te beroven, [naam 7] :

- meermaals met kracht met de vlakke hand en met gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen en

- meermaals met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd heeft getrapt,

waardoor [naam 7] meermaals het bewustzijn heeft verloren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2: op 5 november 2025 te Venlo tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [naam 7] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door [naam 7] :

- in een kelder meermaals met kracht te slaan en schoppen tegen zijn hoofd, waardoor hij meermaals zijn bewustzijn verloor,

- opdracht te geven zich uit te kleden en 3 keer te hurken,

- te zeggen: "pak de WD-40, we steken hem in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard en of strekken

- zijn haren en oren te bespuiten metWD-40 en remreiniger,

- bij de haren te grijpen en met een waterpomptang een tand van [naam 7] vast te pakken en daaraan te wrikken,

- een joint tegen het voorhoofd van [naam 7] uit te drukken,

- met een mes meermaals zwaaiende bewegingen te maken langs de benen en buik van [naam 7] ,

- met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van de buik en zij van die [naam 7] ,

- deze handelingen te filmen met de telefoon van [naam 7] ,

- tegen [naam 7] te zeggen dat hij zijn bek moest houden, moest gaan liggen en moest gaan slapen,

- nadat [naam 7] vroeg of hij weg mocht gaan, tegen [naam 7] te zeggen dat hij dat niet mocht omdat ze nog iets moesten bespreken en

- tegen [naam 7] te zeggen dat hij weg mocht gaan om de drugs en het geld te halen maar rond 00:30 terug moest zijn.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
<nr>4</nr>De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

parketnummer 03/029177-25: subsidiair: aan zijn schuld brand te wijten zijn, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

parketnummers 03/160536-24 en 03/073621-25 telkens:

mishandeling;

parketnummer 03-297233-25:

feit 1 primair en feit 2: eendaadse samenloop van medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de verdachte
Psycholoog [naam 5] en psychiater [naam 6] hebben over de geestvermogens van de verdachte op 28 mei 2026 respectievelijk 31 mei 2026 een rapport uitgebracht.

De psycholoog heeft in haar rapportage geconcludeerd dat er sprake is van zeer complexe combinatieproblematiek. Er is een aandachtstekortstoornis van het overwegend onoplettende type vastgesteld, naast een reactieve hechtingsstoornis, een lichte oppositionele-opstandige gedragsstoornis, een matige stoornis in cannabisgebruik, een matige stoornis in het gebruik van xtc in remissie, een stoornis in het gebruik van ketamine in langdurige remissie en een zwakbegaafde verwerkingssnelheid. Tevens kan een zich ontwikkelende borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken worden vastgesteld met voorliggend de combinatieproblematiek van de ADHD, een hechtingsstoornis en de gedragsstoornissen, aldus de psycholoog. De verdachte is ten tijde van het plegen van de feiten emotioneel instabiel geweest. De combinatie van alcohol en lachgas is gevaarlijk en kan leiden tot extra gevaarlijke situaties en roekeloos handelen. Gelet op dit alles adviseert de psycholoog de gepleegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De psychiater komt in haar rapportage grotendeels tot dezelfde conclusie wat betreft de stoornissen van de verdachte. Zij adviseert eveneens om de gepleegde feiten verminderd aan de verdachte toe te rekenen, aangezien deze niet over voldoende adequate copingvaardigheden aangaande (criminele) beïnvloeding van buiten beschikt.

De rechtbank neemt deze adviezen over en is – gelet op voornoemde rapporten – van oordeel dat de feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat bij de verdachte (ook overigens) geen sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
<nr>6</nr>De straf en de maatregel 6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd jeugddetentie voor de duur van 356 dagen – met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht – en een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een instelling voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel).
6.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke, maar een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat zij in dat kader over te weinig informatie beschikt om passende voorwaarden te kunnen stellen, heeft de verdediging verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen om hiernaar onderzoek te laten doen. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om, gelet op de maximale duur van 360 dagen jeugddetentie, de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten. Als eerste heeft de verdachte [benadeelde 2] met gebalde vuist op het gezicht geslagen. [benadeelde 2] zou zijn moeder hebben beledigd, waarna de verdachte een latere getuige heeft gevraagd om samen met [benadeelde 2] naar zijn kamer te komen. Daar heeft hij [benadeelde 2] geslagen. Uiteindelijk heeft deze getuige hem moeten tegenhouden om ervoor te zorgen dat hij [benadeelde 2] niet nog vaker zou slaan.

Ten tweede heeft de verdachte [benadeelde 1] mishandeld door hem in het gezicht te slaan. De verdachte werd boos omdat de dweil niet goed werkte. Toen hij hiermee tegen de muur sloeg, sprak de begeleider ( [benadeelde 1] ) hem hierop aan. Als reactie daarop gaf de verdachte hem een duw. Toen [benadeelde 1] de verdachte vervolgens van zich afduwde, werd het, zoals de verdachte zelf zegt, zwart voor zijn ogen en heeft hij [benadeelde 1] geslagen.

Het derde feit vond plaats in een zogenoemde veilige kamer van [benadeelde 3] . De verdachte ‘speelde’ met een aansteker en hield deze bij een draadje van een label. Er ontstond brand aan het kussen en er zijn brandplekken op de matras en de muur. De verdachte moest door beveiligers de kamer uit gehaald worden, omdat hij ogenschijnlijk lag te slapen.

Het vierde en vijfde feit vonden plaats in een kelder bij een vriend van de verdachte thuis. Wat begon als een gezellige avond met de verdachte, diens vriend (en medeverdachte) [medeverdachte] en het slachtoffer [naam 7] , eindigde in een waar nachtmerriescenario voor [naam 7] . De sfeer sloeg om toen het over geld ging dat [naam 7] nog aan de verdachten moest betalen. De verdachten begonnen [naam 7] te slaan en te schoppen, ook tegen zijn hoofd. Dit deden zij om beurten, terwijl de ander filmde. Het bleef niet alleen bij slaan en schoppen: [naam 7] moest zijn kleding (behalve zijn ondergoed) uittrekken en de schoenen van de verdachten kussen. Hij smeekte de verdachten meermaals om te stoppen, maar daar werd geen gehoor aan gegeven. [naam 7] moest ‘sorry papa [verdachte] ’ en ‘sorry koning [medeverdachte] ’ zeggen, en het geld de daaropvolgende dag regelen. De verdachten gingen nog verder en knipten een stuk van het haar van [naam 7] af en sneden met een mes diens kleding kapot. Het haar van [naam 7] werd ingespoten met ‘Blue Wonder’ en WD-40, waarna werd gedreigd om dit in brand te steken. Een nieuw dieptepunt werd bereikt toen de verdachte met een waterpomptang een tand uit de mond van [naam 7] probeerde te trekken, waarmee hij naar eigen zeggen pas stopte ‘toen de tand kraakte’. Het hele voorval heeft in het totaal een aantal uur geduurd. [naam 7] heeft hierbij meermaals het bewustzijn verloren. Hij wist uiteindelijk te ontkomen door te zeggen dat hij verdovende middelen en het geld op zou halen bij een vriend.

Het behoeft geen nadere toelichting dat deze gewelddadige feiten zeer ernstig zijn. Dat geldt met name voor de feiten die [naam 7] heeft moeten ondergaan. Deze feiten getuigen van een grote mate van sadisme en vernederend handelen. De rechtbank rekent de verdachte dit dan ook in hoge mate aan.

De verdachte heeft ter terechtzitting nauwelijks berouw getoond voor zijn handelen. Hoewel hij bekent dat hij de feitelijke handelingen heeft gepleegd, toont de verdachte weinig inzicht in het laakbare van zijn eigen handelen. De verdachte geeft aan dat hij steeds als schuldige en ‘gebeten hond’ weggezet wordt, terwijl ook – naar het onterechte idee van de verdachte – de slachtoffers schuldig zijn. Zo hadden zij zijn moeder niet moeten beledigen, mag van een pedagogisch medewerker verwacht worden dat hij hem niet duwt, had de camera in de veilige kamer maar moeten werken, hadden de jeugdzorgmedewerkers hem maar beter moeten fouilleren op de aanwezigheid van aanstekers of had [naam 7] zijn schuld maar moeten betalen. Dit gebrek aan inzicht en doorleefd berouw is zeer verontrustend.

Gelet op de ernst en hoeveelheid van de feiten zoals hiervoor omschreven, is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere of lichtere straf kan worden volstaan dan vrijheidsbeneming van de verdachte, en wel van aanzienlijke duur (voor jeugdigen). De rechtbank houdt er rekening mee dat de maximale duur van de jeugddetentie – gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten – 360 dagen betreft. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat de feiten verminderd aan de verdachte worden toegerekend. Concluderend zal zij een jeugddetentie voor de duur van 348 dagen opleggen (gelijk aan de duur van het voorarrest).

Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een PIJ-maatregel opleggen, omdat zij van oordeel is dat dit in het belang is van (de bescherming van) de maatschappij en van de verdachte. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging daarvan is voldaan. Er was bij de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde sprake van een ziekelijke stoornis, te weten (onder meer) een aandachtstekortstoornis, een reactieve hechtingsstoornis, een lichte oppositionele-opstandige gedragsstoornis en een zich ontwikkelende borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Voorts zijn de bewezenverklaarde feiten – voor zover het betreft de poging tot doodslag en de wederrechtelijke vrijheidsberoving – misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en die gericht zijn tegen, dan wel gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Ten derde dient de PIJ-maatregel noodzakelijk te zijn voor de veiligheid van andere personen of goederen. Uit voormelde rapportages blijkt dat, als de verdachte niet behandeld wordt, het recidiverisico door de psycholoog als matig tot hoog en door de psychiater als hoog wordt ingeschat. Uit de rapporten van de deskundigen volgt tot slot dat de PIJ-maatregel de verdachte de meeste kansen biedt om zich positief te ontwikkelen.

De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de op te leggen PIJ-maatregel voorwaardelijk of onvoorwaardelijk dient te worden opgelegd. De rechtbank overweegt dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel een uiterst middel is, een ultimum remedium, dat de rechter enkel hanteert als een minder vergaande straf of maatregel onvoldoende beveiliging en behandeling biedt.

De psycholoog heeft geadviseerd om de PIJ-maatregel voorwaardelijk op te leggen. Hiertoe heeft zij overwogen dat de PIJ-maatregel de meest zware maatregel is die kan worden opgelegd en als ultimum remedium moet gelden. Ter terechtzitting heeft de psycholoog hierop aangevuld dat de verdachte meer gebaat is bij de behandelvorm die aangeboden kan worden bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel, dan bij het strakke kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

De psychiater heeft geadviseerd om de PIJ-maatregel onvoorwaardelijk op te leggen, nu de noodzakelijke behandeling van de verdachte dient plaats te vinden in een stevig geborgd kader; een ambulant of voorwaardelijk strafrechtelijk kader biedt hiervoor, aldus de psychiater, onvoldoende waarborg. De verdachte is gebaat bij een kader waarbinnen behandeling, begeleiding, scholing en adequate agressie-emotie-regulatietraining van de grond kunnen komen én waarbinnen hij voor langere duur kan blijven om zijn ontwikkeling positief te laten zijn. Tot slot kan bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel het recidiverisico onvoldoende worden ingeperkt, waardoor dit voor de maatschappij een onverantwoord risico is.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft eveneens geadviseerd een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De Raad stelt dat het patroon van de verdachte, waarin hij zich reeds meermalen niet aan voorwaarden heeft gehouden, een voorbode lijkt voor het mislukken van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, wat onwenselijk is. Het wederom doorlopen van aanmeld- en intaketrajecten met het risico dat de verdachte wederom afgewezen wordt of dat er voorwaarden gesteld worden waaraan hij zich niet kan houden, is volgens de Raad te groot. Bovendien duren aanmeld- en intaketrajecten lang en kunnen de wachtlijsten flink oplopen waarbij op voorhand geen plaatsingsdatum kan worden toegezegd. Tot slot heeft een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel het voordeel dat deze altijd eindigt met een voorwaardelijk jaar met kaders, toezicht en nazorg, hetgeen ontbreekt bij de voorwaardelijke vorm.

Tot slot adviseert ook de jeugdreclassering een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel en zij heeft daarbij eveneens aangevoerd dat deze behandeling sneller kan starten dan een voorwaardelijke variant.

De rechtbank overweegt als volgt. De verdachte is in zijn gedrag snel en ernstig geëscaleerd. Waar zijn strafrechtelijk handelen is gestart met eenvoudige mishandeling, is het geëindigd met een poging tot doodslag en een urenlange wederrechtelijke vrijheidsberoving. Uit het dossier blijkt dat de verdachte zich keer op keer niet aan voorwaarden kan houden. De schorsing van zijn voorlopige hechtenis is meermaals om die reden opgeheven. Zo heeft hij de tweede mishandeling tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis gepleegd. Datzelfde geldt voor de poging tot doodslag en wederrechtelijke vrijheidsberoving, feiten die de verdachte nota bene heeft gepleegd toen hij pas enkele uren was geschorst uit de voorlopige hechtenis. Daarnaast heeft de verdachte ook ter terechtzitting aangegeven het moeilijk te vinden om zich aan veel voorwaarden – inherent aan een voorwaardelijke PIJ-maatregel - tegelijkertijd te houden. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat eerst naar de minst verstrekkende mogelijkheid gekeken moet worden, is zij in deze zaak van oordeel dat het recidiverisico van de verdachte te hoog is om te kunnen volstaan met een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Het eventuele kader dat aan een voorwaardelijke PIJ-maatregel kan worden gekoppeld, maakt hierin geen verschil, waardoor het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het doen opmaken van een aanvullende rapportage wordt afgewezen.

Als laatste overweegt de rechtbank het volgende. Indien de PIJ-maatregel voorwaardelijk zou worden opgelegd, dadelijk uitvoerbaar zou worden verklaard en daarmee de voorlopige hechtenis opgeheven zou worden, zou de verdachte geen vangnet hebben als hij zich niet aan de voorwaarden houdt tijdens een eventueel hoger beroep. De voorwaardelijke maatregel mag dan namelijk (nog) niet omgezet worden in een onvoorwaardelijke maatregel en de voorlopige hechtenis kan niet herleven. Dat levert, naar het oordeel van de rechtbank, een zeer onwenselijke situatie op waarbij de verdachte mogelijk op straat komt te staan en afhankelijk wordt van een eventueel civielrechtelijk kader. Daarnaast zou dit de verdachte een nieuwe faalervaring opleveren en betekenen dat hij wederom langdurig niet toekomt aan behandeling.

Alles overwegend zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot jeugddetentie voor de duur van 348 dagen – met aftrek van het aantal dagen dat hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht – en zal aan de verdachte de (onvoorwaardelijke) maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opleggen.

Nu de rechtbank aan de verdachte een PIJ-maatregel heeft opgelegd en het recidiverisico als hoog moet worden beschouwd zolang de verdachte niet is behandeld, zal de rechtbank het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Van een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering is immers géén sprake, nu de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat er – bij een eventueel hoger beroep eveneens – een maatregel aan de verdachte opgelegd zal worden.
<nr>7</nr>De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen 7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen

De vordering van [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 2.275,49 aan materiële schade, ter zake van het onder parketnummer 03/029177-25 tenlastegelegde. Deze vordering is opgebouwd uit € 1.535,49 aan schilderkosten en € 740,00 aan uurloon voor het schoonmaken van de kamer. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, ter zake van het onder parketnummer 03/160536-24 tenlastegelegde. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 3.408,48, ter zake van het onder parketnummer 03/073621-25 tenlastegelegde. Deze vordering is opgebouwd uit € 209,30 aan reiskosten, € 2.199,18 aan buitengerechtelijke kosten en € 1.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedings-maatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [benadeelde 3] , voor zover deze de schilderkosten betreft. Voor wat betreft het gevorderde uurloon heeft zij geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde, nu deze post onvoldoende is onderbouwd.

Wat betreft de vordering van [benadeelde 2] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van enkel een gedeelte van de reiskosten van [benadeelde 1] (te weten de reis van Helmond naar het politiebureau) voor een bedrag van € 82,60. Voor wat betreft de gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie heeft tenslotte geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 500,00.

Waar de officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de schadevorderingen, geldt daarvoor dat de toegewezen bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
7.3
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat [benadeelde 3] ten aanzien van de BTW (€ 266,49) berekend over de schilderkosten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu [benadeelde 3] deze BTW kan terugvorderen. De schoonmaakkosten zijn onvoldoende onderbouwd, waardoor de benadeelde ook in die post niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De verdediging heeft gesteld dat [benadeelde 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, nu het gestelde psychisch en lichamelijk letsel dat ten grondslag ligt aan de gevorderde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd en daarmee niet voldoet aan de vereisten die de Hoge Raad stelt aan een dergelijke vordering.

De verdediging heeft gesteld dat de benadeelde [benadeelde 1] ten aanzien van de opgevoerde reiskosten daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het voorval heeft in Cadier en Keer plaatsgevonden, waarna binnen 30 minuten de aangifte in Maastricht is opgenomen. Hiervoor is de benadeelde dus niet vanuit Helmond gekomen. Reiskosten voor het bijwonen van de terechtzitting zijn niet gemaakt, nu de benadeelde niet ter terechtzitting aanwezig is. Ook is onvoldoende duidelijk waarvoor de benadeelde naar Utrecht is gereisd. De verdediging heeft eveneens gesteld dat de benadeelde ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Gelet op de geringe omvang van het dossier is onvoldoende onderbouwd waarom er in het totaal 7 uur en 16 minuten voor deze zaak zijn gedeclareerd. Het betreft een relatief eenvoudig dossier waarvoor het opgegeven aantal uren voor overleg niet noodzakelijk kan zijn. De verdediging heeft tenslotte gesteld dat de gevorderde immateriële schade niet is onderbouwd, waardoor de benadeelde ook in deze post niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
7.4
Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [benadeelde 3]

De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 03/029177-25 bewezen-verklaarde feit rechtstreekse schade heeft geleden. De vordering is door de verdediging (wat betreft de verfkosten exclusief de BTW) niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering tot een bedrag van € 1.269,00 toewijsbaar. De gevorderde BTW (te weten: € 266,49) zal de rechtbank afwijzen. Nu de vordering wat betreft de gevorderde schoonmaakkosten onvoldoende is onderbouwd, zal de rechtbank de benadeelde in die post niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal het toegewezen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2025 en ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal de rechtbank géén mogelijkheid tot gijzeling opleggen.

De vordering van [benadeelde 2]

De wet regelt in artikel 6:106 BW de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 aanhef en onder b BW komt vergoeding van ander nadeel in aanmerking bij onder meer lichamelijk letsel. De rechtbank ziet voldoende aanknopings-punten voor oogletsel – en daarmee lichamelijk letsel – bij de benadeelde, waarmee de gevorderde immateriële schade in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op de relatief geringe ernst van het voorval en wat in vergelijkbare gevallen wordt toegewezen, zal de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op € 150,00 en de vordering voor het overige afwijzen.

Nu de verdachte ten tijde van het plegen van het feit jonger dan 14 jaar was en hij daardoor niet civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld, zal de vordering worden toegewezen ten aanzien van zijn ouders. Hierdoor kan er géén schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. De rechtbank zal de toegewezen immateriële schade vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 september 2023.

De vordering van [benadeelde 1] Naar het oordeel van de rechtbank levert de vordering ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke kosten gelet op de gemotiveerde betwisting van de hoogte daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding op, hetgeen leidt tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde ten aanzien van deze post. Nu uit de vordering onvoldoende blijkt dat de reiskosten ten aanzien van de reizen naar Utrecht rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde en de verdediging die reiskosten gemotiveerd heeft betwist, zal de rechtbank de benadeelde eveneens niet-ontvankelijk verklaren in dat gedeelte van de vordering.

De benadeelde is niet op de terechtzitting aanwezig geweest. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de benadeelde reeds in (de buurt van) Maastricht was ten tijde van de aangifte. De rechtbank zal de gevorderde reiskosten naar Maastricht (te weten: € 165,60) dan ook afwijzen.

De wet regelt in artikel 6:106 BW de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 aanhef en onder b BW komt vergoeding van ander nadeel in aanmerking bij onder meer lichamelijk letsel. De rechtbank ziet voldoende aanleiding dat er sprake was van gezichtszwelling (en daarmee lichamelijk letsel) bij de benadeelde, waarmee de gevorderde immateriële schade in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op de relatief geringe ernst van het voorval en wat in gelijke gevallen wordt toegewezen, zal de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op € 150,00 en de vordering voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal de toegewezen schade vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2025 en ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal de rechtbank géén mogelijkheid tot gijzeling opleggen.
<nr>8</nr>De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 158, 282, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
<nr>9</nr>De beslissing
De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder parketnummer 03/029177-25 primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 348 dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

Maatregel

- legt aan de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde 3] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 1.269,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

wijst de vordering voor zover deze ziet op de BTW van de schilderkosten (te weten € 266,49) af;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor zover deze ziet op het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 3] , van een bedrag van € 1.269,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt géén gijzeling kan worden toegepast;

bepaalt dat de verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde 2] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de ouders van de verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 150,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de ouders van de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

wijst de vordering voor het overige af;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde 1] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 150,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

wijst de vordering voor zover deze ziet op de gevorderde reiskosten naar Maastricht (te weten € 165,60) en de overige immateriële schade (te weten € 850,00) af;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor zover deze ziet op het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 1] van een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt géén gijzeling kan worden toegepast;

bepaalt dat de verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.L.M. van Venrooij, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. K. Bruns, rechters, van wie mr. S.L.M. van Venrooij en mr. H.M.J. Quaedvlieg kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. D.V. Haring, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 augustus 2026.BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. 03-029177-25 feit 1 primair:

hij op of omstreeks 7 januari 2025 te Cadier en Keer, gemeente Eijsden-Margraten opzettelijk brand heeft gesticht in [adres] , door (middels een aansteker) open vuur in aanraking te brengen met een hoeslaken en/of een matras, althans met een brandbare stof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een kussen, een muur en/of de inboedel van die kamer, in ieder geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

T.a.v. 03-029177-25 feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 7 januari 2025 te Cadier en Keer, gemeente Eijsden-Margraten in [adres] grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam een (brandende) aansteker, in elk geval open vuur, in aanraking heeft gebracht met een hoeslaken en/of een matras, althans met een brandbare stof, (mede) ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat een hoeslaken, een matras, een kussen en/of een muur geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval, dat er brand is ontstaan, en daardoor gemeen gevaar voor de inboedel van die kamer, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, ontstond;

T.a.v. 03-160536-24 feit 1:

hij op of omstreeks 16 september 2023 te Cadier en Keer, in elk geval in de gemeente Eijsden-Margraten [benadeelde 2] heeft mishandeld door die [benadeelde 2] tegen het hoofd te slaan;

T.a.v. 03-073621-25 feit 1:

hij op of omstreeks 25 februari 2025 te Cadier en Keer, gemeente Eijsden-Margraten [benadeelde 1] heeft mishandeld door die [benadeelde 1] meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of gezicht te slaan;

T.a.v. 03-297233-25 feit 1 primair:

hij in of omstreeks de periode van 4 tot en met 5 november 2025 te Venlo tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [naam 7] van het leven te beroven, die [naam 7] :

- meermaals (met kracht) met de vlakke hand en/of met gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen en/of

- meermaals (met kracht) met geschoeide voet tegen het hoofd heeft getrapt, waardoor die [naam 7] meermaals het bewustzijn heeft verloren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. 03-297233-25 feit 1 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 4 tot en met 5 november 2025 te Venlo tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [naam 7] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [naam 7] :- meermaals althans eenmaal (met kracht) met de vlakke hand en/of met gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen en/of- meermaals althans eenmaal met een voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen en/of- meermaals althans eenmaal (met kracht) met geschoeide voet tegen het hoofd heeft getrapt en/of- met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de buik en/of zij van die [naam 7] ,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. 03-297233-25 feit 1 meer subsidiair:hij in of omstreeks de periode van 4 tot en met 5 november 2025 te Venlo tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [naam 7] heeft mishandeld door die [naam 7] :- meermaals althans eenmaal (met kracht) met de vlakke hand en/of met gebalde vuist tegen het hoofd te slaan en/of- meermaals althans eenmaal met een voorwerp tegen het hoofd te slaan en/of- meermaals althans eenmaal (met kracht) met geschoeide voet tegen het hoofd te trappen en/of- door met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van de buik en/of zij van die [naam 7] ;

T.a.v. 03-297233-25 feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 4 tot en met 5 november 2025 te Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [naam 7] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [naam 7] :

- in een kelder meermaals (met kracht) te slaan en/of schoppen tegen zijn hoofd, waardoor hij meermaals zijn bewustzijn verloor en/of

- opdracht te geven zich uit te kleden en/of 3 keer te hurken en/of

- te zeggen: "pak de WD-40, we steken hem in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard en of strekken en/of

- zijn haren en oren te bespuiten met WD-40 en of remreiniger en/of

- bij de haren te grijpen en met een waterpomptang (een) tand(en) van die [naam 7] vast te pakken en daaraan te wrikken en/of

- een joint tegen het voorhoofd van die [naam 7] uit te drukken en/of

- met een mes meermaals zwaaiende bewegingen te maken langs de benen en/of buik van die [naam 7] en/of

- met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van de buik en/of zij van die [naam 7] en/of

- deze handelingen te filmen met de telefoon van die [naam 7] en/of

- tegen die [naam 7] te zeggen dat hij zijn bek moest houden, moest gaan liggen en moest gaan slapen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- nadat die [naam 7] vroeg of hij weg mocht gaan, tegen die [naam 7] te zeggen dat hij dat niet mocht omdat ze nog iets moesten bespreken en/of

- tegen die [naam 7] te zeggen dat hij weg mocht gaan om de drugs en het geld te halen maar rond 00:30 terug moest zijn, dat hij hem anders zou vinden en op de groep zou komen kijken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 8 januari 2025, pagina’s 21 en 22, uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2411-2025003486, gesloten op 29 januari 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 69.

Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict van 8 januari 2025, pagina’s 30 tot en met 39.

Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2] van 16 september 2023, pagina 21, uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023147026, gesloten op 28 mei 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 23.

Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 1] van 25 februari 2025, pagina 28, uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025031653, gesloten op 4 maart 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 38.

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2321-2025188328, gesloten op 9 december 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 397.

Proces-verbaal van aangifte door [naam 7] van 5 november 2025, pagina’s 188 tot en met 190.

Proces-verbaal van bevindingen van 5 november 2025, pagina’s 185 en 186.

Proces-verbaal van bevindingen van 8 november 2025, pagina’s 328 tot en met 334.

Proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2025, pagina’s 335 tot en met 355.

Artikel delen