Aansprakelijkheid boekhouder op grond van onrechtmatige daad?
Rechtbank Limburg 24 September 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:9449
Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-09-2026
Datum publicatie
24-09-2026
Zaaknummer
C/03/350691 / HA ZA 26-122
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
ECLI:NL:RBLIM:2026:9449text/xmlpublic2026-09-24T10:05:412026-09-04Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Limburg2026-09-09C/03/350691 / HA ZA 26-122UitspraakBodemzaakNLMaastrichtCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9449text/htmlpublic2026-09-24T10:04:262026-09-24Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBLIM:2026:9449 Rechtbank Limburg , 09-09-2026 / C/03/350691 / HA ZA 26-122 Aansprakelijkheid boekhouder op grond van onrechtmatige daad?
RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/350691 / HA ZA 26-122 Vonnis van 9 september 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.L. Smits-Emons, tegen
[gedaagde]
,
wonend te [plaats 2] (België),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. T.E.J. Devens. 1Het verloop van de procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 33;- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 5;- de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026, waarbij beide partijen spreekaantekeningen in het geding hebben gebracht, en het proces-verbaal dat van die mondelinge behandeling is opgemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten2.1. Het [eiser] , waarvan mevrouw [persoon] (verder te noemen: [persoon] ) enig aandeelhouder en bestuurder is, houdt zich bezig met medische dienstverlening, meer in het bijzonder met plastische chirurgie, te weten het verwijderen van borstimplantaten. Na enige tijd in diverse ziekenhuizen en klinieken te hebben samengewerkt met andere plastisch chirurgen, waarbij het [eiser] telkens afhankelijk was van de bereidheid van die organisaties om een operatiekamer aan haar ter beschikking te stellen, wilde het [eiser] beschikken over een eigen operatiekamer. 2.2. Begin 2015 is het [eiser] in contact gekomen met [kliniek] . [kliniek] was op dat moment enig huurder van een bedrijfsruimte gelegen aan het [adres] te [plaats 3] , alwaar zij een medische kliniek exploiteerde. In dat kader was in het gehuurde reeds een operatiekamer klasse 2 aanwezig. Verhuurder van de bedrijfsruimte was [c.v.] (verder te noemen: [c.v.] ). 2.3. Het [eiser] en [kliniek] zijn in overleg getreden over het aangaan van een samenwerking. 2.4. Het [eiser] diende voor het uitvoeren van haar werkzaamheden te beschikken over een operatiekamer klasse 1, prestatieniveau 1. De in [kliniek] aanwezige operatiekamer zou hiertoe moeten worden verbouwd. Dit zou een investering van € 150.000,00 inclusief btw (hierna ook: de investering) vergen die door het [eiser] , zou het tot een samenwerking met [kliniek] komen, moest worden gefinancierd. 2.5. Het [eiser] heeft aan [b.v. 1] , van welke vennootschap [gedaagde] middelijk bestuurder was, gevraagd om te adviseren over het al dan niet aangaan van een samenwerking met [kliniek] en het in dat kader doen van de hiervoor genoemde investering. [b.v. 1] heeft die opdracht aanvaard. [gedaagde] heeft op 7 december 2016 een investeringsadvies aan het [eiser] uitgebracht. 2.6. Voor zover in het kader van dit geschil van belang is in het investeringsadvies het volgende opgenomen: “(…) Tijdsplanning: Januari 2017 verbouwing (ong. 4 weken tijd) en dan in februari 2017 van start kunnen gaan met het opereren in [kliniek] . Inhoud samenwerking: Het huidige pand wordt gehuurd van [c.v.] door [kliniek] . In de toekomst zal het huurcontract via een allonge aangepast worden met als gezamenlijke huurde [eiser] B.V.
[kliniek] B.V. en [eiser] B.V. zullen gezamenlijk als huurder optreden en ook gezamenlijk als verhuurder optreden m.b.t. het verhuren van operatieruimte en behandelingsruimte aan derden. Alle inkomsten en omzet zullen voor beide partijen gezamenlijk zijn. En zullen verdeeld worden met een verdeelsleutel van 50/50. Dit geldt ook voor de kosten van het gezamenlijk uitbaten van de ruimte t.b.v. verhuur aan derden. Welke zaken hebben wij inhoudelijk bekeken: - Huurcontract [c.v.] en KV ( [kliniek] , opmerking rechtbank) en DK ( [eiser] B.V., opmerking rechtbank) (…) - Allonge [c.v.] en KV en DK (…) - Dienstenovereenkomst [kliniek] (…) Eindconclusie m.b.t. investering: - Wij vinden het een gedegen investering, zolang de verhuurinkomsten primeren, zodat belde partijen zo goedkoop mogelijk zelf kunnen opereren. Aandachtspunt die wij niet hebben kunnen beoordelen, maar die wij wel nog even onder de aandacht willen brengen. Zorg dat de operatiekamer volledig conform de protocollen en richtlijnen is ingericht en gebouwd, anders zal de investering natuurlijk niet kunnen renderen. We hebben gedurende het beoordelingsproces hier meerdere malen over gesproken, dus we nemen aan dat dit correct is opgepakt en beoordeeld. Voor DK levert de investering een enorme kostenbesparing op, waardoor er een beter rendement binnen de onderneming kan worden gegenereerd. Mits men zich zakelijk als verhuurder opstelt en zorgt dat er voldoende dagdelen aan derden verhuurd wordt, zodat deze investering op een zo kort mogelijke termijn door derden gelden wordt terugbetaald. Financieringsvorm voorkeur het grootste deel te dragen middels spaargeld, maar ook een deel via een leasevorm te financieren. Daar zakelijk geld op dit moment goedkoop is en aangezien de bankrekening anders qua buffer behoorlijk terugloopt. We hebben zelf geen inzage In de huidige rendementen van de onderneming van DK, waardoor we even uit zijn moeten gaan van het boekjaar 2015, waar een behoorlijk verlies is geleden (we weten waar het aan ligt en dat het in 2016 via vergoedingen weer flink weggewerkt is).„ Maar zeker om te zorgen dat DK in privé geen last van deze investering zou hebben lijkt ons het wel wenselijk om eventueel de aanverwante apparatuur middels lease te bekostigen. Als laatste punt willen we wel meegeven, dat beide partijen KV en DK zich goed moeten laten adviseren door derden daar waar hun eigen expertise ontoereikend zou zijn. M.a.w. zorg dat ten alle tijden met andere overlegd wordt die gespecialiseerd zijn In bepaalde vakgebieden. De rol van verhuurder is voor DK sowieso nieuw en geeft zodoende een nieuwe uitdaging. Laatje goed adviseren en geef je oren en hersenen de kost om te zorgen, dat men in deze rol groeit. Opmerking: de overeenkomsten zijn niet door ons juridisch beoordeeld, beoordeling
heeft plaats gevonden op financieel vlak en op basis van de onderlinge afspraken die ons bekend waren.” 2.7. Na verstrekking van het investeringsadvies hebben [persoon] en [gedaagde] telefonisch met elkaar gesproken over de inhoud daarvan. 2.8. Op 23 december 2016 heeft [gedaagde] een e-mail gezonden aan - onder andere - het [eiser] met de volgende inhoud: “Hallootjes [naam] , De bijgevoegde documenten mogen ondertekend worden, achteraf zal er enkel nog een naamswijziging plaats moeten vinden m.b.t. de nieuwe nog op te richten onderneming !” 2.9. Met ingang van 1 januari 2017 is tussen [kliniek] en het [eiser] een dienstenovereenkomst gesloten. Daarin zijn zij overeengekomen dat zij het voorheen door [kliniek] van [c.v.] gehuurde pand aan het [adres] te [plaats 3] met ingang van 1 januari 2017 gezamenlijk gaan huren, in die zin dat zij ieder een zelfstandige huurovereenkomst zullen afsluiten met de verhuurder van dat pand. “(…)
- Partijen besloten hebben het pand aan de [adres] te [plaats 3] gezamenlijk
te willen huren, in die zin dat elk der Partijen een zelfstandige huurovereenkomst zal afsluiten met de verhuurder van het pand voor een nader te bepalen deel ervan, waarbij de looptijd van die huurovereenkomsten in ieder geval gelijk zal zijn; (…)
[kliniek] in het pand en het gebruik ervan, maar ook ter exploitatie van haar onderneming, ook ten behoeve van [persoon] een aantal diensten zal verrichten die [persoon] zal afnemen, zoals in deze overeenkomst nader is beschreven;
[persoon] in het pand aan de [adres] zal investeren voor een bedrag van afgerond EUR 150.000 (zegge een honderd duizend euro) inclusief omzetbelasting met als doel in het pand een Operatiekamer Klasse 1 OK te realiseren voor gezamenlijk gebruik tussen Partijen en verhuur van die Operatiekamer aan derde partijen; (…) 1.3 Betaalde huuropbrengsten van [kliniek] voor het gebruik van het pand aan de [adres] te [plaats 3] door derde partijen zullen voor 50% (zegge vijftig
procent) in mindering worden gebracht op de kosten die worden doorbelast aan [persoon] over de periode van verhuur aan derde partijen. Onder derde partijen in dit kader verstaan Partijen uitdrukkelijk niet de gelieerde ondernemingen aan Partijen, waaronder ook de Urologen Kliniek Utrecht BV. 1.4
[persoon] is gehouden jegens [kliniek] voor eigen rekening en risico een
investering te doen van om en nabij EUR 150.000 (zegge een honderd en vijftig duizend euro) in het pand aan de [adres] te [plaats 3] , met als doel om een Operatiekamer Klasse 1 OK te realiseren voor gezamenlijk gebruik door Partijen en verhuur van die Operatiekamer Klasse 1 OK aan derde partijen.(…)” 2.10.
[c.v.] als verhuurder en [kliniek] en het [eiser] als huurders zijn overeengekomen dat laatstgenoemden met ingang van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2022 de hiervoor genoemde bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats 3] zullen huren. 2.11. Op 29 december 2016 hebben [c.v.] als verhuurder en [kliniek] en het [eiser] als huurders een allonge bij de huurovereenkomst ondertekend. Daarin is - voor zover van belang - het volgende opgenomen: “(…) •Verhuurder heeft aan [kliniek] B.V. een bedrag groot € 150.000,= inclusief BTW vergoed, zijnde een gedeelte van de kosten van de door [kliniek] B.V. uitgevoerde verbouwing van het gehuurde. Huurder vergoedt, als opslag op de huurprijs, het gehele door verhuurder geïnvesteerde bedrag van € 150.000,= aan verhuurder, op basis van een annuïteitberekening met een looptijd van 10 jaar en een rentepercentage van 7% per jaar, conform bijgevoegde berekening.
• De in artikel 4.1 van de huurovereenkomst genoemde huurprijs wordt derhalve verhoogd met een bedrag van € 20.622,36 per jaar.(…)” 2.12. Na de inwerkingtreding van de huurovereenkomst per 1 januari 2017, is de verbouwing van de in het gehuurde al aanwezige operatiekamer tot een operatiekamer klasse 1 gestart. [b.v. 2] een door [persoon] opgerichte vennootschap heeft, op 17 januari 2017, 1 mei 2017 en 5 oktober 2017 de facturen van de aannemer in verband met de verbouwing van de operatiekamer betaald. 2.13. Per 1 september 2017 kon het [eiser] gebruik maken van de verbouwde operatiekamer. 2.14. Op 31 augustus 2018 heeft het [eiser] de dienstenovereenkomst met [kliniek] met onmiddellijke ingang opgezegd en per 1 september 2018 heeft zij het gehuurde verlaten. 2.15. Het [eiser] en [b.v. 2] zijn een procedure gestart tegen [kliniek] . In die procedure is door de rechtbank Midden-Nederland vonnis gewezen op 14 juli 2021. 2.16. Bij brief van 17 juli 2020 heeft het [eiser] [b.v. 1] aansprakelijk gesteld voor de schade die het Instituut als gevolg van het volgens haar onjuiste investeringsadvies stelt te hebben geleden. 2.17. Op 22 september 2021 is [b.v. 1] in staat van faillissement verklaard. 2.18. Het [eiser] heeft bij brief van 27 september 2023 [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg door het volgens haar onjuiste investeringsadvies stelt te hebben geleden. 2.19. Het faillissement van [b.v. 1] is op 22 juli 2025 opgeheven wegens gebrek aan baten. 3Het geschil3.1. Het [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig jegens het [eiser] heeft gehandeld en dat zij aansprakelijk is voor de door het [eiser] geleden schade; voor recht verklaart dat [gedaagde] advies heeft gegeven aan en werkzaamheden heeft verricht voor het [eiser] binnen de expertise die van een boekhouder kan worden verwacht;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan het [eiser] van een schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan het [eiser] van een voorschot op die schade ten bedrage van € 99.000,00, te betalen binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis;
[gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de kosten van dit geding, de deurwaarderskosten daaronder begrepen, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en, indien voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van de (na)kosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van de aanschrijving tot vrijwillige voldoening aan het vonnis is voldaan. 3.2.
[gedaagde] voert verweer. 3.3. De stellingen van partijen zullen, voor zover van belang, hieronder worden besproken en beoordeeld. 4De beoordeling Internationale aspecten 4.1. Nu [gedaagde] woonachtig is in België, heeft deze zaak een internationaal karakter en dient de rechtbank ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en zo ja, welk rechtsstelsel van toepassing is. Rechtsmacht 4.2. De rechtbank dient haar bevoegdheid te bepalen aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (verder ook te noemen EEX-Vo 1bis). 4.3. Uit artikel 7 aanhef en lid 2 van de EEX-vo 1 bis volgt dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ten aanzien van een verbintenis uit onrechtmatige daad kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Aangezien het [eiser] aan haar vorderingen ten grondslag legt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en het gestelde schadebrengende feit (het verstrekken van een onjuist investeringsadvies) zich in Nederland heeft voorgedaan - [b.v. 1] , de vennootschap door middel waarvan [gedaagde] dit investeringsadvies heeft verstrekt was in Nederland gevestigd en heeft alhier het investeringsadvies opgesteld -, is de Nederlandse rechter bevoegd van de vorderingen kennis te nemen. Overigens is [gedaagde] in rechte verschenen zonder de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te betwisten, zodat ook aan artikel 26 EEX-Vo 1bis rechtsmacht kan worden ontleend. Toepasselijk recht 4.4. De vraag met toepassing van welk rechtstelsel de vorderingen dienen te worden beoordeeld dient te worden beantwoord aan de hand van Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (verder te noemen: Rome II). 4.5. Partijen gaan, door hun beroep op bepalingen van Nederlands materieel recht - terecht - ervan uit dat hun rechtsverhouding wordt beheerst door Nederlands recht. Op grond van artikel 4 lid 1 Rome II is op een onrechtmatige daad, die hier aan de vorderingen ten grondslag ligt, het recht van toepassing is van het land waar de gestelde schade zich voordoet. Omdat het [eiser] is gevestigd in Nederland en hier haar activiteiten uitoefent, geldt als uitgangspunt dat het [eiser] in Nederland schade lijdt, zodat de vorderingen met toepassing van Nederlands recht worden beoordeeld. Inhoudelijk oordeel 4.6. Het [eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. 4.7. Dat onrechtmatig handelen bestaat volgens het [eiser] eruit dat [gedaagde] bij het geven van het investeringsadvies niet de zorg heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. [gedaagde] had kunnen en moeten zien dat de investering van € 150.000,00 inclusief btw nooit kon worden terugverdiend. Daarnaast heeft [gedaagde] ten onrechte geadviseerd de allonge bij de huurovereenkomst te ondertekenen. Verder heeft [gedaagde] volgens het [eiser] de financiële risico’s van de investering onvoldoende in kaart gebracht en ontbeert het investeringsadvies een deugdelijke grondslag. Een en ander blijkt volgens het [eiser] onder andere uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 14 juli 2021. 4.8.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Zij betwist dat zij onrechtmatig jegens het [eiser] heeft gehandeld. Voor het geval daarover anders zou worden geoordeeld, betoogt zij dat de gestelde vordering is verjaard. Verder doet [gedaagde] een beroep op rechtsverwerking. Investeringsadvies niet gelezen 4.9. Alvorens over te gaan tot de beantwoording van de vraag of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens het [eiser] overweegt de rechtbank het volgende. Het [eiser] heeft, overigens eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, bij monde van haar bestuurder en enig aandeelhouder [persoon] , herhaaldelijk verklaard dat zij het investeringsadvies van [gedaagde] niet heeft gelezen, omdat zij geen verstand heeft van de materie waarop het advies betrekking heeft. 4.10. Daarmee dringt zich - uitgaande van de juistheid van die verklaring - de vraag op of, zo de stelling van het [eiser] dat [gedaagde] ten onrechte positief heeft geadviseerd over het aangaan van de samenwerking met [kliniek] en het doen van de investering juist zou zijn, het [eiser] aan haar stelplicht heeft voldaan wat betreft het causaal verband dat aanwezig moet zijn om met succes een beroep op artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek te kunnen doen. Immers in het geval men een onjuist advies niet heeft gelezen, valt op het eerste oog moeilijk vol te houden dat (desondanks) als gevolg van dat onjuist advies schade is geleden. 4.11. Het [eiser] heeft evenwel verklaard dat het kan kloppen dat, zoals [gedaagde] heeft gesteld, naar aanleiding van het advies telefonisch contact tussen hen heeft plaatsgevonden over de inhoud daarvan. Ook heeft het [eiser] verwezen naar het e-mailbericht van [gedaagde] van 23 december 2016 waarin [gedaagde] schrijft dat de overeenkomsten ondertekend kunnen worden. Verder heeft het [eiser] gesteld dat zij vlak voor de ondertekening van de huurovereenkomst en de dienstenovereenkomst telefonisch contact met [gedaagde] heeft gehad en dat zij aan haar heeft gevraagd of de overeenkomsten konden worden ondertekend en dat [gedaagde] daarop bevestigend heeft geantwoord. [gedaagde] heeft dat erkend. 4.12. In deze stellingen van het [eiser] ligt besloten dat het, hoewel zij het advies niet heeft gelezen, wel kennis heeft genomen van het feit dat het advies in de kern positief was. Gelet hierop en op het feit dat het [eiser] stelt dat zij op basis daarvan heeft besloten de samenwerking met [kliniek] aan te gaan, gaat de rechtbank bij de verdere beoordeling ervan uit dat volgens het [eiser] hierin het causaal verband is gelegen tussen het volgens haar onjuiste advies en de schade die zij als gevolg daarvan stelt te hebben geleden. Daarmee heeft het [eiser] in zoverre aan haar stelplicht ter zake het causaal verband voldaan. Hiermee is overigens niet gezegd dat causaal verband bestaat tussen het gestelde onjuiste advies en de gestelde schade. [gedaagde] betwist dat. In het geval de rechtbank daaraan toekomt, volgt de beoordeling van het hierover gevoerde debat hierna. Tussenconclusie 4.13. De rechtbank komt gelet op het voorgaande in ieder geval wel toe aan de beantwoording van de vraag of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens het [eiser] . Heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld? 4.14. Ter beantwoording van de vraag of [gedaagde] onrechtmatig jegens het [eiser] heeft gehandeld, moet worden beoordeeld of [gedaagde] bij het geven van het investeringsadvies de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. Uitgangspunten beoordeling 4.15. Bij de beoordeling neemt de rechtbank het volgende tot uitgangspunt. Partijen zijn het erover eens dat het [eiser] B.V. aan [b.v. 1] opdracht heeft gegeven advies uit te brengen over de vraag of het aangaan van een samenwerking met [kliniek] en het in dat kader doen van een investering van € 150.000,00 inclusief btw in verband met de verbouwing van de operatiekamer, voor het [eiser] in financiële zin een goede investering zou zijn. [b.v. 1] heeft die opdracht aanvaard. [gedaagde] heeft feitelijk uitvoering gegeven aan die opdracht. [gedaagde] is boekhouder, maar zij was niet als boekhouder werkzaam voor het [eiser] . Dit heeft laatstgenoemde ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zelf verklaard. 4.16. Ook neemt de rechtbank bij de beoordeling tot uitgangspunt dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde] geen jurist is, dat het [eiser] daarmee bekend was toen zij vroeg om advies. Hierbij neemt de rechtbank ook tot uitgangspunt dat niet is gesteld dat [gedaagde] ten tijde van het geven van het advies, hoewel zij geen jurist is, beschikte over enige juridische kennis. Overigens is ook niet gesteld dat (ook) om juridisch advies is gevraagd. Bovendien legt het [eiser] aan haar vorderingen enkel ten grondslag dat [gedaagde] bij het geven van het advies niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam boekhouder mag worden verwacht. 4.17. Verder geldt dat partijen het erover eens zijn dat de (concept) overeenkomsten die [gedaagde] in het kader van de advisering heeft bekeken, te weten de huurovereenkomst, de bijbehorende allonge en de dienstenovereenkomst zijn opgesteld door [kliniek] . Ook zijn zij het erover eens dat het investeringsadvies mede is gebaseerd op een door [kliniek] opgestelde prognose. 4.18. Ten slotte staat vast dat [gedaagde] in het investeringsadvies expliciet heeft opgenomen dat zij de overeenkomsten niet juridisch heeft beoordeeld, dat een beoordeling op financieel vlak heeft plaatsgevonden en dat dit is gebeurd op basis van de beoogde afspraken over de samenwerking, zoals deze door [gedaagde] in het advies achter de vermelding “inhoud samenwerking:” zijn vermeld. De rechtbank verwijst naar hetgeen hierover onder 2.6. achter “Opmerking:” opgenomen citaat uit het advies. Hierbij geldt dat [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat de beoogde afspraken en het tijdpad dat voor de verbouwing van de operatiekamer zou worden gevolgd door [kliniek] als zodanig aan haar zijn medegedeeld en door haar dienovereenkomstig in het investeringsadvies zijn vermeld. Dit alles neemt de rechtbank dus eveneens bij de beoordeling tot uitgangspunt. 4.19. Hierna wordt beoordeeld of de aan het adres van [gedaagde] gemaakte verwijten het oordeel kunnen dragen dat [gedaagde] bij het geven van het investeringsadvies niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam boekhouder mag worden verwacht. Verwijt 1: advies onjuist want investering kon nooit worden terugverdiend 4.20. Ten eerste verwijt het [eiser] [gedaagde] dat zij niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam boekhouder mag worden verwacht, omdat de investering in verband met de verbouwing van de reeds aanwezig operatiekamer tot een klasse 1 operatiekamer, gelet op het bepaalde in 1.3 van de dienstenovereenkomst nooit had kunnen worden terugverdiend. Volgens het [eiser] had [gedaagde] dit moeten zien en had zij het [eiser] hiertegen moeten beschermen. [gedaagde] betwist dat haar op dit punt een verwijt valt te maken. 4.21. Volgens het [eiser] kon de investering nooit worden terugverdiend, omdat [kliniek] zich na de totstandkoming van de overeenkomsten onder verwijzing naar artikel 1.3 van de dienstenovereenkomst, waarvan de inhoud hiervoor onder 2.9. is weergegeven, op het standpunt heeft gesteld dat het [eiser] geen recht had op (de volledige) 50% van de (onder)verhuur van de operatiekamer en behandelruimte door haar en [kliniek] aan derden. Volgens [kliniek] , zo stelt het [eiser] , kon het Instituut deze huuropbrengsten enkel aanwenden voor de betaling van haar aandeel in de kosten van de exploitatie van de operatiekamer. Voor zover de huuropbrengsten die kosten zouden overstijgen, had het [eiser] hierop volgens [kliniek] geen aanspraak, aldus nog steeds het [eiser] . [gedaagde] heeft niet betwist dat [kliniek] dit standpunt jegens het [eiser] heeft ingenomen, zodat de rechtbank bij de verdere beoordeling hiervan uitgaat. 4.22. De rechtbank constateert dat tussen het [eiser] en [kliniek] kennelijk discussie is ontstaan over de uitleg van artikel 1.3 van de dienstenovereenkomst. Wat hiervan ook zij, [gedaagde] in verband hiermee niets te verwijten. Voor dit oordeel is het volgende redengevend. 4.23. Het [eiser] heeft [gedaagde] enkel om financieel advies gevraagd. Zij wilde immers weten of het aangaan van een samenwerking met [kliniek] , waardoor zij voortaan over een eigen operatiekamer zou beschikken, en het in dat kader doen van de investering in financiële zin gunstig voor haar zou zijn. Zoals hiervoor reeds overwogen wist het [eiser] dat [gedaagde] geen jurist is en zij heeft niet ook om juridisch advies gevraagd. Het [eiser] kon dus niet verwachten dat [gedaagde] , ondanks dat daarom niet was gevraagd en ondanks dat zij wist dat [gedaagde] geen jurist is en niet is gesteld dat zij toch over enige juridische kennis beschikte, tóch zou adviseren over de juridische kwesties verband houdend met een eventuele samenwerking met [kliniek] . Bovendien heeft [gedaagde] in het advies ook uitdrukkelijk vermeld dat het advies van financiële aard was en niet van juridische aard. Dat blijkt uit de laatste passage van het advies, luidende:“Opmerking: de overeenkomsten zijn niet door ons juridisch beoordeeld, beoordeling heeft plaats gevonden op financieel vlak en op basis van de onderlinge afspraken die ons bekend waren.” 4.24. Daar komt bij dat in het investeringsadvies duidelijk is vermeld dat [gedaagde] bij haar advisering ervan uit is gegaan dat het [eiser] en [kliniek] gezamenlijk als (onder)verhuurder zouden optreden en dat alle inkomsten 50/50 zouden worden verdeeld. De rechtbank verwijst naar het hiervoor onder 2.6. opgenomen citaat en naar hetgeen op dit punt bij de beoordeling tot uitgangspunt heeft te gelden, te weten dat [gedaagde] haar investeringsadvies heeft gebaseerd op de beoogde afspraken zoals die door [kliniek] aan haar zijn medegedeeld en door [gedaagde] als zodanig in het advies zijn vermeld. 4.25. De duiding en / of de uitleg van het bepaalde in artikel 1.3 van de dienstenovereenkomst betreft een juridische beoordeling. Het is uitdrukkelijk geen boekhoudkundige of financieel administratieve vraag. Daarmee gaat de duiding en / of de uitleg van het bepaalde in artikel 1.3 van de dienstenovereenkomst de reikwijdte van het aan [b.v. 1] verzochte advies te buiten. Bij deze stand van zaken kan niet worden volgehouden dat [gedaagde] op dit punt niet als een redelijk handelend en redelijk bekwaam boekhouder heeft gehandeld. Overigens heeft het [eiser] niet gesteld en dus ook niet aan de vordering ten grondslag gelegd dat aan [gedaagde] is gevraagd om te beoordelen of de door [kliniek] geschetste kaders voor een eventuele samenwerking zoals door [gedaagde] in het advies vermeld, correspondeerden met hetgeen in concept dienstenovereenkomst en de huurovereenkomst met de bijbehorende allonge is vermeld. Dit zou bovendien neerkomen op een juridische beoordeling. 4.26. Voor zover de stellingen van het [eiser] zo moeten worden begrepen dat zij - omdat zij het advies niet heeft gelezen - geen kennis heeft genomen van de mededeling in het advies dat geen juridische beoordeling heeft plaatsgevonden en dat dit [gedaagde] eveneens moet worden aangerekend, gaat dit evenmin op. 4.27. Het [eiser] heeft niet gesteld dat zij tegen [gedaagde] heeft gezegd dat zij het advies niet heeft gelezen. [gedaagde] behoefde hiermee dus geen rekening houden toen zij na het uitbrengen van het advies met het [eiser] sprak over de inhoud daarvan. Zelfs als het zo zou zijn, zoals het [eiser] stelt, maar [gedaagde] betwist, dat [gedaagde] bij die gelegenheden niet tegen het [eiser] heeft gezegd dat het juridisch advies moest inwinnen, dan geldt nog steeds dat [gedaagde] niets te verwijten valt. Het [eiser] heeft [gedaagde] verzocht in financiële zin te adviseren. Zij heeft niet om juridisch advies gevraagd en zij wist dat [gedaagde] geen jurist is. Het [eiser] behoorde dus te weten dat zij voor een juridische beoordeling van de overeenkomsten hoe dan ook niet bij [b.v. 1] en [gedaagde] moest zijn. Als het zo is dat het [eiser] dit feitelijk niet wist, omdat zij, zoals zij bij monde van [persoon] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, geen verstand heeft van de materie die aan de orde was, geldt dat dit voor haar rekening en risico komt. 4.28. Kortom, wat er ook zij van de inhoud van het bepaalde in artikel 1.3 van de dienstenovereenkomst en de gevolgen daarvan voor het kunnen terugverdienen van de investering, het feit dat [gedaagde] hetgeen in dit artikel is bepaald niet bij haar advisering heeft betrokken levert geen onrechtmatige daad op. Verwijt 2: ondertekening allonge bij huurovereenkomst 4.29. Het tweede verwijt dat het [eiser] [gedaagde] maakt is, dat [gedaagde] [eiser] ten onrechte heeft geadviseerd om de allonge bij de huurovereenkomst tussen Vleuten en [c.v.] mede te ondertekenen. Hierdoor is het [eiser] medeschuldenaar geworden van een schuld van € 150.000,00 die [kliniek] aan [c.v.] had. Daarnaast was het [eiser] , zo stelt zij, door ondertekening tevens hoofdelijk gehouden om de opslag op de huurprijs van € 20.622,36 per jaar aan [c.v.] te voldoen. [gedaagde] betwist dat haar op dit punt een verwijt valt te maken. 4.30.
[gedaagde] kan ook op dit punt geen verwijt worden gemaakt. Voor dit oordeel is het volgende redengevend. 4.31. Ten aanzien van dit verwijt geldt hetzelfde als hetgeen hiervoor ten aanzien van het eerste verwijt is overwogen en geoordeeld. [gedaagde] heeft op van de haar bekende informatie over de beoogde afspraken en de in dat kader verstrekte financiële informatie, waaronder de door [kliniek] opgestelde prognose, maar ook - zoals [gedaagde] onweersproken heeft gesteld - de door de boekhouder van het [eiser] aan haar verstrekte informatie over de kosten die het Instituut maakte voor het huren van een operatiekamer, beoordeeld of het aangaan van de samenwerking en het in dat kader doen van de investering in financiële zin gunstig zou zijn voor het [eiser] . Dat advies was positief. 4.32. Dit betekent echter niet dat [gedaagde] dus (ook) heeft geadviseerd de allonge bij de huurovereenkomst te ondertekenen. Het [eiser] heeft onvoldoende gesteld om die conclusie te kunnen dragen. Zoals hiervoor al is overwogen is niet om juridisch advies gevraagd en bovendien heeft [gedaagde] expliciet gemeld dat zij de concepten van de dienstenovereenkomst en de huurovereenkomst, waarbij de allonge hoort, niet juridisch heeft beoordeeld. Het verwijt dat [gedaagde] niet heeft onderkend dat het [eiser] door ondertekening van de allonge hoofdelijk aansprakelijk zou worden voor de voldoening van een schuld van [kliniek] aan [c.v.] en dat zij hoofdelijk aansprakelijk werd voor de betaling van de opslag op de huurprijs zou alleen terecht kunnen zijn als [gedaagde] met een juridische bril naar de overeenkomsten zou hebben gekeken. Het gaat ook hier immers om juridische kwesties die de reikwijdte van het verzochte investeringsadvies te buiten gaan. Verwijt 3: financiële risico’s onvoldoende in kaart gebracht 4.33. Het [eiser] verwijt [gedaagde] verder dat zij de financiële risico’s van de investering onvoldoende in kaart heeft gebracht en dat het investeringsadvies een deugdelijke grondslag ontbeert. [gedaagde] betwist dat. 4.34. Voor deze verwijten geldt dat zij boekhoudkundige / financieel administratieve aard (lijken te) zijn. Hetgeen het [eiser] hieraan ten grondslag legt ziet onder andere opnieuw op (de uitleg van) artikel 1.3 van de dienstovereenkomst. Daarover is hiervoor al geoordeeld. 4.35. De stelling dat [gedaagde] in het kader van haar advisering ervan is uitgegaan dat de kosten gemoeid met de huur van de bedrijfsruimte ongeveer € 55.000,00 per jaar bedroegen, terwijl later bleek dat die kosten ruim € 100.000,00 per jaar bedroegen is onvoldoende om de conclusie te dragen dat [gedaagde] de financiële risico’s onvoldoende in kaart heeft gebracht en / of dat het investeringsadvies een deugdelijke grondslag ontbeert. Uit het advies (derde gedachtestreepje onder het kopje “Investering verbouwing”) blijkt immers dat het genoemde bedrag van € 55.000,00 is gebaseerd op een begroting van de kosten bij een goede verhuur. Gelet hierop heeft het [eiser] onvoldoende gesteld om de conclusie te dragen dat [gedaagde] op dit punt een fout heeft gemaakt. Zo is niet gesteld wie dit als zodanig heeft begroot. Heeft [gedaagde] dit gedaan? Of is dit onderdeel van de prognose die door [kliniek] aan haar is verstrekt? In het geval dit onderdeel is van de door [kliniek] verstrekte prognose, had [gedaagde] deze dan op juistheid moeten controleren of mocht zij uitgaan van de juistheid daarvan? Over al deze elementen is niets gesteld. Ook is niets gesteld over de inhoud en betekening van het gemaakte voorbehoud “bij een goede verhuur” terwijl dit wel een factor is die door [gedaagde] is betrokken bij de begroting van de kosten. 4.36. Andere feiten of omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat [gedaagde] de financiële risico’s van de investering onvoldoende in kaart heeft gebracht, zijn niet gesteld. De stelling dat het investeringsadvies een deugdelijke grondslag ontbeert, is ook niet nader toegelicht of uitgewerkt. Dit kan dus ook niet tot het oordeel leiden dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens het [eiser] .
Kan de e-mail van 23 december 2016 tot een ander oordeel leiden? 4.37. Het [eiser] stelt verder dat [gedaagde] in de e-mail van 23 december 2016 heeft medegedeeld dat de overeenkomsten (de dienstenovereenkomst en de huurovereenkomst met allonge) konden worden ondertekend. In dit e-mailbericht heeft [gedaagde] geen enkel voorbehoud gemaakt. Hiermee is achterhaald dat het investeringsadvies geen juridische beoordeling behelst, aldus het [eiser] . [gedaagde] erkent dat zij in het e-mailbericht van 23 december 2016 heeft medegedeeld dat de overeenkomsten konden worden ondertekend en dat zij ter zake geen voorbehoud heeft gemaakt, maar zij betwist dat hieraan de conclusie kan worden verbonden dat zij de eerder gemaakte voorbehouden heeft laten varen. 4.38. De rechtbank begrijpt de stellingen van het [eiser] zo dat het vindt dat het op basis van deze zonder enig voorbehoud geuite mededeling van [gedaagde] , gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat de dienstenovereenkomst en de huurovereenkomst inclusief allonge, ook op juridisch vlak waren beoordeeld en akkoord bevonden. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat het [eiser] zich in het verlengde hiervan op het standpunt stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, vanwege hetgeen hiervoor aan de orde is gekomen over de inhoud van de overeenkomsten en de gevolgen daarvan. 4.39. De rechtbank volgt het [eiser] hierin niet. De mededeling van [gedaagde] kan niet los worden gezien van de feiten en omstandigheden die hiervoor al aan de orde zijn gekomen. 4.40. Het betreft dan het feit dat [gedaagde] uitsluitend naar de financiële aspecten van het aangaan van de samenwerking en het doen van de investering heeft gekeken, omdat uitsluitend hierover advies is gevraagd. [gedaagde] is geen jurist en het [eiser] wist dat. Hiervoor is al overwogen dat niet is gesteld dat [gedaagde] desondanks over enige juridische kennis beschikte, laat staan over de juridische kwesties die in het kader van de samenwerking met [kliniek] van belang zijn. Er is ook niet om juridisch advies gevraagd. Verder kan de mededeling niet los worden gezien van het feit dat [gedaagde] in haar advies expliciet heeft opgenomen dat zij de overeenkomsten niet juridisch heeft beoordeeld. Hiervoor is al overwogen dat de omstandigheid dat het [eiser] dit niet heeft gelezen, voor haar rekening en risico komt. 4.41. Ook is hiervoor is al aan de orde geweest dat de concepten van de overeenkomsten door [kliniek] zijn opgesteld en dat deze ten behoeve van de advisering aan [gedaagde] heeft verstrekt. Partijen zijn het erover eens dat [kliniek] , nadat het [eiser] had laten weten dat zij de samenwerking wilde aangaan, de definitieve versies heeft opgemaakt. [gedaagde] heeft verklaard dat zij deze vervolgens heeft vergeleken met de conceptversies in die zin dat zij heeft gecontroleerd of er cijfermatige aanpassingen waren gedaan. Toen bleek dat de definitieve versies correspondeerden met de conceptversies, heeft zij het [eiser] laten weten dat de overeenkomsten konden worden ondertekend, aldus [gedaagde] . De door [gedaagde] geschetste lezing strookt met de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden en met de reikwijdte van haar advies. 4.42. Het [eiser] heeft tegen deze achtergrond onvoldoende onderbouwd dat het in de gegeven omstandigheden op basis van de mededeling in de e-mail van 23 december 2016 gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat toch of alsnog een juridische beoordeling van de overeenkomsten door [gedaagde] had plaatsgevonden. Op basis hiervan kan dan ook niet worden geoordeeld dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. Het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland 4.43. Ten slotte doet het [eiser] een beroep op enkele overwegingen in het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 14 juli 2021. Volgens haar blijkt ook daaruit dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. [gedaagde] betwist dat. 4.44. Het beroep van [eiser] op de overwegingen uit het vonnis van 14 juli 2021 kan haar niet baten. Nog los van het feit dat [gedaagde] geen partij was in de procedure die heeft geleid tot dat vonnis en dat de (on)juistheid van haar advies geen onderwerp van debat was in die procedure, zodat daarover ook niet is geoordeeld, geldt het volgende. 4.45. Op basis van de overwegingen in randnummer 4.14. van het vonnis kan niet worden geoordeeld dat [gedaagde] het [eiser] onvoldoende heeft geadviseerd. Het Instituut heeft in die procedure kennelijk een beroep op dwaling gedaan, dat door de rechtbank niet is gehonoreerd. De rechtbank heeft niet meer en niet minder overwogen dan dat het [eiser] zich heeft laten bijstaan door haar boekhoudster (lees: [gedaagde] ) en dat het op de weg van het [eiser] lag om de risico’s van de investering in kaart te brengen, zowel ten aanzien van het te investeren bedrag als ten aanzien van de mogelijke huuropbrengsten. Hieruit volgt niet dat [gedaagde] onvoldoende en / of onjuist heeft geadviseerd. Hetgeen het [eiser] hierover in randnummers 37 en 38 van de dagvaarding stelt betreft (opnieuw) de omstandigheid dat beoogde afspraken op basis waarvan [gedaagde] haar advies heeft gebaseerd, niet strookten met hetgeen in de overeenkomsten was opgenomen. In de kern is het verwijt dus opnieuw dat een juridische beoordeling van de overeenkomsten achterwege is gebleven. 4.46. Voor het beroep op hetgeen in randnummer 4.24. en 4.28 van het vonnis van 14 juli 2021 is overwogen en geoordeeld, geldt dat deze zien op hetgeen [eiser] en [kliniek] zijn overeengekomen over voor welke diensten het [eiser] moest betalen (diensten ten behoeve van de kliniek of diensten ten behoeve van het [eiser] ) en op de op grond van de huurovereenkomst op het [eiser] rustende verplichting om te betalen voor aan haar verschaft huurgenot. Dit laatste houdt, zo leidt de rechtbank uit het vonnis af, verband met de omstandigheid dat het [eiser] pas vanaf september 2017 over de operatiekamer kon beschikken terwijl zij op grond van de huurovereenkomst vanaf 1 januari 2017 huur moest betalen. Daarnaast houdt dit verband met het feit dat het [eiser] het gehuurde per 1 september 2018 heeft verlaten en vanaf dat moment geen huur meer wilde betalen. Het gaat in dezen dus om juridische kwesties die [gedaagde] niet behoefde te beoordelen, uitdrukkelijk ook niet heeft beoordeeld en waarvan ook [eiser] niet mocht verwachten dat deze door [gedaagde] zouden worden beoordeeld. Hieraan kan dus ook geen onrechtmatig handelen door [gedaagde] worden ontleend. Slotsom 4.47. Uit al het vorenstaande volgt dat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens het [eiser] . De in het petitum van de dagvaarding onder 1, 3 en 4 geformuleerde vorderingen zijn daarom hoe dan ook niet toewijsbaar en zullen worden afgewezen. De vraag of het [eiser] schade heeft geleden dan wel of die mogelijkheid aannemelijk is, terwijl vast staat dat [b.v. 2] in ieder geval de investering voor haar rekening heeft genomen, behoeft daarom geen beantwoording. De verweren van [gedaagde] , te weten het beroep op verjaring en rechtsverwerking, behoeven evenmin bespreking en beoordeling. 4.48. Voor vordering 2, die ertoe strekt dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] advies heeft gegeven aan en werkzaamheden heeft verricht voor het [eiser] binnen de expertise die van een boekhouder kan worden verwacht, geldt het volgende. Het [eiser] heeft niet gesteld dat en welk (afzonderlijk) belang zij heeft bij beoordeling van deze vordering. Dit lag wel op haar weg. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien waarin dat belang is gelegen. Dit klemt te meer in de huidige situatie, waarin de onder 1 gevorderde verklaring voor recht inhoudend dat [gedaagde] onrechtmatig jegens het [eiser] heeft gehandeld, niet toewijsbaar is. Deze vordering zal daarom eveneens worden afgewezen. Proceskosten 4.49.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 1.414,00; - salaris advocaat € 4.102,00; (2 punten × € 2.051,00) - nakosten € 189,00; (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.705,00. 4.50. De over de wettelijke rente gevorderde proceskosten zal worden toegewezen op de manier zoals hierna in het dictum vermeld. 5De beslissing De rechtbank: 5.1. wijst de vorderingen af; 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.705,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover in het geval deze niet binnen genoemde termijn zijn betaald en vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026. Productie 5 bij de dagvaarding. Productie 7 bij de dagvaarding. Productie 10 bij de dagvaarding. Productie 9 bij de dagvaarding. Productie 23 bij de dagvaarding. Zie randnummers 57 en 60 van de dagvaarding.