Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBLIM:2026:9385

Civiel recht. Verbintenissenrecht. Nakoming van overeenkomst van opdracht. Uitleg overeenkomst volgens contra proferentem-regel in nadeel van opdrachtgever. Geen schending van boeteclausules (anti-ronselbedingen). Geen schending van zorgplicht opdrachtnemer, opdrachtgever heeft tekortkoming in de nakoming of onrechtmatige daad onvoldoende onderbouwd.

Rechtbank Limburg 24 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBLIM:2026:9385 text/xml public 2026-09-24T10:01:42 2026-09-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-09-09 C/03/344080 / HA ZA 25-335 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9385 text/html public 2026-09-24T10:00:15 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:9385 Rechtbank Limburg , 09-09-2026 / C/03/344080 / HA ZA 25-335
Civiel recht. Verbintenissenrecht. Nakoming van overeenkomst van opdracht. Uitleg overeenkomst volgens contra proferentem-regel in nadeel van opdrachtgever. Geen schending van boeteclausules (anti-ronselbedingen). Geen schending van zorgplicht opdrachtnemer, opdrachtgever heeft tekortkoming in de nakoming of onrechtmatige daad onvoldoende onderbouwd.
RECHTBANK Limburg
Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/344080 / HA ZA 25-335

Vonnis van 9 september 2026

in de zaak van

[opdrachtnemer] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,

te [plaats 1] , gemeente Sittard-Geleen,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [opdrachtnemer] ,

advocaat: mr. L.M. Dressel,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[opdrachtgever] B.V.,

te [plaats 2] , gemeente Beekdaelen,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

hierna te noemen: [opdrachtgever] ,

advocaat: mr. A.P.C. Houben.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 9,- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 7,

- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de conclusie van antwoord in reconventie, met productie 10,

- de akte van [opdrachtgever] , met productie 8,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 juni 2026,

- de spreekaantekeningen van mr. Houben.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
[opdrachtgever] exploiteert een onderneming gericht op renovatie en onderhoud van vastgoed voor consumenten, bedrijven en instellingen.
2.2.
Partijen zijn op 2 september 2022 een overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd aangegaan (hierna: de overeenkomst). [opdrachtgever] heeft hiermee opdracht aan [opdrachtnemer] gegeven om onder eigen verantwoordelijkheid als zelfstandige projectleider en directievoerder diverse projecten uit te voeren en te begeleiden. Tevens is [opdrachtnemer] verantwoordelijk voor de opleiding en begeleiding van het personeel in loondienst van [opdrachtgever] . Het hoofdproject is het opstarten en inrichten van de procedure en de uitvoering van de renovatie van woningen in de [wijk] in [plaats 3] en [plaats 4] .
2.3.
Op basis van de overeenkomst is de opdracht op 12 september 2022 gestart en heeft in ieder geval tot de start van de bouwvak op 19 juli 2024 geduurd. Daarna hebben partijen de opdracht stilzwijgend verlengd. De samenwerking tussen partijen is inmiddels tot een einde gekomen.
2.4.
Het geschil tussen partijen betreft het project [project] in [plaats 3] .
<nr>3</nr>Het geschil
In conventie
3.1.
[opdrachtnemer] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en tegen behoorlijk bewijs van kwijting:

I. [opdrachtgever] veroordeelt om het bedrag van € 22.905,00 in hoofdsom aan [opdrachtnemer] te voldoen;

II. [opdrachtgever] veroordeelt om de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW over het onder I gevorderde bedrag aan [opdrachtnemer] te voldoen vanaf de respectievelijke data van verzuim van de openstaande facturen, subsidiair vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, of meer subsidiair vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening;

III. [opdrachtgever] veroordeelt om een bedrag van € 1.004,05 wegens buitengerechtelijke kosten van incasso aan [opdrachtnemer] te voldoen;

IV. [opdrachtgever] veroordeelt om een bedrag van € 997,09, ter zake van de door [opdrachtnemer] gemaakte kosten van beslag, aan [opdrachtnemer] te voldoen;

V. [opdrachtgever] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[opdrachtgever] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

In reconventie
3.4.
[opdrachtgever] vordert dat de rechtbank, bij vonnis en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat [opdrachtnemer] gehouden is de contractuele boetes op grond van artikel 11, tweede lid, en artikel 12 van de overeenkomst aan [opdrachtgever] te voldoen wegens schending van het anti-ronselbeding en het aantrekken, benaderen dan wel weglokken van personeel van [opdrachtgever] ;

II. [opdrachtnemer] veroordeelt tot betaling aan [opdrachtgever] van de reeds verbeurte vaste contractuele boetes, zijnde € 10.000,00 wegens tweemaal overtreding van artikel 11 lid 2 van de overeenkomst (boete € 5.000,00 per overtreding) en € 100.000,00 wegens tweemaal overtreding van artikel 12 van de overeenkomst (boete € 50.000,00 per overtreding) tezamen dus € 110.000,00 aan reeds opeisbare boetes te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW vanaf de datum waarop [opdrachtnemer] de overtredingen heeft begaan althans vanaf 3 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. voor recht verklaart dat [opdrachtnemer] gehouden is tot vergoeding van de door [opdrachtgever] geleden schade, waaronder mede begrepen herstelkosten, interne uren, planning technische schade, organisatorische schade, schade vanwege het onrechtmatige gelegde conservatoir derdenbeslag en reputatieschade;

IV. [opdrachtnemer] veroordeelt tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente conform artikel 6:119 BW vanaf 3 december 2025 tot een de dag der algehele voldoening;

V. [opdrachtnemer] veroordeelt in de proceskoten in reconventie, vermeerderd met de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en bij gebreke van tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.5.
[opdrachtnemer] voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling
In conventie

Betalingsverplichting op grond van de overeenkomst
4.1.
[opdrachtnemer] stelt dat [opdrachtgever] vier facturen voor uitgevoerde werkzaamheden in het kader van het project [project] in [plaats 3] niet heeft voldaan en eist op grond van nakoming van de overeenkomst, betaling van een totaalbedrag van € 22.905,00. De facturen zijn gebaseerd op uren die door [opdrachtnemer] zijn geregistreerd in het zogenoemde CAS-systeem, dat rechtstreeks verbonden is met de administratie van [opdrachtgever] . De uren zijn vervolgens door een medewerker van [opdrachtgever] gecontroleerd. Partijen hebben volgens [opdrachtnemer] vanaf de start van de samenwerking deze werkwijze gehanteerd en eerdere facturen zijn, weliswaar te laat, door [opdrachtgever] betaald.
4.2.
Volgens [opdrachtgever] is door [opdrachtnemer] onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke manier de werkzaamheden daadwerkelijk zijn uitgevoerd, en hoe het factuurbedrag is opgebouwd. Omdat er geen urenverantwoording, specificatie van de werkzaamheden en bewijs van uitvoering van de taken is overhandigd, voldoet [opdrachtnemer] niet aan de stelplicht van zijn vordering en dient deze dus te worden afgewezen, aldus [opdrachtgever] .
4.3.
Partijen zijn het erover eens dat zij op 2 september 2022 de overeenkomst zijn aangegaan en dat deze na afloop stilzwijgend is verlengd. Ook staat vast dat [opdrachtnemer] op basis hiervan tegen betaling werkzaamheden in opdracht van [opdrachtgever] heeft verricht. Uitgangspunt van de wet is dat partijen gebonden zijn aan de verplichtingen voortvloeiende uit een tussen hen geldende overeenkomst. Indien een partij zich niet aan de verplichting jegens een ander houdt om iets te geven, te doen of na la te laten, kan de gerechtigde vordering hiervan vorderen bij de rechter.
4.4.
De rechtbank merkt op dat door [opdrachtgever] niet wordt betwist dat de vier facturen niet zijn betaald. Ook wordt niet betwist dat een medewerker van [opdrachtgever] de door [opdrachtnemer] geregistreerde uren heeft gecontroleerd en heeft goedgekeurd. Gelet hierop moet het verweer van [opdrachtgever] – kort gezegd inhoudend dat de facturen onvoldoende gespecificeerd zijn – worden gepasseerd. [opdrachtgever] heeft immers door de controle en goedkeuring vooraf, te kennen gegeven akkoord te zijn met de specificatie en bijgevolg de facturering van de betreffende werkzaamheden en niet uitgelegd waarom zij daaraan niet gehouden zou mogen worden. De vordering van [opdrachtnemer] om [opdrachtgever] te veroordelen tot betaling van € 22.905,00 aan hoofdsom wordt daarom toegewezen.
4.5.
[opdrachtgever] heeft zich ook beroepen op een opschortingsrecht, stellende dat [opdrachtnemer] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en op grond daarvan een schadevergoeding en boetes aan [opdrachtgever] verschuldigd is die [opdrachtgever] wenst te verrekenen met de vordering van [opdrachtnemer] . De aanspraken van [opdrachtgever] zullen in reconventie inhoudelijk worden besproken en dan zal blijken dat [opdrachtgever] in haar stellingen niet wordt gevolgd. Alleen al om die reden komt haar geen beroep toe op opschorting en verrekening.

Wettelijke handelsrente
4.6.
[opdrachtnemer] vordert veroordeling van [opdrachtgever] in de wettelijke handelsrechte op grond van artikel 6:119a BW over de hoofdsom van € 22.905,00 vanaf de respectievelijke data van verzuim van de vier openstaande facturen, subsidiair vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, of meer subsidiair vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening. [opdrachtgever] heeft geen verweer hiertegen gevoerd.
4.7.
Partijen zijn beide rechtspersonen en de betaling van de vier facturen van [opdrachtnemer] betreft voldoening van een geldsom voortvloeiend uit een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW. In de vier facturen is de uiterste datum van betaling opgenomen, maar zoals in 4.4 geconcludeerd is, is hieraan niet voldaan door [opdrachtgever] .
4.8.
De vordering van [opdrachtnemer] tot veroordeling van [opdrachtgever] in betaling van de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW over de vier verschuldigde bedragen (gezamenlijk: de hoofdsom) tot aan de dag van algehele voldoening wordt toegewezen.
4.9.
De rechtbank zal de ingangsdatum voor de berekening van de wettelijke handelsrente bepalen op de dag volgend op de dag die is overeengekomen als uiterste dag van betaling. Verkort weergegeven gelden de volgende ingangsdata voor de wettelijke handelsrente:

Factuur [nummer 1] van € 6.705,00: 9 november 2024 (vervaldatum 8 november 2024);

Factuur [nummer 2] van € 6.120,00: 15 december 2024 (vervaldatum 14 december 2024);

Factuur [nummer 3] van € 4.320,00: 7 januari 2025 (vervaldatum 6 januari 2025);

Factuur [nummer 4] van € 5.760,00: 15 februari 2025 (vervaldatum 14 februari 2025).

Buitengerechtelijke incassokosten
4.10.
[opdrachtnemer] vordert veroordeling van [opdrachtgever] in betaling van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 1.004,05. [opdrachtgever] heeft geen verweer hiertegen gevoerd.
4.11.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [opdrachtnemer] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

Beslagkosten
4.12.
[opdrachtnemer] vordert veroordeling van [opdrachtgever] in betaling van de beslagkosten ter hoogte van € 997,09. [opdrachtgever] heeft geen verweer hiertegen gevoerd.
4.13.
De vordering met betrekking tot de beslagkosten is, gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv, toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op:

explootkosten: € 666,09

griffierecht: € 331,00

Totaal:

€ 997,09

Proceskosten
4.14.
[opdrachtgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtnemer] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

119,40

- griffierecht

€

1.043,00

- salaris advocaat

€

1.672,00

(2 punten × € 836,00)

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.982,40

In reconventie

Anti-ronselbeding
4.15.
[opdrachtgever] stelt dat [opdrachtnemer] de anti-ronselbedingen uit de overeenkomst heeft geschonden door gedurende de opdracht werknemers van [opdrachtgever] te benaderen om in dienst te treden bij [firma] , en onderbouwt dit met verklaringen van werknemers [persoon 1] en [persoon 2] . Deze handelingen kwalificeren als een inbreuk op artikel 11, tweede lid, en artikel 12 van de overeenkomst waarna contractuele boetes zijn verschuldigd. [opdrachtgever] eist in dit kader een verklaring voor recht dat [opdrachtnemer] gehouden is de contractuele boetes te voldoen en betaling van een totaalbedrag van € 110.000,00 (€ 5.000,00 x 2 + € 50.000 x 2 = € 110.000,00), vermeerderd met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW. Voor een matiging van de contractuele boetes is volgens [opdrachtgever] geen rechtvaardiging omdat door opname hiervan in de overeenkomst, [opdrachtgever] de continuïteit van haar bedrijfsvoering heeft willen beschermen en dit door [opdrachtnemer] doelbewust en herhaaldelijk is geschonden.
4.16.
[opdrachtnemer] verweert zich en betwist de overtredingen van de anti-ronselbedingen. Ten eerste, zijn [persoon 1] en [persoon 2] geen werknemers van [opdrachtgever] of een daaraan gelieerde vennootschap en/of personen maar zijn zij elders in dienst. Ten tweede, bestrijdt [opdrachtnemer] weglok- of wervingshandelingen te hebben uitgevoerd. Concreet en duidelijk bewijs hiervoor kan niet worden gevonden in de overgelegde verklaringen, waardoor de vorderingen hieromtrent dienen te worden afgewezen.
4.17.
Voor de beoordeling van de vorderingen, acht de rechtbank het relevant om op te merken dat de bewoordingen van artikel 11, tweede lid, en artikel 12 van de overeenkomst lijken te wijzen op verschillende toepassingsgebieden, namelijk schending van het anti-ronselbeding in het kader van een overeenkomst van opdracht, respectievelijk een dienstverband. De relevante passages uit deze artikelen luiden als volgt:

Artikel 11, tweede lid van de overeenkomst:

Daarnaast is het de opdrachtnemer (…) verboden werknemers van de opdrachtgever en/of de aan de opdrachtgever gelieerde onderneming(en) (…) te benaderen en/of weg te lokken en is het de opdrachtnemer verboden vermelde werknemers/ personen aan te zetten om in dienst te treden bij derden of bij de opdrachtnemer zelf (…). Bij overtreding van de in dit artikel omschreven bepaling(en), is opdrachtnemer aan opdrachtgever per overtreding een direct opeisbare boete van € 5.000,00 (zegge: vijf duizend euro) verschuldigd en voor iedere dag dat de overtreding voortduurt € 500,00 (zegge: vijf honderd euro), onverminderd de verplichting van opdrachtnemer tot betaling aan opdrachtgever van een volledige schadevergoeding te dezer zake, indien deze meer dan gemelde boete mocht belopen.

Artikel 12 van de overeenkomst:

Het is de werknemer verboden om (…) activiteiten te verrichten teneinde te trachten, direct of indirect, personeel van de werkgever en de aan haar gelieerde vennootschappen, weg te trekken en/of ertoe te bewegen in dienst te treden bij (een onderneming van) de werknemer dan wel bij een andere werkgever. Bij overtreding van dit artikel verbeurt werknemer aan werkgever een direct opeisbare boete van € 50 000 voor iedere overtreding, vermeerderd met een bedrag van € 2.500 voor elke dag dat de overtreding voortduurt.
4.18.
In de vorderingen van [opdrachtgever] is een dergelijk verschil niet gemaakt en is tweemaal de opeisbare boete voor dezelfde overtreding gevorderd. Mr. Houben heeft, gevraagd naar de onderlinge verhoudingen tussen de vermeend geschonden bepalingen en of de bepalingen zien op te onderscheiden omstandigheden, toegelicht dat de overeenkomst een standaardmodel van de Belastingdienst betreft en dat de bewoordingen werknemer en werkgever in artikel 12 moeten worden gelezen als zijnde opdrachtnemer en opdrachtgever. Mr. Dressel heeft daaraan toegevoegd dat het dienstverband moet worden gelezen als het doen van een opdracht. Tijdens de mondelinge behandeling is door [opdrachtnemer] verklaard dat [opdrachtgever] de overeenkomst heeft opgesteld, hetgeen door [opdrachtgever] is bevestigd. Gelet op het feit dat de overeenkomst door [opdrachtgever] is opgesteld, dient op basis van de contra proferentem- regel de overeenkomst in geval van onduidelijkheid in beginsel ten nadele van [opdrachtgever] te worden uitgelegd. De gedachte achter de contra proferentem-regel is dat degene die een beding formuleert door een heldere woordkeuze misverstanden kan vermijden en daarom het risico van onduidelijkheden in de bewoordingen van een overeenkomst moet dragen. De rechtbank acht de toelichting van mr. Houben onvoldoende om artikel 12 zodanig uit te leggen dat deze ook van toepassing is op een overeenkomst van opdracht en ziet geen aanleiding om beide boeteclausules van toepassing te verklaren op dezelfde gedraging. Dit brengt met zich mee dat artikel 12 van de overeenkomst geen toepassing zal vinden.
4.19.
Ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 11, tweede lid, van de overeenkomst geldt dat [opdrachtnemer] onderbouwd heeft betwist dat [persoon 1] en [persoon 2] in dienst zijn van [opdrachtgever] of een aan haar gelieerd vennootschap en/of personen. Hij heeft er in dat kader op gewezen dat deze personen volgens de aan hen toegeschreven verklaringen werkzaam zijn bij [b.v.] , wat geen aan [opdrachtgever] gelieerde vennootschap is volgens de door [opdrachtnemer] overgelegde informatie uit het handelsregister. In reactie daarop stelt [opdrachtgever] dat [opdrachtnemer] met zijn verweer de context waarin partijen hebben samengewerkt miskent en voegt daaraan toe: ‘[ [opdrachtnemer] ] was belast met de begeleiding van projecten van [opdrachtgever] en werkte daarbij dagelijks samen met het personeel dat binnen die projecten werd ingezet. De heren [persoon 1] en [persoon 2] maakten deel uit van dat personeelsbestand. Zij verrichtten werkzaamheden binnen de projecten waarvoor [ [opdrachtnemer] ] verantwoordelijk was en vielen daarmee binnen de werk- en invloedssfeer van de opdracht die aan [ [opdrachtnemer] ] was verstrekt’ en ‘Partijen hebben willen voorkomen dat een projectleider die toegang heeft tot personeel, kennis krijgt van interne bedrijfsprocessen en vanuit een gezags- of vertrouwenspositie opereert, die positie gebruikt om personeel voor zichzelf of voor derden te benaderen.’ Het is de rechtbank niet geheel duidelijk wat [opdrachtgever] hiermee wenst te betogen. Indien [opdrachtgever] stelt dat artikel 11 ook zou zien op werknemers van andere bedrijven dan [opdrachtgever] en aan haar gelieerde bedrijven, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. De tekst van de bepaling wijst immers op het tegendeel en er is geen reden om aan te nemen dat partijen over en weer redelijkerwijs moesten begrijpen dat de bepaling toch ziet op andere dan aan [opdrachtgever] gelieerde bedrijven, mede gezien het feit dat dit onlogisch is. Voor zover [opdrachtgever] stelt dat [b.v.] wel een gelieerd bedrijf is, heeft zij dat niet met feiten onderbouwd, wat wel van haar mocht worden verwacht, zeker in het licht van het onderbouwde verweer van [opdrachtnemer] .De conclusie is dat, ongeacht of [opdrachtnemer] met [persoon 1] en [persoon 2] heeft gesproken over een dienstverband bij [firma] , van een schending van het anti-ronselbeding dus geen sprake is.
4.20.
Gelet op het bovenstaande, wijst de rechtbank de vorderingen I en II in reconventie af.

Schadevergoeding
4.21.
[opdrachtgever] stelt dat [opdrachtnemer] tekort is geschoten in de zorg van een goed opdrachtnemer zoals bedoeld in artikel 7:401 BW, omdat [opdrachtnemer] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst (artikel 6:74 BW), dan wel onrechtmatig jegens [opdrachtgever] heeft gehandeld (artikel 6:162 BW). [opdrachtgever] vordert daarom een verklaring voor recht dat [opdrachtnemer] gehouden is de door [opdrachtgever] geleden schade te vergoeden en vordert vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW.
4.22.
Ter onderbouwing voert [opdrachtgever] aan dat er zich ernstige en structurele tekortkomingen in de bouw en in het toezicht en begeleiding van de ploeg hebben voorgedaan in de uitvoering van het project [project] in [plaats 3] . Instructies of aanwijzingen van [opdrachtgever] werden slecht opgevolgd en nadat [opdrachtnemer] het project had verlaten, hebben omvangrijke helstelwerkzaamheden moeten plaatsvinden. Dit heeft ontevredenheid bezorgd bij de bewoners van het pand en heeft geleid tot een negatieve Google-review. Ook heeft [opdrachtnemer] nagelaten tijdig de juiste informatie aan [opdrachtgever] door te geven omtrent de verlofduur en de beschikbaarheid van twee Poolse werknemers en heeft hij medewerkers van [opdrachtgever] aangespoord om bij [firma] aan de slag te gaan. Tijdens de mondelinge behandeling is door mr. Houben aangegeven dat [opdrachtgever] als gevolg van de klachten jegens hem, een nieuw gunningsproces bij Stichting Weller Wonen heeft verloren. Al met al, zijn door [opdrachtgever] aanzienlijke aanvullende kosten gemaakt voor het materiaal, de inzet van personeel en de uren besteed aan het aanpassen van de planningen die voor rekening van [opdrachtnemer] dient te komen. De schade ontstaan door de negatieve beoordeling van bewoners, de schending van de anti-ronselbedingen en de negatieve indruk die bij Stichting Weller Wonen van [opdrachtgever] is gewekt, is nog niet exact te begroten en dient daarom op een later moment te worden vastgesteld in een schadestaatprocedure.
4.23.
[opdrachtnemer] voert verweer. Hij betwist dat er tekortkomingen zijn geweest aan het project [project] in [plaats 3] , en als deze aanwezig zijn, dat deze niet aan hem toerekenbaar zijn. [opdrachtgever] heeft de schade enkel in algemene termen beschreven en heeft, anders dan zelf verklaarde verklaringen, geen inzicht gegeven in de aard en de omvang van de schade door bijvoorbeeld facturen van herstelwerkzaamheden en urenspecificaties te overhandigen. Ook is door [opdrachtgever] niet onderbouwd op welke manier [opdrachtnemer] zijn functie van projectleider en directievoerder niet is nagekomen en welke tekortkomingen daardoor zouden zijn ontstaan. [opdrachtnemer] stelt op basis van de overeenkomst enkel verantwoordelijk te zijn voor de zelfstandige coördinatie en aansturing van projecten, niet voor de praktische uitvoering van het project. Overigens is het team dat de werkzaamheden uitvoerde door [opdrachtgever] samengesteld. Verder is [opdrachtnemer] gedurende de werkzaamheden nooit door [opdrachtgever] aangesproken op mogelijke tekortkomingen. Wat betreft de verklaring van de Poolse werknemers, betwist [opdrachtnemer] de authenticiteit en de juistheid ervan omdat deze door een taalbarrière niet door de heren zelf kan zijn opgesteld. Van enig bewijs van een schending van de anti-ronselbedingen is geen sprake en bovendien zijn [persoon 1] en [persoon 2] niet werkzaam voor [opdrachtgever] of een daaraan gelieerd vennootschap en/of personen. Tot slot ziet de negatieve Google-review niet op [opdrachtgever] zelf, maar op een andere entiteit.
4.24.
Als uitgangspunt geldt dat opdrachtnemers in de uitvoering van hun werkzaamheden een zorgplicht dragen om te handelen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot zou hebben gedaan. De omvang van deze zorgplicht wordt aan de hand van de omstandigheden van het geval ingevuld. Schade voortvloeiend uit een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige gedraging van de opdrachtnemer kan voor vergoeding in aanmerking komen. Als algemene regel geldt hierbij dat de partij die zich op het bestaan van schade beroept, de bewijslast draagt.
4.25.
De rechtbank is het met [opdrachtnemer] eens dat de door [opdrachtgever] gestelde tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst en de onrechtmatige gedragingen slechts in algemene termen zijn verwoord en onvoldoende concreet zijn onderbouwd. Van het kunnen vaststellen van een schending van de zorgplicht van opdrachtnemer [opdrachtnemer] kan daarom geen sprake zijn. De tekortkomingen aan het project [project] in [plaats 3] en de daaruit ontstane schadeposten voor herstelwerkzaamheden en wijzigingen in de planning steunen enkel op verklaringen van [opdrachtgever] zelf (al dan niet in samenwerking met de opvolgende projectleider), maar concrete en cijfermatige onderbouwing ontbreekt. Gelet op de eerdere conclusie dat van een schending van de anti-ronselbedingen uit de overeenkomst geen sprake is, kunnen deze ook niet kwalificeren als een onrechtmatige daad. Ook is door [opdrachtgever] onvoldoende onderbouwd op welke manier [opdrachtnemer] is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn zorgplicht van goede opdrachtnemer, zijn taakstelling op basis van de overeenkomst en welke schade hierdoor aan hem toe te rekenen is. Wat er ook zij van de authenticiteit van de verklaringen van de twee Poolse werknemers, leiden deze niet tot een ander oordeel omdat hieruit niet blijkt welke concrete schade voor [opdrachtgever] is ontstaan. Dat [opdrachtgever] reputatieschade heeft opgelopen is evenmin komen vast te staan. [opdrachtnemer] heeft erop gewezen dat de negatieve Google- review niet op [opdrachtgever] maar op een andere entiteit, nog los van het feit dat als de review op [opdrachtgever] zou zien, dat op zichzelf uiteraard geen tekortschieten van [opdrachtnemer] zou aantonen. Er is verder geen nadere onderbouwing gegeven voor de stelling dat de klachten van Stichting Weller Wonen over [opdrachtgever] hebben geleid tot het verliezen van het gunningsproces en dat dit aan [opdrachtnemer] zou kunnen worden toegeschreven.
4.26.
De stellingen van [opdrachtgever] zijn dus onvoldoende onderbouwd waardoor niet is komen vast te staan dat er sprake is van aan [opdrachtnemer] toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst of onrechtmatige gedragingen die tot schade hebben geleid. Aan nadere bewijslevering wordt niet toegekomen. Vordering III en IV in reconventie worden daarom afgewezen.

Proceskosten
4.27.
[opdrachtgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtnemer] worden begroot op:

- salaris advocaat

€

1.672,00

(2 punten × € 836,00)

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.820,00
<nr>5</nr>De beslissing
De rechtbank

In conventie
5.1.
veroordeelt [opdrachtgever] om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 22.905,00 aan hoofdsom,
5.2.
veroordeelt [opdrachtgever] om aan [opdrachtnemer] te betalen de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW over de hoofdsom, berekend over:

- het bedrag van € 6.705,00, met ingang van 9 november 2024,- het bedrag van € 6.120,00,met ingang van 15 december 2024,- het bedrag van € 4.320,00,met ingang van 7 januari 2025,- het bedrag van € 5.760,00,met ingang van 15 februari 2025,telkens tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [opdrachtgever] om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 1.004,05 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.4.
veroordeelt [opdrachtgever] om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 997,09 aan beslagkosten,
5.5.
veroordeelt [opdrachtgever] om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 2.982,40 aan proceskosten.

In reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van [opdrachtgever] af,
5.7.
veroordeelt [opdrachtgever] om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 1.820,00 aan proceskosten.

In conventie en in reconventie
5.8.
veroordeelt [opdrachtgever] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [opdrachtgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.

Productie 1 bij dagvaarding, aanhef van de overeenkomst onder a en b, artikel 2.1 van de overeenkomst.

Productie 1 bij dagvaarding, artikel 3.2 van de overeenkomst.

Productie 2 bij dagvaarding.

Productie 9 bij dagvaarding.

Producties 5 en 6 bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie; productie 8 bij akte mr. Houben.

Productie 10 bij conclusie van antwoord in reconventie.

Productie 10 bij conclusie van antwoord in reconventie

Productie 2 bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie.

Productie 7 bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie.

Producties 3 en 4 bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie.

Producties 5 en 6 bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie.

Artikel delen