De rechter heeft nog geen beslissingen genoemen noch conclusies getrokken. Het wrakingsverzoek mist feitelijke grondslag. Ongegrond.
Rechtbank Limburg 30 September 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:9902
Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-09-2026
Datum publicatie
30-09-2026
Zaaknummer
C/03/354098 / HA RK 26-120
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
ECLI:NL:RBLIM:2026:9902text/xmlpublic2026-09-30T12:03:212026-09-17Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Limburg2026-07-20C/03/354098 / HA RK 26-120UitspraakWrakingNLRoermondBestuursrecht; BelastingrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9902text/htmlpublic2026-09-28T15:16:592026-09-30Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBLIM:2026:9902 Rechtbank Limburg , 20-07-2026 / C/03/354098 / HA RK 26-120 De rechter heeft nog geen beslissingen genoemen noch conclusies getrokken. Het wrakingsverzoek mist feitelijke grondslag. Ongegrond.
beslissing RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Wrakingskamer Zaaknummer: C/03/354098 / HA RK 26-120 Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken op het verzoek van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats],
verzoeker, dat strekt tot wraking van mr. Van Huijgevoort, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter. 1De procedure Op 9 juli 2026 is tijdens de mondelinge behandeling ter zitting van de zaken met nummers ROE 24 /4189 en ROE 25 /1700 tussen [verzoeker] als belanghebbende en de heffings-ambtenaar en de invorderingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW) door [verzoeker] een verzoek tot wraking ingediend. Er is een proces-verbaal opgemaakt waar het overgelegde wrakingsverzoek deel van uitmaakt. De rechter heeft de wrakingskamer op 10 juli 2026 bericht niet in de wraking te berusten. De rechter heeft daarbij een schriftelijke reactie ingediend, inhoudende dat hem totaal niet duidelijk is waarop de hierna te noemen waarneming van verzoeker berust en dat hij ter zitting had aangegeven dat hij over het aangevoerde verschil tussen mens en natuurlijk persoon nog een oordeel moest vormen aan de hand van de stukken van het geding en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht. 2De gronden van het verzoek Verzoeker stelt in zijn verzoek tot wraking dat hij waarneemt dat de rechter geen relevant juridisch onderscheid maakt tussen ’mens’ en ‘natuurlijk persoon’, terwijl de rechter deze juridische conclusie niet wettelijk kan onderbouwen. Verzoeker zegt verder dat hij naar voornoemd onderscheid uitvoerig onderzoek heeft verricht en dat hij heeft getracht dit juridisch vraagstuk aan de orde te stellen. Naar zijn waarneming gaat de rechter evenwel uit van het bestaan van een rechtsregel of juridische grondslag die deze gelijkstelling rechtvaardigt, zonder dat de rechter deze grondslag kenbaar maakt of nader onderbouwt. Hierdoor is bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees ontstaan dat zijn standpunten niet onbevangen worden beoordeeld en dat zijn procesbelangen onvoldoende worden gewaarborgd. 3De beoordeling Ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens de procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van de zitting en het verzoek tot wraking. Uit het proces-verbaal volgt dat de rechter een inventarisatie heeft gemaakt van de gronden van het verzoek en dat de rechter ter zitting nog geen beslissingen heeft genomen noch conclusies heeft getrokken. Voor zover verzoeker heeft willen betogen dat deze beslissingen of conclusies wel zijn genomen respectievelijk getrokken, mist het wrakingsverzoek feitelijke grondslag. Voor zover verzoeker meent dat de rechter anderszins (de schijn van) vooringenomenheid over zich heeft afgeroepen, heeft hij zijn standpunt niet toegelicht. Derhalve kan het verzoek tot wraking niet slagen. Nu er ook geen andere gronden zijn aangevoerd, is het verzoek kennelijk ongegrond en hoeft er om die reden ook geen mondelinge behandeling plaats te vinden. 4De beslissing De wrakingskamer: - verklaart het verzoek tot wraking ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. Van Baal, mr. Derks, en
mr. Quaedvlieg, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026.