Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:4302

Het college heeft een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor het bouwen van een aanbouw aan de zijkant van zijn woning (buitenplanse omgevingsplanactiviteit). Eisers wonen schuin tegenover het perceel van vergunninghouder, aan de zijde waar de aanbouw is voorzien. Zij zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Eisers vinden dat het college bij de beoordeling van een evenwich...

Rechtbank Midden-Nederland 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:4302 text/xml public 2026-08-05T12:00:31 2026-07-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-10 UTR 25/2847 en UTR 25/2849 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4302 text/html public 2026-08-05T12:00:10 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4302 Rechtbank Midden-Nederland , 10-07-2026 / UTR 25/2847 en UTR 25/2849
Het college heeft een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor het bouwen van een aanbouw aan de zijkant van zijn woning (buitenplanse omgevingsplanactiviteit). Eisers wonen schuin tegenover het perceel van vergunninghouder, aan de zijde waar de aanbouw is voorzien. Zij zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Eisers vinden dat het college bij de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties meer gewicht had moeten toekennen aan hun belangen, waaronder privacy en daglichttoetreding, dan aan het belang van vergunninghouder om zijn woning uit te breiden. Zij hopen met hun beroep te bereiken dat het bouwplan niet doorgaat. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen van eisers ongegrond zijn, omdat het college een zorgvuldige beoordeling heeft gemaakt of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en daarbij in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van vergunninghouder om te bouwen dan aan de belangen van eisers. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 25/2847 en UTR 25/2849
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser sub 1] , uit [plaats] , eiser in de zaak UTR 25/2847

[eiser sub 2] , uit [plaats] , eiser in de zaak UTR 25/2849,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
(gemachtigde: mr. A. van Rossem).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] , vergunninghouder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college aan vergunninghouder heeft verleend voor het bouwen van een aanbouw aan de zijkant van zijn woning op het perceel aan [adres 1] in [plaats] . Eisers wonen schuin tegenover het perceel van vergunninghouder, aan de zijde waar de aanbouw is voorzien. Zij zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Eisers vinden dat het college meer gewicht had moeten toekennen aan hun belangen, waaronder privacy en daglichttoetreding, dan aan het belang van vergunninghouder om zijn woning uit te breiden. Zij hopen met hun beroep te bereiken dat het bouwplan niet doorgaat.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen van eisers ongegrond zijn, omdat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Vergunninghouder wil een aanbouw realiseren aan de zijkant van zijn woning waar nu een carport en garage staan. Ook wil hij twee parkeerplaatsen realiseren, waarvan één naast de aanbouw en één in de voortuin. De oorspronkelijke aanvraag had betrekking op een aanbouw van drie bouwlagen en een schuin dak. Na het advies van de afdeling stedenbouw om aan te sluiten bij de variant van de aanbouw aan [adres 2] heeft vergunninghouder de aanvraag gewijzigd naar twee bouwlagen met een plat dak. Met het besluit van 1 november 2024 heeft het college hiervoor aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend.

4. Eisers wonen aan [adres 3] en [adres 4] en kijken vanuit hun woningen op de zijkant en/of achterkant van het perceel van vergunninghouder. Tegen de verlening van de omgevingsvergunning hebben eisers bezwaar gemaakt, omdat zij het niet eens zijn met het bouwplan. Met het besluit van 27 maart 2025 (het bestreden besluit), dat aan beide eisers is uitgereikt, heeft college op de bezwaren beslist en de omgevingsvergunning in stand gelaten.

5. Eisers hebben daartegen afzonderlijk beroep ingesteld. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd en uitgelegd dat hij vanwege de bezwaar- en beroepsprocedure nog niet is gestart met bouwen, omdat hij de uitkomst daarvan wil afwachten.

6. De rechtbank heeft de beroepen op 2 juli 2026 gezamenlijk op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college, vergezeld door [A] , en vergunninghouder, vergezeld door zijn vader.
Beoordeling door de rechtbank
Het omgevingsplan

7. De aanvraag ziet op een omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het omgevingsplan van de gemeente Almere (het omgevingsplan) gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken en het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het perceel van vergunninghouder valt onder het gebied dat is aangewezen als welstandsvrij, waardoor het college alleen heeft moeten toetsen of de aanvraag voldoet aan de regels van het omgevingsplan.

8. In het bestemmingsplan ‘De Hoven, De Werven en De Gouwen’, dat van rechtswege deel uitmaakt van het omgevingsplan, heeft het perceel van vergunninghouder de bestemming ‘Wonen-1’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Tuin’. Het bouwplan valt geheel binnen de bestemming ‘Wonen-1’. Op de voor ‘Wonen-1’ aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat ten aanzien van bijbehorende bouwwerken geldt dat de bouwhoogte van aan het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 0,30 meter boven de vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, kelders en onderbouwen daaronder niet begrepen, een en ander tot een maximum van 4 meter. Op basis van de bouwtekening bij de aanvraag stelt de rechtbank vast dat de bouwhoogte van het bijgebouw dat buiten het bouwvlak wordt gebouwd 5,3 meter is. Dat is 1,3 meter hoger dan is toegestaan, waardoor het bouwplan in strijd is met het omgevingsplan. Dat het bouwplan op dit punt in strijd is met het omgevingsplan, is tussen partijen ook niet in geschil.

9. Eisers hebben erop gewezen dat de uitbreiding aan de zijkant van de woning ook in strijd is met de intenties van het omgevingsplan. In de toelichting staat dat uitbreidingsgelegenheid (aan de zijkant van de woning) niet is geboden als omwonenden hier last van hebben doordat de zijgevel van de woning dichter bij hun perceel komt te liggen. Zoals de rechtbank op de zitting heeft toegelicht, is dit echter geen regel in het omgevingsplan waaraan rechtstreeks getoetst moet worden. Omdat het bouwplan in strijd is met de bouwregels in het omgevingsplan, waarvoor afwijking wordt gevraagd, voldoet het bouwplan logischerwijs ook niet aan de intenties van het omgevingsplan. De afwijking van het omgevingsplan en de gevolgen voor de omwonenden zullen door het college moeten worden beoordeeld bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Het beoordelingskader

10. Het omgevingsplan bevat geen (binnenplanse) afwijkingsmogelijkheid van de maximale bouwhoogte van 4 meter voor bijbehorende bouwwerken. Dat betekent dat het bouwplan met een bouwhoogte van 5,3 meter alleen kan worden gerealiseerd met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Deze omgevingsvergunning kan alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

11. Zoals de rechtbank op de zitting aan eisers heeft uitgelegd, komt het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen ten aanzien van de overschrijding van de maximale bouwhoogte in het omgevingsplan. Het is aan het college om in het kader van de belangenafweging te toetsen of de uitbreiding aanvaardbaar is. Daarbij zal de hinder, of overlast voor omwonenden, zoals het in de toelichting van het omgevingsplan staat, moeten worden meegewogen. De rechtbank oordeelt niet zelf of het verlenen van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eisers of de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht.

Participatie

12. Eiser 1 voert aan dat vergunninghouder heeft nagelaten om voorafgaand aan de vergunningaanvraag aan participatie te doen, terwijl participatie een belangrijke pijler is in de Omgevingswet en wordt beschouwd als een voorwaarde voor zorgvuldige besluitvorming.

13. Zoals op de zitting aan eisers is uitgelegd, schrijft de Omgevingswet geen verplichte participatie voor. De aanvrager van een omgevingsvergunning is enkel verplicht om te motiveren of aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn. Dit is slechts anders wanneer het gemeentelijk beleid participatie verplicht stelt. Dat beleid ziet op de situatie dat de gemeenteraad een bindend adviesrecht heeft. Dergelijk beleid heeft de gemeente Almere nog niet. Ondanks dat participatie in deze situatie dus niet verplicht is, heeft vergunninghouder in het aanvraagformulier bij de vraag of hij contact heeft gehad met anderen over zijn plannen ‘ja’ ingevuld. Bij de vraag hoe hij anderen heeft betrokken bij zijn plannen heeft vergunninghouder ‘geen openbare informatie’ ingevuld. Op de zitting heeft vergunninghouder toegelicht dat hij nog voor het indienen van de aanvraag bij eisers is langs geweest en aan hen om een reactie op het bouwplan heeft gevraagd. Eisers hebben tijdens dit gesprek een alternatief bouwplan voorgesteld, waar zij minder hinder van zouden ondervinden. Dit voorstel heeft niet geleid tot een aanpassing van het bouwplan. Omdat eisers niet hebben bestreden dat vergunninghouder bij hen langs is geweest om het bouwplan voor te leggen, heeft vergunninghouder met de toelichting op de zitting voldoende gemotiveerd dat aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn geweest. De beroepsgrond slaagt niet.

Alternatieven

14. Eisers voeren aan dat het college heeft nagelaten om onderzoek te doen naar alternatieven voor het bouwplan, zoals een uitbreiding aan de achterzijde, vergunningvrij bouwen en/of het herbestemmen van de bestaande bebouwing. Deze alternatieven leiden volgens eiser tot minder nadelige gevolgen. Vanwege het bestaan van alternatieven is een buitenplanse afwijking volgens eisers onnodig en daarmee onvoldoende gemotiveerd.

15. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, dient het college te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Deze situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank hier niet voor. Vergunninghouder heeft op de zitting toegelicht dat de gestelde alternatieven, waaronder een uitbreiding aan de achterzijde, voor hem geen vergelijkbaar resultaat oplevert. Vergunninghouder zou dan een deel van zijn achtertuin moeten inleveren en minder vierkante meters aan woonruimte kunnen realiseren dan bij een uitbreiding aan de zijkant van de woning waar nu al bebouwing staat. De beroepsgrond slaagt niet.

Parkeerplaatsen

16. Eiser 2 voert aan dat de aanbouw ten koste gaat van een groenstrook, zowel aan de zijkant van de woning als aan de voorkant wat nu is ingericht als tuin. De parkeerplaatsen zijn volgens eiser in het stedenbouwkundig advies ten onrechte niet afgewogen, waardoor het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat.

17. De parkeerplaats naast de woning valt binnen de bestemming ‘Wonen-1’ en de parkeerplaats aan de voorzijde van de woning in de bestemming ‘Tuin’. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor de daarbij behorende (ongebouwde) parkeervoorzieningen, toegangspaden en in- en uitritten. Ook de voor ‘Wonen-1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de daarbij behorende (on)gebouwde parkeervoorzieningen. Het realiseren van twee parkeerplaatsen op eigen terrein is dus niet in strijd met het omgevingsplan, waardoor geen stedenbouwkundige afweging heeft plaatsgevonden. Voor zover eiser aanvoert dat het openbaar groen door de twee parkeerplaatsen wordt aangetast, overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin degene door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De rechtbank is van oordeel dat het behoud van het openbaar groen een gemeentelijk belang is, maar niet direct raakt aan de belangen van eiser om zijn privacy en vrij uitzicht te behouden. Eiser heeft desgevraagd ter zitting ook niet kunnen toelichten dat hij door een marginale aantasting van het openbare groen rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. Dat betekent dat eiser zich niet kan beroepen op de bescherming en het behoud van het openbaar groen. De beroepsgrond slaagt niet.

De belangenafweging

18. De kern van de beroepen van eisers is dat geen deugdelijke belangenafweging in het kader van de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties heeft plaatsgevonden. Eisers voeren aan dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning hun belangen als direct omwonenden onvoldoende heeft meegewogen. Het vergunde bouwplan heeft impact op hun leefomgeving, zoals vermindering van zon- en daglicht in hun woningen en voortuinen, privacy en open zichtlijnen op de hoek van de straat. Dit leidt volgens hen tot een onevenredige aantasting van hun woongenot, welk belang zwaarder weegt dan het belang van vergunninghouder om zijn woning uit te breiden. Eisers voeren ook aan dat de afwijking van het omgevingsplan in strijd is met de intenties van het omgevingsplan, zoals blijkt uit de toelichting daarop. Omdat het bouwplan in strijd is met de bedoeling van het omgevingsplan moet volgens eisers meer gewicht worden toegekend aan hun belangen dan aan die van vergunninghouder. Verder voeren eisers aan dat het stedenbouwkundig advies, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, niet deugdelijk is. In eerdere stedenbouwkundige adviezen uit 2019 en 2020 is geoordeeld dat een opbouw op deze locatie niet passend is, vanwege de open structuur van de wijk, de zichtlijnen en de representatieve ligging aan het groenblauwe raamwerk. Het huidige advies gaat hier volgens eisers ten onrechte aan voorbij.

19. In aanvulling hierop heeft eiser 1 een second opinion omgevingskwaliteit van 30 april 2025 ingebracht van [deskundige] (second opinion). De conclusie van de second opinion is dat de inhoudelijke onderbouwing van de aanvraag op meerdere punten tekortschiet. Zo ontbreekt een landschappelijke en ecologische toetsing, terwijl de locatie direct grenst aan waardevol openbaar groen ( [locatie] ). Eiser 1 heeft op de zitting toegelicht dat zijn beroepsgrond is dat de landschappelijke inpassing onvoldoende is betrokken in de belangenafweging die het college heeft gemaakt. Ook volgt uit de conclusie van de second opinion dat er geen vastgestelde gebiedsvisie of beleidsregel is die woninguitbreidingen aan de rand van de wijk richting het groenblauwe raamwerk ondersteunt of beoordeelt. Op de zitting heeft eiser 1 toegelicht dat hij naar voren wil brengen dat de uitbreiding richting het groenblauwe raamwerk bij de afweging betrokken had moeten worden. Verder voert eiser 1 onder verwijzing naar de second opinion aan dat [adres 2] als referentieadres niet vergelijkbaar is, omdat in ieder geval het uitbereidingsvolume en het materiaalgebruik verschillen. Eiser 2 sluit zich daarbij aan en stelt dat het ontwerp van het bouwplan afwijkt van het stedenbouwkundig advies om te kiezen voor de variant aan [adres 2] .

20. De rechtbank stelt voorop dat het perceel van vergunninghouder, en dus de locatie van het bouwplan, zich niet bevindt in het Natuurwerkwerk Nederland. In de Nota Kleur aan Groen van de gemeente Almere wordt het groenblauwe raamwerk, dat zich in het Natuurnetwerk Nederland bevindt, gedefinieerd als de natte natuurgebieden en plassen in het buitengebied en de grote landschappelijke structuren die de stad met zijn omgeving verbinden, zoals de bossen, parkeren en weteringen. Buurt- en wijkgroen valt buiten het raamwerk. Het [locatie] , dat onderdeel uitmaakt van het groenblauwe raamwerk, begint aan de overzijde van de woning van vergunninghouder met daartussen de weg, een groenstrook en water. Het bouwplan valt dus niet in het groenblauwe raamwerk en is daar op enige afstand van gelegen.

21. Het college heeft advies gevraagd aan de afdeling stedenbouw. De afdeling stedenbouw stelt dat de woning van vergunninghouder een twee-onder-een-kap woning is op de hoek van de straat. Ook staat in het advies dat het perceel vanwege de hoekligging een zichtlocatie betreft. Het college heeft op de zitting toegelicht dat deze overwegingen impliceren dat de ligging van het perceel ten opzichte van de omgeving, en dus ook ten opzichte van het groenblauwe raamwerk, bij de stedenbouwkundige beoordeling is betrokken. Het college heeft verder op zitting toegelicht dat naar aanleiding van de second opinion navraag bij de afdeling stedenbouw is gedaan. De stedenbouwkundige heeft toegelicht dat de ligging ten opzichte van het groenblauwe raamwerk expliciet in de stedenbouwkundige beoordeling is betrokken. Omdat de afwijking van het omgevingsplan relatief beperkt is en de woning van vergunninghouder op enige afstand van het groenblauwe raamwerk en in stedelijk gebied valt, kan de rechtbank het college volgen dat het bouwplan het groenblauwe raamwerk niet aantast. In zoverre slaagt de beroepsgrond niet.

22. Ten aanzien van de belangen privacy, lichttoetreding/schaduwwerking en verminderde zichtlijnen overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat de aanbouw op de verdieping drie ramen heeft, waarvan één aan de voorkant, één in de zijgevel en één in de achtergevel. Vanuit de ramen op de begane grond van de aanbouw zal naar verwachting geen, dan wel zeer beperkt, zicht zijn op de woningen van eisers, mede gelet op de groene haag op de hoek van het perceel. Daar komt bij dat ook het hoofdgebouw een raam aan de voorkant heeft. In die zin veranderd er voor eisers weinig. Vanuit het raam in de zijgevel en in de achtergevel op de eerste verdieping van de aanbouw is wel direct zicht op de woning van eisers te verwachten. Dit raam bevindt zich op dezelfde hoogte als het huidige raam in de zijgevel van het hoofdgebouw, maar op kortere afstand van de percelen van eisers. Het raam in de zijgevel en in de achtergevel van de aanbouw leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een onevenredige aantasting van de privacy van eisers. Daarbij betrekt de rechtbank dat de afstand tussen de nog te bouwen aanbouw en de dichtstbijzijnde woning (die van eiser 1) minimaal 14 meter bedraagt met daartussen een weg. Gelet op deze afstand en omdat enige inkijk inherent is aan het wonen in een stedelijke omgeving, is de rechtbank van oordeel dat het bouwplan niet leidt tot een onevenredige schending van de privacy van eisers.

23. De rechtbank kan de stedenbouwkundige ook volgen dat geen sprake is van relevante schaduwhinder bij een afwijkende bouwhoogte van 1,3 meter, omdat het hoofdgebouw het hoogste gebouw op het perceel blijft. Eisers hebben niet betwist dat eventuele schaduwwerking zich beperkt tot het openbaar gebied. Voor zover er door het bouwplan een verminderde zichtlijn is naar het openbaar groen, zoals eisers hebben gesteld, dan weegt dat naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het belang van vergunninghouder om zijn woning te vergroten. De rechtbank ziet verder ook geen andere gebreken in de stedenbouwkundige motivering. Evident is dat met de verwijzing in het stedenbouwkundig advies naar de variant aan [adres 2] een uitbouw van één verdieping met een plat dak is bedoeld, om welke reden geen medewerking aan eerdere plannen van vergunninghouder voor twee verdiepingen en een schuin dak is verleend. Het college heeft evident niet bedoeld dat de aanbouw exact hetzelfde moet zijn qua bouwvolume en materiaalgebruik. Daarbij komt dat het gebied welstandsvrij is, waardoor het college geen eisen mag stellen aan het materiaalgebruik van de aanbouw.

24. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het college een zorgvuldige beoordeling gemaakt of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en daarbij in redelijkheid meer gewicht mogen toekennen aan het belang van vergunninghouder om te bouwen dan aan de belangen van eisers. In die afweging is van belang dat het omgevingsplan bijbehorende bouwwerken tot 4 meter hoogte rechtstreeks toestaat. De hinder die eisers ondervinden van de extra bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk is relatief gering en te volgen is dat dit volgens het college niet opweegt tegen het belang van vergunninghouder om zijn woning uit te breiden. De beroepsgronden slagen niet en de rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren.
Conclusie en gevolgen
25. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van de aanbouw in stand blijft. Eisers krijgen daarom geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 22.29 van het omgevingsplan.

Artikel 17.2, aanhef en onder i, van de planregels.

Artikel 8.0a., tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 16.55 lid 6 van de Omgevingswet en artikel 7.4 van de Omgevingsregeling.

Uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4621, r.o. 30.

Artikel 13.1, aanhef en onder c, van de planregels.

Artikel 17.1, aanhef en onder e, van de planregels.

Uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5009, r.o. 4.1.

Uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2175.

Artikel delen